• 15.735 nieuwsartikelen
  • 177.885 films
  • 12.199 series
  • 33.965 seizoenen
  • 646.802 acteurs
  • 198.943 gebruikers
  • 9.369.537 stemmen
Avatar
 

Meningen

Hier kun je zien welke berichten Roger Thornhill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

J. Edgar (2011)

Het titelpersonage wordt niet per se psychologisch "verklaard" vanuit een jeugdtrauma of een ingrijpende gebeurtenis (of het moet gaan om een moederbinding met alle puriteinse deugdzaamheid van dien), maar zijn wording van beginnende agent tot zelfverklaard moraalridder wordt wel uitstekend uitgebeeld, met een sterke rol van Leonardo di Caprio die in deze rol verdwijnt op een manier zoals ik bij hem toch maar zelden heb gezien – meestal zie ik bij zijn rollen de acteur nog wel door het personage heen, maar als J. Edger is hij hier zeer overtuigend. Visueel kenmerkt deze film zich door een grijs en grimmig kleurenpalet, hetgeen mij af en toe nogal doet beseffen dat ik naar een film zit te kijken en mij dus even uit het verhaal haalt, maar gelukkig is dat nooit echt storend, dit in tegenstelling tot de slechte ouderdoms-make-up van Watts en Hammer. En die uitspraak van Hoover "The more untrue the story, the more dramatic the impact" krijgt langzaam maar zeker steeds meer relevantie.

Jack Bull, The (1999)

Geen vrolijke film, met alle machtmisbruik, corruptie en tirannie van het geld die ongetwijfeld grote delen van Amerika in die pioniers-periode karakteriseerden – wat dat betreft deed de film me vaak denken aan Shane. Al vanaf het begin had ik het gevoel dat dit verhaal niet goed zou eindigen, en Cusacks dood is dan ook het logische gevolg van hoe Judge Tolliver z'n best doet maar toch ook niet om het feit heen kan dat Cusack volgens getuigen een moordenaar is, ook al weet de kijker dan ook beter. Goede rol van Cusack, maar zelf vond ik het vooral leuk om L.Q. Jones als Ballard te zien, inmiddels boven de 70 maar nog altijd met die ondefinieerbare uitstraling die hem ook al zo goed van pas kwam als kompaan van Strother Martin in The wild bunch. Knappe film dus, maar ook deprimerend en wat mij betreft soms ook vrij onaangenaam.

Jack Reacher (2012)

Lekker stevige film met goede vertolkingen en fraaie schurken. Erg sterk vond ik zelf de scène waarin Cruise de vijf kroegtijgers een pak slaag geeft: je weet hoe het gaat lopen, maar het wordt toch verrassend gebracht (en is ook goed gefilmd). Het slot is een beetje teleurstellend, met de standaard-set-up van de vrouw die door de schurk wordt gegijzeld, en dat Cruise dan ook nog zijn wapen weggooit om de engerd heel theatraal in een vuistgevecht uit te schakelen (echo's van Mission: impossible 2, maar gelukkig wat korter) is echt een domper. Desalniettemin als geheel toch een film die de hele speelduur lang bleef boeien.

 

Jack Reacher: Never Go Back (2016)

Deel 1 was zeer vermakelijk, maar deel 2 stelt flink teleur, ondanks een regisseur die toch ook met serieuze films zijn sporen heeft verdiend, een actrice die de tweede hoofdrol meer dan verdienstelijk vervult (ook in de actiescènes) en een acteur (Robert Knepper) die als schurk achter de schermen een beter lot had verdiend. Gedeeltelijk ligt de schuld bij het script die de drie hoofdrolspelers steeds maar op de vlucht laat zijn zonder dat er veel spectaculairs gebeurt, maar gedeeltelijk ook bij de ster die langzamerhand toch wat te oud wordt voor dit soort rollen. Bovendien lijkt hij hier wel aan de prednison te zitten als je zijn bolle kop ziet, en in de loop der jaren heeft hij ook wel een buikje gekregen – geen schande, ik heb er zelf ook eentje, maar het is niet helemaal passend bij een actieheld, zeker niet wanneer die (zoals in de boeken) te voet door Amerika trekt. Matig.

Jack Ryan: Shadow Recruit (2014)

Simpel maar effectief, met een goede rol van Branagh als de schurk en een zenuwslopende inbraakscène; jammer van die voorspelbare climax waarin het Ryan verrassend genoeg nog nèt lukt om met luttele seconden op de klok de aanslag af te wenden – er zijn Tom Clancy-verfilmingen (The sum of all fears) die minder weekhartig zijn. Geen hoogvlieger, wel degelijk vermaak.

