- Home
- Roger Thornhill
- Meningen
Meningen
Hier kun je zien welke berichten Roger Thornhill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
I Am Legend (2007)
Indertijd voor het eerst bekeken vanwege de plot, dus vooral als actie/avontuur. Nu jaren later heb ik minder op het verhaal hoeven letten en kon ik meer de sfeer, de verlatenheid en de details van Smiths dagelijkse routine op me in laten werken, en dat leverde een uitstekende eerste uur op, gevolgd door een minder interessant maar verder ook absoluut niet slecht laatste halfuur. Een fraaie film indien beoordeeld als vignet van de eenzaamheid (in dat opzicht doet de film me wel aan Alien denken), maar wie allergisch is voor Will Smith moet hier maar niet aan beginnen.
I Care a Lot (2020)
Heel even was ik bang dat deze film een verkeerde afslag zou nemen, want wat begon als een soort gitzwarte komedie of satire over de mazen in de wet van de Amerikaanse gezondheidszorg, dreigde over te gaan in een vrij eenvoudige wraakthriller die wat mij betreft z'n doel voorbij zou schieten omdat ik geacht werd mee te leven met een personage dat ik eigenlijk liever achter de tralies zou zien. Maar uiteindelijk kwam het dan toch weer goed door de cynische twist dat schurk en "heldin" gingen samenwerken om een nog veel lucratiever zaakje op te zetten, plus een eindscène die opeens extra lading heeft gekregen door de recente moord op zorgverzekeraar Brian Thompson. Goed spel van alle betrokkenen, met als hoogtepunt het gesprek tussen Marla Grayson en de gladde advocaat Dean Ericson. Knappe maar niet per se "likeable" film.
I Give It a Year (2013)
Een aardige mix van relatiekomedie (met innemend spel van Rafe Spall en Rose Byrne), ongemakkelijke humor (de manier waarop Josh het elektronische fotolijstje heeft ingericht, de relatie tussen Minnie Driver en Jason Flemyng) en overtrokken personages (gelukkig weten Stephen Merchant en Olivia Colman daar wel raad mee), handig laverend tussen realistisch en absurdistisch, en mij zeer regelmatig verleidend tot een lach hardop. Prima vermaak wat mij betreft. (Trouwens opmerkelijk hoeveel fragmenten uit de bovenstaande trailer ik niet in de film voorbij heb zien komen.)
I Know Where I'm Going! (1945)
Drie van de vier laatste schrijvers hier hebben vermeld dat de Archers wel betere films hebben gemaakt. Vooruit, laten we daar "vier van de vijf" van maken, want ook ik vind dat de Archers wel betere films hebben gemaakt (uiteraard, want een andere Powell/Pressburgerfilm staat in mijn top-10 op 1), maar niet veel, en ook niet veel betere, want dit is een klein meesterwerk met een simpel maar effectief plot, prachtige opnames op idem lokaties en vooral twee geweldige, klein gehouden maar zeer goed gespeelde en bijzonder ontroerende hoofdrollen. En Roger Livesey moet toch wel de mooiste stem uit de filmgeschiedenis hebben.
I Love You Phillip Morris (2009)
De poster zet in op de verrassing dat twee heteroseksuele acteurs een homokoppel spelen, maar wanneer Steven Russell eenmaal (en al spoedig) uit de kast is gekomen blijkt dat de film daar eigenlijk helemaal niet over gaat. Geweldig hoe Carrey een glibberige oplichter speelt wiens enige zwakke plek zijn liefde voor Phillip Morris is, of speelt hij juist een verliefde man die plezier krijgt in de oplichterspraktijken die hij alleen maar nodig heeft om zijn liefde te bekostigen? Nou ja, alvorens in de cel te belanden zien we hem al verschillende trucs uithalen om zijn flamboyante levensstijl te kunnen financieren, en de manieren die Russell daarvoor verzint zijn regelmatig goed voor een brede grijns op mijn gezicht. Ewan McGregor heb ik nog nooit zo kwetsbaar gezien, en ondanks die allerlaatste scène (Russell die het gevangeniscomplex rennend verlaat met diverse cipiers in de achtervolging ) geeft deze komedie niet toe aan de verleiding van een happy end. Leuke ongrijpbare film met een paar ontroerende scènes (inclusief die met Rodrigo Santoro).
I Saw the Light (2015)
Goed spel, mooi tijdsbeeld en fraaie fotografie, en het verhaal volgt ook redelijk nauwkeurig de gelijknamige biografie van Colin Escott waarop de film gebaseerd is, maar een echt goede film kan ik dit toch niet noemen, want na afloop (en trouwens ook al tijdens het kijken) heb ik toch niet het idee dat ik als het ware een kijkje in Williams' ziel heb gekregen. De reden daarvan is zeker niet Tom Hiddleston, want die is een zeer overtuigende Hank Williams (ondanks het feit dat zijn zangstem niet de ongepolijste ruwheid van de echte Hank Williams heeft), maar wel de muziek, of liever gezegd de gedeeltelijke afwezigheid ervan.