Jackal, The (1997)

Omdat ik de oorspronkelijke verfilming uit 1973 van Frederick Forsyths boek zo geweldig vind, heb ik me na al die jaren nog maar eens gewaagd aan déze versie. De eerste keer (20 jaar geleden?) vond ik er niet veel aan, en helaas is dat bij deze tweede maal niet veel anders. De luchtige charme van Edward Fox is veel effectiever dan de gekunstelde kilheid van Bruce Willis met z'n zuinige mondje, Sidney Poitier is een prima acteur maar krijgt hier gewoon te weinig te doen, het Ierse accent van Richard Gere is lachwekkend, en het meeleven met zowel de jager als de prooi zoals in het origineel lukt hier voor geen meter vanwege de onderontwikkelde en oninteressante personages. Ik weet het wel, ik zou deze modernere versie niet moeten vergelijken met het origineel, maar ik kan The day of the jackal nou eenmaal niet "ont-zien", en de vergelijking blijft zich aan me opdringen. Vanaf de scène in de jachthaven wordt de film wel wat sterker en spannender, dus ik hoef niet naar de minimale score af te dalen, maar twee kijkbeurten is wel genoeg voor de rest van mijn leven.

Jacket, The (2005)

Helaas kon ik deze film niet in één keer afzien, dus moest ik met de laatste drie kwartier wachten tot de volgende dag. En eerlijk is eerlijk, als ervaren filmkijker overkomt me het toch niet zo vaak dat ik me de rest van de dag loop af te vragen hoe een film af zou gaan lopen, hoe de personages in elkaar zitten (Dr Becker!) en hoe het hen na het einde van de film zou vergaan, hetgeen betekent dat The jacket me bovengemiddeld heeft geboeid. Adrien Brody heeft precies de juiste getroebleerde intensiteit, Keira Knightley speelt meer dan adekwaat, Daniel Craig is geweldig als doorgedraaide medepatiënt, de muziek van Brian Eno raakt precies de juiste snaar, en die desolate sneeuwlandschappen doen het altijd goed bij mij. Aan The butterfly effect heb ik eigenlijk geen moment gedacht (hoewel ik die zo'n anderhalf jaar geleden nog voor de tweede maal heb gezien), misschien omdat dat voor mijn gevoel meer een film van heden-naar-verleden is terwijl The jacket een heden-naar-toekomst-traject heeft, misschien ook wel omdat The butterfly effect veel spectaculairder qua (vele) tijdsveranderingen en (sensationele) gebeurtenissen is terwijl The jacket het juist klein en subtiel houdt. Daardoor komt deze film ook realistischer over, voor zover dat natuurlijk kan met een uitgangspunt als dit, maar op zich had ik met dat "tijdreizen" minder moeite dan met de onwaarschijnlijkheden van bijvoorbeeld die middeleeuwse toestanden in de inrichting, de bezoekers die daar wel zéér vrijelijk mogen rondlopen en een arts die bij mensen thuis electroshocks geeft... maar goed. Voorheen nooit van gehoord, deze film, maar hij was z'n ene euro bij de kringloopwinkel meer dan waard. En nogmaals de complimenten voor Brody's vertolking.

Jackie (2012)

Redelijk voorspelbaar maar met veel energie en plezier gebracht. Hoewel ze nooit mijn favoriete actrice zal worden kàn Carice van Houten het natuurlijk wel, maar de laatste jaren ben ik me steeds meer gaan ergeren aan hoe haar personages elke keer weer elke suggestie en elke positieve insteek op verveelde toon afschieten; dat kan ze natuurlijk ook prima spelen, maar toen ze dan na Alles is liefde en De gelukkige huisvrouw en Alles is familie hier wéér begon met dat cynische of ironische toontje sloeg de schrik me wel even om het hart. Gelukkig werd in de loop van de film haar personage een stuk twee- en zelfs driedimensionaler, en het einde met de twist van Melissa was zelfs bijzonder fraai gevonden – ik begrijp niet hoe je dit zou kunnen afwijzen met het argument dat dit een komedie is en dat zoiets in dat genre nou eenmaal niet thuishoort. Leuke verrassing: broer Paul wordt gespeeld door Howe Gelb, de grote man van de band Giant Sand.

Jackie (2016)

Geen problemen met een "gezichtsloze" Jackie bij mij : ze komt misschien afstandelijk over, maar bij de White House Tour is dat eerder onzekerheid, en bij het interview is ze juist steeds aan het afwegen wat ze wel en niet wil zeggen en hoe dat op de journalist zal overkomen. Prachtig en ontroerend allemaal; ik ben nooit een fan van Portman geweest, maar van haar rol in déze film ben ik bijzonder onder de indruk. Ook goed bezette bijrollen, met voorop Billy Crudup die controle over het interview probeert te houden en daartoe af en toe een beetje provoceert, en een intrigerende score van Mica Levi, wier eerdere werk in Under the skin ook al ijzersterk was.