Ik krijg te weinig te horen van de enorme hoeveelheid geweldige nummers die Williams tijdens zijn korte leven opnam en die soms directe verwijzingen naar zijn eigen leven en zijn huwelijksproblemen zouden kunnen bevatten (Why should we try anymore, Cold cold heart, You win again, I'll never get out of this world alive), en zo krijg ik ook geen idee van waar die nummers vandaan komen en waar Williams' specifieke brille uit bestaat. Bovendien zie ik hem te weinig drinken (ja, er zitten diverse scènes in waarin hij drinkt of dronken is, maar in het boek van Escott loopt de alcohol bijna van de pagina's af), de zwart-wit-scènes waarin Bradley Whitfords Fred Rose achteraf commentaar geeft schuren soms met de rest van de film, en de afwezigheid van een sterfscène (op welke manier dan ook gefilmd) voelt voor mij als een zwart gat in de structuur van de film, alsof de hoofdpersoon stiekem van het podium is afgelopen terwijl de voorstelling nog bezig is.
Ik geloof dat het op MovieMeter was dat ik voor het eerst de formulering "ik blijf een beetje op mijn honger zitten" las, als omschrijving van niet ingeloste verwachtingen of een gevoel van teleurstelling achteraf. Laat ik bij deze film zeggen dat ik een beetje op mijn dórst blijf zitten.
I Was an Adventuress (1940)
Leuke kleine komedie over oplichters vol crosses en double crosses. Mooi dat in die dagen (waarin Amerika –en dus ook Hollywood– te maken kreeg met een grote influx van Europese vluchtelingen, toen nog heel chique émigré’s genoemd) drie Europese acteurs met zware accenten (onder regie van een gevluchte Rus!) de hoofdrollen in een serieuze speelfilm kregen – ook al waren ze daarin dan ook oplichters. Met een lieve rol van Peter Lorre als de lijdzame kleptomaan Polo (“I am a weak character! So is my whole family!”) compleet met valse voortanden, maar uiteraard laat z’n collega en mastermind van de bende Erich von Stroheim zich niet wegspelen met z’n op Humbert Humbert vooruitlopende fixatie op gelakte nagels (“What’s that? Out of my sight – out of nail polish! Tut tut tut!”) en z’n ergernis over de hoeveelheid suikerklontjes die Peter Lorre in zijn koffie doet. De eigenlijke hoofdrolspeelster Vera Zorina (van huis uit ballerina) krijgt op het einde nog een vijf minuten lange solo spot in een opvoering van Tsjaikovski’s Zwanenmeer, en de man aan wie zij haar hart verliest wordt gespeeld door Richard Greene, vijftien jaar later een zeer populaire Robin Hood op de Amerikaanse televisie maar hier nog een tamelijk nietszeggende verschijning. Al met al niets hoogstaands, wel vriendelijk en onderhoudend, met rappe dialogen, elementen van comedy, romantiek en suspense en een mooie ontknoping, een klein vergeten juweeltje.
I Was Monty's Double (1958)
Alternatieve titel: Hell, Heaven or Hoboken
Als ik niet vooraf had geweten dat deze film is gebaseerd op werkelijke gebeurtenissen (met uitzondering van het laatste kwartier) was ik deze recensie beginnen met de constatering dat de Engelse cinema met deze productie Hollywood naar de kroon steekt qua ongeloofwaardige flauwekul. Maar dit is dus grofweg echt gebeurd, en met een alleszins behoorlijk resultaat (60.000 Duitse soldaten en een Panzer-divisie "onttrokken" aan de verdediging van Normandië, als ik het personage van John Mills mag geloven).
De film zelf is verder zeer goed gemaakt met de juiste balans tussen spanning en Britse luchthartigheid, en met een hoofdrolspeler wiens naam pas helemaal op het einde van de castlist vermeld wordt maar die gelukkig absoluut niet verbleekt naast de ervaring en de uitstraling van John Mills en Cecil Parker. Uitstekend vermaak met als bonus heel veel bijrollen van acteurs die soms pas in latere jaren hun eigen "claim to fame" zouden krijgen (variërend van de Carry on-serie tot Dad's army).
Het enige minpuntje is dat ik het overhalen van de nep-Monty door Mills en Parker wel wat èrg snel in z'n werk vond gaan: als je je voorstelt wat een onderneming dat zowel qua voorbereiding als qua uitvoering moet zijn geweest (en welke risico's op Duitse aanslagen hij wellicht heeft gelopen) was iets meer twijfel bij Clifton James toch wel begrijpelijk geweest. Maar goed, dat was slechts een detail, en van het gehéél van deze film heb ik toch enorm genoten.