Jackpot, The (1950)

Leuke komedie waarbij het licht absurdistische van de Catch 22-omstandigheden er voor zorgen dat ik me niet al te zeer hoef te vereenzelvigen met de wrange financiële perikelen waarin de Lawrences terechtkomen. De film deed me af en toe denken aan Mr. Blandings builds his dream house met Cary Grant van twee jaar eerder, en eigenlijk zou Grant ook best de hoofdrol van The jackpot voor zijn rekening hebben kunnen nemen, hoewel dat nú niet goed meer voorstelbaar is omdat James Stewart zich hier die rol zo eigen heeft gemaakt. Leuke bijrol van Alan Mowbray als de chique binnenhuisarchitect, en als Stewarts dochtertje zien we Natalie Wood vóórdat ze oogverblindend mooi werd.

Jamaica Inn (1939)

Alternatieve titel: In de Jamaica

Gezien als Arrow-Blu-ray, in een perfecte sprankelende transfer die hier bijna een nieuwe filmervaring van maakt. Bovendien bevat deze gerestaureerde versie nu de ruim 8 minuten lange scène die ontbrak op mijn public-domain-kopie, hoewel niemand daar veel aan heeft gemist: hij behelst Jems uitleg over zijn geheime identiteit aan Sir Humphrey zonder dat de eerste echter weet dat zijn gastheer juist de criminele mastermind van de bende is, waarna Mary het laatste deel van hun gesprek opvangt en dan haar tante gaat waarschuwen, ongeveer halverwege de film. Als bonus staan op de Blu-ray verder nog een korte (13 minuten) maar interessante making-of-documentaire, een trailer en een zeer informatieve audiocommentaartrack over film, achtergrond en filmstijl.
        Minpunt van de film zelf is toch wel dat Robert Newton niet geschikt is voor de rol van Jem, en tot overmaat van ramp is Jem noch als karakter noch als actieheld erg interessant, zodat één van de centrale personages van de film eigenlijk nauwelijks uit de verf komt. Gelukkig staan daar Charles Laughton, de knappe Maureen O'Hara en een flink blik Engelse "character actors" als bendeleden tegenover.
        Zo, en nu kan mijn belazerde Weton-Wesgram-exemplaar de prullenbak in.

James Dean (2001)

Een film waarvan ik me afvraag waarom ik hem eigenlijk niet beter vind dan nu het geval is. Aan James Franco ligt het niet, James Dean is een enigmatische acteur en een boeiende persoonlijkheid, en het is altijd leuk om nagespeelde scènes en "tot leven gewekte" personages uit het verleden van Hollywood te zien, waarbij vooral de werkwijze van Elia Kazan en de gefnuikte dwingelandij van Jack Warner tot leuke momenten leiden. Toch pakt de film me niet helemaal, zonder dat ik dus precies kan verklaren waarom; misschien vanwege de simplistische manier waarop Deans verstoorde verhouding met zijn vader (prima rol van Michael Moriarty) de kapstok is waar zijn hele onzekerheid aan wordt opgehangen, misschien omdat er een bepaalde onbalans in de film is geslopen doordat de Europese versie van deze televisiefilm zo'n 25 minuten korter is dan het Amerikaanse origineel, en twintig procent van een zorgvuldig geconstrueerde dramatische lijn wegknippen is natuurlijk niet niks. Hoe dan ook, magnifieke Franco, leuk tijdsbeeld, redelijk boeiende biopic. (Misschien was iets van een kader leuk geweest om te laten zien hoezeer Dean generaties acteurs èn generaties jongeren na hem beïnvloedde? Nu hangt de film een beetje in het luchtledige: de kijker moet Deans mogelijke relevantie zelf maar invullen.)

Jane Austen Book Club, The (2007)

Merkwaardig toch dat er bij deze film vóór mijn directe voorganger twee jaar en drie maanden lang geen enkel bericht is geplaatst. Als MovieMeter vanwege ruimtegebrek zou besluiten om films waarbij gedurende een bepaalde periode niets is geschreven dan maar van de site af te voeren, zou een film als deze één van de eerste slachtoffers zijn, alsof hij gedurende die zevenentwintig maanden gewoon niet "geleefd" heeft of in winterslaap is geweest. Hoe dan ook, dit is een ontzettend leuke film waar mijn dochter van 19 (die geen enkele Austen-roman heeft gelezen, maar wel vier verfilmingen heeft gezien) evenveel plezier aan heeft beleefd als ik (die alle Austens heeft gelezen), en dan kun je er natuurlijk over discussiëren of zij er wel evenveel "uit heeft geaald" als ik, maar ja, hoe relevant is dat? En ze heeft zelfs plannen om aan het lezen ervan te beginnen… Heerlijke film.

Jane Eyre (2011)

Niet slecht maar ook niet bijzonder goed, met een Jane die perfect haar "mannetje" staat maar een Rochester die niet mysterieus, enigmatisch en bars genoeg is om echt indruk te maken en tot leven te komen (of wordt mijn opvatting van hem teveel gekleurd door de vertolking van Orson Welles uit 1943?). Fraai aangekleed, met een mooi somber Thornfield waar gelukkig geen plaatjesboek van wordt gemaakt, maar de chemie tussen de twee hoofdpersonen is voor mij niet voelbaar. Ik kan tevreden zijn met deze versie, maar echt goed kan ik hem niet vinden, misschien ook wel vanwege wat mijn gewaardeerde voorganger AC1 in zijn laatste zin schrijft. Toch te vlak allemaal?

Jason Bourne (2016)

Moeilijk om nog een nieuw puzzelstukje van de achtergrond en de geschiedenis van de titelheld te verzinnen – het gegeven van de betrokkenheid van zijn vader bij Jasons eigen recrutering is aardig verzonnen, maar omdat het voor hoe ik naar Bourne kijk niet zo veel verschil maakt intrigeerde het mysterie mij persoonlijk ook weer niet zo héél erg. Maar de aanwezigheid van een paar ouwe getrouwen (Tommy Lee Jones' gegroefde gelaat gaat steeds meer uitzakken), Vincent Cassels huiveringwekkende asset, een paar geweldige lokaties (de rellen in Athene, de SWAT-bus die een casino binnenrijdt), het typische Bourne-sfeertje en bovenal de terugkeer van de enige echte Bourne-acteur maken hier toch weer een uitstekend deel in de serie van (zonder dat ik overigens precies zou kunnen zeggen hoe lang deze reeks nog mee kan).
        Het einde is een klein beetje onbevredigend. Na haar gesprek met Bourne vindt Heather Lee in haar auto een camera waaruit blijkt dat Bourne weet dat zij tegen haar CIA-baas heeft gezegd dat hij (Bourne) eventueel "expendable" is. Uit haar trieste blik daarna maak ik op dat zij zich betrapt voelt, maar ter verdediging van haar gedrag kan toch worden aangevoerd dat dat gesprek met haar baas alleen maar een toneelstukje was om Bourne te beschermen? En misschien snapt Bourne dat ook wel, maar uit deze slotscène blijkt dat niet echt. Nou ja, verder onbelangrijk.

Jazz Singer, The (1927)

Nou, gelukkig blijk ik niet de énige filmveelvraat te zijn die de originele Jazz singer toch nog nooit eerder heeft gezien. Wel ben ik hier niet via de gebruikelijke "die moet ik toch eens een keer zien"-weg gekomen, hoewel dat voor mij als filmliefhebber wel meespeelt natuurlijk. Mijn favoriete filmcriticus had The Jolson story in zijn top-100 opgenomen, en aangezien ik mij heb voorgenomen om zoveel mogelijk titels van dat lijstje te zien alvorens de Grote Bioscoop Daarboven te betreden heb ik me daar ook maar eens aan gewaagd. Dat is een film met een indrukwekkende inaccuratesse voor wat betreft de feitelijke levensloop van zijn onderwerp, maar tot mijn verbazing vond ik de sentimentele dan wel uitbundige liedjes van Al Jolson (voor mij tot dan toe niet meer dan een Onbekende Grote Naam) eigenlijk ontzettend leuk, en een uitstekende compilatie-CD met 40 nummers en de biografie van Michael Freedland vormden vervolgens een mooie aanleiding om dan eindelijk maar eens The jazz singer op te sporen.

        Op 17-3-2006 schreef korykory (al sinds 2010 niet meer actief op de site) hieboven een aardig stuk met daarin diverse redenen waarom The jazz singer ook nu nog interessant is of zou kunnen zijn, en al die redenen gelden wat mij betreft nog steeds (en voor wie voornoemd bericht er nog even op na heeft geslagen: ja, dat zijn echte straatbeelden van de Newyorkse joodse gemeenschap uit de jaren twintig). Los daarvan valt ook de vertolking van Al Jolson me niet tegen, ondanks het feit dat veel critici het er over eens zijn dat zijn beweeglijke en energieke stijl van optreden niet of nauwelijks op film te vangen is, en Warner Oland zet een indrukwekkende en op het einde toch ook aandoenlijke cantor neer. Kortom, ik kan helemaal begrijpen hoe mensen zich hebben gestoord aan alle hier genoemde punten van kritiek, maar zelf vond ik dit nog een vlot vertelde en zeer onderhoudende film; als dit niet de "eerste" geluidsfilm was geweest zou hij misschien inderdaad zijn vergeten en sowieso niet zo beroemd zijn geworden (ondanks de aanwezigheid van Al Jolson en zelfs een piepjonge Myrna Loy gedurende ongeveer anderhalve seconde), maar ik vind het toch echt geen slecht of saai produkt, zeker niet in de fraai gerestaureerde versie op mijn DVD.

        Grappig detail: als Jolson in een restaurant gevraagd wordt te zingen (dus vlak voor het legendarische "You ain't heard nothin' yet!") zit hij net aan een tafeltje samen met een vriend te eten. Die vriend wordt gespeeld door William Demarest, die in 1946 zijn enige Oscar-nominatie kreeg voor zijn rol van Jolsons ontdekker en mentor in The Jolson story (een rol die hij drie jaar later herhaalde in Jolson sings again).

Jenifer (2005)

Alternatieve titel: Masters of Horror: Jenifer

“She’s fucking awesome, and she’s got a great rack. You know – for a Morlock.” Bizar hoe kort het nog maar geleden is (of lijkt?) dat een Amerikaanse televisiefilm synoniem was met veilig vermaak zonder sex of extreem geweld en met een moraal voor het hele gezin. Dat zulks al een tijdje niet meer het geval is wist ik natuurlijk wel, maar toch was déze televisie-produktie nog een flinke verrassing, met diverse bepaald schokkende en/of expliciete scènes pontificaal in beeld gebracht en zonder enige sentimentele terughoudendheid ten opzichte van bijvoorbeeld kinderen, dieren of de goede smaak (“She’s retarded, I think. Sorry – mentally challenged.”). (En dan zie je in de extra's van de DVD nog dat er een scène waarin Jenifer de penis van Jack zit op te eten uitgeknipt is, en dat Argento een scène met een alien vagina niet eens mocht verfilmen...)
        Wat de "twist" op het einde betreft, veel gebruikers hier zagen die kennelijk aankomen, maar ik ben daar nooit zo sterk in en ik let er ook niet zo op – ik vond het zelf in ieder geval een mooie en passende afronding (en dat laatste ook lètterlijk: de cirkel is weer rond). Dat Jenifer geen achtergrond of "verklaring" heeft stoort mij ook absoluut niet; het enige flauwe aan de film vond ik dat zingende meisje op de geluidsband : de associatie van kinderen met horror en de vervreemdende contrastwerking daartussen is onderhand wat te vaak gebruikt om voor mij nog langer effectief te zijn. Maar al met al toch een lekker eigenzinnige en verwrongen film met een mannelijke hoofdpersoon die precies de juiste zorgelijke kop voor zijn rol heeft en een vrouwelijke hoofdpersoon op wiens uiterlijk ook al niets aan te merken is...

Jerry Maguire (1996)

Wat voor de één sentimenteel is noemt de ander hartverwarmend. Zelf behoor ik tot het laatste kamp, vanwege de oprechte insteek en vanwege de subtiele humor van met name Bonnie Hunt en Todd Louiso (en natuurlijk de niet zo subtiele maar wel zeer aanstekelijke humor van Cuba Gooding Jr.). Cruise heb ik nooit beter gezien, en dat Goodings carrière daarna nooit helemaal van de grond is gekomen laat onverlet dat hij de Oscar voor déze rol ten volle verdiende (deze laatste zin schreef ik voordat ik besefte dat hij èn ik daarmee William H. Macy in Fargo tekort deden). Achteraf bezien zijn de "grote" bedragen waar het hier om gaat een lachertje vergeleken bij de salarissen waar momenteel sprake van is, niet alleen in Amerika bij het American Football maar ook in Europa bij de voetballers (om nog maar te zwijgen van de bedragen die in oliestaten voor sterren op hun retour worden neergelegd), dus je kunt je afvragen hoeveel impact deze film heeft gehad op de mensen die er feitelijk het onderwerp (maar kennelijk niet de doelgroep) van vormen, maar de intenties waren goed.

Jersey Boys (2014)

Een redelijke standaard-biopic met als voornaamste invalshoek de problemen die Tommy DeVito met zich meebrengt – onbegrijpelijk dat die jongen niet al veel eerder tot de orde werd geroepen of zelfs gewoon uit de band gezet, alleen al zijn alledaagse haantjesgedrag is feitelijk onverdraaglijk, maar ja, ik ben dan ook niet opgegroeid op de straten van Jersey. Wèl met de muziek van de Four Seasons, en bij Let's hang on en Tell it to the rain smelt ik nog altijd, dus dat levert een half sterretje extra op, maar uiteindelijk is dit niet de sprankelende film waar ik eigenlijk toch wel op hoopte.

Jesse James (1939)

Een heerlijke "ouwerwetse" western vol vaart en energie, waarin de historische accuratesse (zoals de afwezigheid van Quantrill's Raiders en de Younger Boys, om nog maar te zwijgen van de "They was drove to it"-invalshoek) ingeruild zijn voor het charisma van Tyrone Power (hoewel daarover de meningen misschien verdeeld zijn) en Henry Fonda (die later natuurlijk een grotere ster en een betere acteur dan Power zou worden maar hier nog de tweede viool speelt). Verrassend ook dat er nauwelijks achtergrondmuziek is, zelfs niet bij de achtervolgingen na de gevangenisuitbraak en na de mislukte bankoverval. Actie, humor (al die editorials van de majoor!), romantiek, een goede schurk (Brian Donlevy), een fraaie achterbakse Bob Ford (de onsterfelijke John Carradine), aardige psychologische ontwikkeling (het leven als "scared animals" op de vlucht van Jesse en Zee wordt bepaald niet geïdealiseerd) en af en toe prachtig camerawerk (Jesse die 's nachts over de daken van de wagons van de rijdende trein loopt!) maken dit tot een feest. Superbe vermaak in de beste klassieke Hollywood-traditie.
        Overigens was 1939 sowieso een aardig jaar voor westerns, want naast deze film zagen in dat jaar ook het daglicht Destry rides again, John Fords Drums along the Mohawk, en de centrale westernklassieker die de grote jaren van de Amerikaanse western inluidde, Stagecoach. (Maar, eerlijk is eerlijk, in dat jaar verscheen ook The Oklahoma Kid, met twee archetypische gangsters die opeens een cowboypakkie aantrokken – James Cagney en Humphrey Bogart, van wie de eerste het zelfs bestaat om na een succesvol schot de rook van de loop van zijn revolver te blazen.)
 

Jesus Christ Superstar (1973)

Toen ik deze film voor het eerst zag was ik 13 jaar, en hoewel dus niet echt een naïef menneke meer kan ik me niet herinneren dat ik toen echt besefte hoezeer deze film anachronistische elementen gebruikt, al vanaf de bus in het begin tot en met de soldaten in T-shirts, het gele brilletje van Herodes en de vijf tanks die Judas komen opjagen. Bizar, ik zat kennelijk zó sterk in de wereld van de film dat ik het gewoon allemaal als vanzelfsprekend onderging en ik me aan de "totaalervaring" overgaf. (Óf ik was gewoon wèl naïef en/of dom, dat is ook heel goed mogelijk.)

        Hoe dan ook, nu ik de film weer herzie (niet voor het eerst trouwens) stoor ik me merkwaardigerwijs helemaal niet aan de gedateerdheid en al evenmin aan de theatraliteit, misschien omdat ik nu weet hoe deze film in elkaar zit, maar misschien ook omdat ik het allemaal toch net sober en strak genoeg uitgevoerd vind. Ook los van die vormgeving is er weinig mis met deze film: er wordt prima gespeeld, het camerawerk is fraai (zeker op Blu-ray), de muziek is en blijft onsterfelijk, en hoewel ze vermoedelijk verre van realistisch uitgedost zijn intimideren die priesters met hun zwarte outfits, bizarre borstsieraden en omineuze zwarte hoofddeksels me nog altijd.

        Niet over te brengen op plaat : de blik van Judas wanneer Jezus "When I'm gone" zingt en Judas beseft hoe dit verhaal moet gaan eindigen (net als de niet-begrijpende blik van Simon de Zeloot later in de film). Jesus Christ superstar staat misschien te boek als een interesting failure, maar bij mij raakt hij nog altijd een gevoelige snaar. Zoals AC1 zegt: "Je zou er bijna gelovig van worden!"

Jigokumon (1953)

Alternatieve titel: Gate of Hell

Een simpel plot dat mij toch wel wist te boeien, omdat ondanks het soms ietwat theatrale acteren de obsessie van Morita goed overkwam. Maar het gaat natuurlijk om het kleurenspel, en dat was werkelijk zeldzaam prachtig, met dat oranje gewaad van Machiko Kyo als hoogtepunt. De Masters of Cinema-Blu-ray van Eureka is een lust voor het oog, maar bevat helaas geen extra's buiten een redelijk informatief boekje met essays van Philip Kemp en Carl Theodor Dreyer.

Jimi Hendrix: Hear My Train a Comin' (2013)

Aardige documentaire die de beginner een aardige schets van leven en werk van de beste gitarist aller tijden biedt, maar niet veel nieuws zal brengen voor wie al wat meer van Hendrix weet. Altijd leuk om mensen als Chas Chandler (ex-bassist van The Animals en daarna Hendrix' manager), Paul McCartney, Noel Redding en Mitch Mitchell (bassist en drummer van The Jimi Hendrix Experience), Steve Winwood (met werkelijk gigantische bakkebaarden), Eddie Kramer (Hendrix' geluidstechnicus, en op het moment van schrijven de man op de foto hierboven) en drummer Buddy Miles te zien, en er zitten ook een paar fraaie live-opnames van Hendrix in, maar de 90 minuten zijn wel erg snel voorbij.

 

Joan of Arc (1948)

Alternatieve titel: Jeanne D'Arc

Een beetje een draak. Ingrid Bergman heeft van zichzelf al een gezicht dat prachtig kan lijden, en wanneer ze dan ook nog kiest voor een personage wier grenzeloze lijden uiteindelijk tot de brandstapel, martelaarschap en heiligverklaring zal voeren wordt dat echt een beetje teveel. De prachtige scène waarin haar Joan de echte Dauphin herkent is het hoogtepunt van de film, maar wanneer ze daarna de soldaten moet leiden in hun aanval op het Engelse fort bij Orléans komen haar vurige aansporingen eerder lachwekkend dan opzwepend over, en van die mokerslag herstelt de film zich maar moeizaam. Compensaties zijn er in de vorm van incidentele effectieve vertolkingen, zoals van John Emery als de oprecht bezorgde neef van de Dauphin, Francis L. Sullivan als de meedogenloze bisschop van Beauvais en José Ferrer in zijn debuutfilm als de twijfelende Dauphin, wiens halverwege verdwijnen uit de film echt een weeffout in het script is. Sowieso is het gekonkel aan het Franse hof eigenlijk interessanter dan de oorlogsscènes, maar de martelgang van het laatste halfuur maakt nog wel iets goed. Niet echt slecht, maar mist gewoon de spiritualiteit en de filmische flair om de grootsheid en de inspiratie van de Maagd van Orléans voelbaar te maken.

John Carpenter's Cigarette Burns (2005)

Alternatieve titel: Cigarette Burns

Tja, het komt toch niet zo vaak voor dat ik echt benieuwd ben naar het vervolg van een film – zelfs bij een thriller weet je dat het wel goed zal aflopen en dat de laatste achtervolging of het slotgevecht in het voordeel van de held zal eindigen zodat ik niet bijzonder "thrilled" zal worden, maar bij déze film zat ik toch de hele tijd gespannen te kijken naar wat de filmmakers aan gruwelijks zouden verzinnen om de steeds hogere verwachtingen te kunnen rechtvaardigen. En het slot was misschien niet de overtreffende trap waar ik op hoopte, maar ik werd ook niet teleurgesteld, en dat vind ik al heel wat. Ik was in het begin wel even bang voor een Angel heart-achtige clou (dat Bellinger zelf Backovic zou zijn die Kirby de opdracht geeft om de film van zijn –Kirby's– eigen dood op te sporen of iets dergelijks), en ook met wat PEN15 in de laatste zin van zijn voorgaande bericht schrijft hield ik rekening, maar de plot gaat toch een iets andere kant op en hield me lang in spanning. Blij ook met eindelijk weer eens een goede, serieuze en echt creepy rol voor Udo Kier, die ook een passend einde krijgt. (Overigens deden de fragmenten die we te zien krijgen van La fin absolue du monde mij persoonlijk denken aan de flitsen die we in Event horizon zien wanneer we weten waar het ruimteschip uit de titel vandaan komt.)

John Wick (2014)

Weinig films zullen zó'n simpele opzet hebben, maar Reeves vecht zeer overtuigend en de actiescènes zijn sober maar strak in beeld gebracht, dus een mens blijft toch kijken... Het verhaal is echter èrg dun, het aantal slachtoffers dat zich door het hoofd laat schieten gaat over de grens van het ridicule (met name de scène in die club heeft meer weg van een first-persoon-shooter-game) en de hobbels voor de held zijn minimaal (afgezien van de tijdelijke gevangenneming door de schurk). En dat allemaal om een hondje... Erg gewelddadig, erg melig.

John Wick: Chapter 2 (2017)

Crashende auto's, onderuit schuivende motoren, talloze gevechten, kreunende tegenstanders, explosies, headshots, mannen in pakken die tussen de regels door bedreigen, schaduwen, regen en lege munitiemagazijnen die in onduidelijk verlichte gangen rondstuiteren. Ben ik iets vergeten? O ja, een schmierende Peter Stormare. Eigenlijk een soort Vier vuisten van de duivel maar dan met schietpistolen, messen en potloden. Absurd: Reeves en Common die elkaar vanaf verschillende verdiepingen in een metrostation beschieten zonder dat iemand daar iets van merkt, maar als je even later de omroepster zakelijk "This is the end of the line" hoort zeggen wanneer Reeves Common praktisch heeft vermoord, begrijp je dat de makers zich heel goed bewust zijn van waar ze mee bezig zijn, ook al zit er dan geen greintje expliciete humor of ironie in de film, of het moest van Laurence Fishburne komen: "You're not very good at retiring." Reeves: "I'm working on it." John Wick: chapter 2 is een ultiem voorbeeld van style over substance, maar het beviel me allemaal toch beter dan het eerste deel.

John Wick: Chapter 3 - Parabellum (2019)

Alternatieve titel: John Wick: Chapter 3

Bijna onmogelijk om over de inhoud iets zinnigs te zeggen, want alles is vorm. En dan moet ik denken aan dat liedje van de Cramps: How far can too far go? Een heel eind, blijkt. Keanu Reeves vecht zich een weg door tientallen tegenstanders heen, met gebruik van pistolen, machinegeweren, messen en een enkel minder conventioneel wapen, en als hij met het ene gevecht klaar is dient de volgende groep opponenten zich al weer aan. Het gaat allemaal wel, maar het duurt ook wel èrg lang, en tegen de tijd dat we bij het eindgevecht aankomen zit ik er als kijker al doorheen.

Joker (2019)

Sterk en indrukwekkend, maar niet briljánt wat mij betreft – ik vond hem ongeveer zo goed als ik op basis van de trailer verwachtte, maar ook niet béter dan dat. De opbouw is zorgvuldig en gedetailleerd, de vertolking van Joaquin Phoenix is goed maar geeft mij ook weer niet koude rillingen zoals ik van bijvoorbeeld Brad Dourif in Wise blood kreeg, en bij de climax van de film op "Times Square" zat ik eigenlijk te wachten op de volgende stap (die dus niet kwam). Bovendien kan ik de film onmogelijk los zien van Taxi driver en The king of comedy ; ik ben nou eenmaal van een generatie voor wie met name die eerste film een ikonische toetssteen is, en als ik dan in Joker ook nog Robert de Niro zelf als talkshow-host zie optreden, blijven Travis Bickle en Rupert Pumpkin ("it's Pupkin") voor mijn gevoel op storende wijze in de coulissen zichtbaar. Dus ik heb best genoten van deze film, maar hij maakte op mij niet de overdonderende indruk die hij duidelijk wèl maakte op veel gebruikers hier (en op veel IMDb-gebruikers, want op het moment dat ik dit schrijf staat hij na ruim een kwart miljoen stemmen op de tiende plaats van de IMDb-top-10 – dat zal denkelijk nog wel veranderen).

Jolson Sings Again (1949)

Deze sequel begint op het precieze punt waar The Jolson story ophield, maar terwijl die eerste film eigenlijk een vrij clichématig (zij het uitmuntend gebracht) showbiz-rags-to-riches-verhaal was, is dit meer een persoonlijk verhaal over een individu. Ditmaal moet Jolson zijn eigen onzekerheid over zijn toekomst overwinnen, hetgeen hij doet met de hulp van zijn tweede vrouw, de brutale verpleegster Barbara Hale wiens onvermogen om een blad voor de mond te nemen een frisse wind in Jolsons lichtelijk narcistische universum brengt. (In werkelijkheid was zij een röntgen-technicus, maar die waren kennelijk in 1949 niet sexy genoeg.)

        Larry Parks moet nu een iets oudere Jolson spelen (hetgeen ons duidelijk wordt gemaakt doordat de grimeur hem grijzende slapen heeft gegeven), maar bij blijft net zo innemend als in de eerste film – wat is het toch jammer dat de Blacklist zijn carrière effectief de vernieling in heeft geholpen, want op het witte doek (c.q. televisiescherm) had hij een combinatie van gevoeligheid en onverzettelijkheid die ik bij andere acteurs niet zo gauw ben tegengekomen, nog afgezien van een serieus acteertalent. (Héél soms doet hij me denken aan een opgewekte Robert Ryan.)

        In een vreemde meta-werkelijkheid eindigt de film met de opnames (en het succes) van The Jolson story, hetgeen resulteert in een soort Droste-effect, of moeten we zeggen: een film in een film? Hilarisch is de scène waarin het personage Al Jolson (gespeeld door de acteur Larry Parks) kennis maakt met het personage Larry Parks (eveneens gespeeld door de acteur Larry Parks), zodat we even later kunnen zien hoe tevreden Parks' Jolson is over de manier waarop Parks' Parks Parks' Jolson speelt, hetgeen begrijpelijk is aangezien Parks' Jolson Parks' Parks goed geïnstrueerd heeft hoe hij, Parks' Parks dus, hem, Parks' Jolson dus, moet spelen. (De èchte Jolson, Jolsons Jolson dus, is nog even te zien als toeschouwer-figurant in een shot waarin Parks' Jolson toekijkt bij een filmopname waarbij Parks' Parks Parks' Jolson speelt. Daarbij speelt de acteur Parks dus het personage Parks dat het personage Jolson speelt. Geloof ik.)

        Net als The Jolson story momenteel in z'n geheel op YouTube te zien, maar ook op een Columbia Classics-"twofer"-DVD, uiteraard samen met The Jolson story. Mooie transfer, Engelse ondertitels, geen extra's.