I, Tonya (2017)
Yup... Als een verhaal met zó'n bizar plotgegeven ook nog eens zúlke onwaarschijnlijke hoofdrolspelers heeft is de verleiding ongetwijfeld groot om er een zwartkomische satire van te maken, zeker wanneer je daar zowel één van de meest onsympathieke personages ooit op film vereeuwigd alsook één van de meest domme in kunt verwerken. Tegelijkertijd schept dat voor mij een afstand waardoor ik niet helemaal in de film kon komen, ook al vanwege al die personages die hun punchlines tegen de camera verkondigen en één personage (de journalist gespeeld door Bobby Cannavale) dat zelfs niets ánders doet dan tegen de camera praten, en daardoor krijgt "het incident" soms de allure van een schelmenstreek, hetgeen enigszins vloekt met de troosteloze sociale achtergrond. Dat gezegd hebbende wordt hier toch wel op een zeer hoog niveau geacteerd, zoals verwacht door Robbie, maar ook door Janney (zeker Oscar-waardig), en naar die brave Bucky Barnes zal ik nooit meer op dezelfde manier kunnen kijken. Toch wel een film die onder de huid kan kruipen.
I'd Climb the Highest Mountain (1951)
Klassieke Americana-film van een regisseur die zulke thematiek als weinig anderen kon brengen; gelukkig gaan de warme en soms overmatig zoetsappige momenten niet ten koste van een paar schrijnende subplots. Beetje jammer dat de welbespraakte atheïst meteen ook een kreupele boekenwurm met een vreugdeloos gezin is. De twee hoofdrollen zijn perfect gecast, en van Rory Calhoun als de verdorven Jack Stark had ik wel meer willen zien. (Ik meen ergens gelezen te hebben dat dit Henry Kings eigen favoriete film is, maar die passage kan ik nergens terugvinden.)
I'll Sleep When I'm Dead (2003)
Het woord "saai" valt hier vaak, maar daar had ik gelukkig geen last van – niet met verkeerde verwachtingen deze film ingegaan wellicht. Niet alles wordt voorgekauwd of middels een dialoog verduidelijkt, dat pleit voor de film, en met Clive Owen en Charlotte Rampling heb je ook mensen in huis die veel met hun ogen kunnen vertellen, hoewel die vaagheid bij andere gebruikers vaak als een steen des aanstoots blijkt te worden ervaren. Die stijl vond ik zelf wel geslaagd, maar de clichématigheid van de plotafwikkeling en de overbekendheid van het (naargeestige) gangsterwereldje doen voor mij ernstig afbreuk aan de impact. Al met al toch een goede voldoende, en de aanwezigheid van Malcolm McDowell is nog altijd een traktatie.
Ice Age (2002)
Twee hilarische personages, één bevredigende volte-face, geweldige animatie (hoewel de Neanderthalers er niet aantrekkelijk uitzien, maar dat is misschien ook om het contrast met de "menselijke" dieren te benaderen) en een mooie ontknoping – alles valt perfect op z'n plaats, hoewel de grootste verrassing misschien wel is hoe fris dit eerste deel nog aandoet, hoe vaak ik hem inmiddels ook al heb gezien. Prima stemmenwerk ook, met de lispelende Leguizamo als uitschieter.
Ice Age: Dawn of the Dinosaurs (2009)
Alternatieve titel: Ice Age 3: Dawn of the Dinosaurs
Deel 3 steekt deel 2 naar de kroon, met opnieuw een reis annex queeste die ditmaal naar een prachtige ondergrondse wereld voert en bovendien een nieuw personage introduceert – als ze Johnny Depp voor de stem van Buck hadden gevraagd had me dat niets verbaasd. De plotcomplicaties buitelen in hoog tempo over elkaar heen, en sommige scènes lijken me bepaald niet geschikt voor 6-jarigen zoals de hoes van de DVD ons wil doen geloven, maar als volwassene heb ik me hier meer dan uitstekend mee vermaakt (en ook regelmatig hardop bij zitten lachen – zelfs de herrie van het Songfestival dat mevrouw OnHeavenHill in een andere hoek van de huiskamer zit te kijken stoort me niet).
Ice Age: The Meltdown (2006)
Alternatieve titel: Ice Age 2: The Meltdown
Nog een stukje beter dan deel 1, met de romantiek van Ellie, een paar echt enge vijanden en twee mooi onuitstaanbare broertjes nieuw in de mix, met nóg intensievere interactie tussen de leden van de ditmaal uitgebreide "familie", en het geheel wederom gegoten in de vorm van een reis of queeste die ditmaal zó pakkend is dat ik de interludes met Scrat bijna als storend ervaar. Leguizamo's bijdrage blijft wat mij betreft het hoogtepunt, maar ook het knappe en gedetailleerde geluidsontwerp moet genoemd worden. Eindeloos inventief en natuurlijk bijzonder grappig.
Ice Cold in Alex (1958)
Alternatieve titel: Desert Attack
Een film met meerdere speerpunten (oorlog, overleven in de woestijn, alcoholisme, het mysterie van de tas van Van der Poel), maar omdat alles ongeveer evenveel aandacht krijgt wordt dat nergens een probleem. Redelijk overtuigend spel van John Mills (is hij hier geblondeerd?), lekkere rol van Anthony Quayle als cocky vrijbuiter, acceptabel spel van Sylvia Syms, en een standaard maar goede vertolking van Harry Andrews geheel in stijl met hoe hij in mijn filmgids wordt omschreven: "Tough-looking British stage and screen actor. Often plays sergeant-majors or other no-nonsense characters." Fraaie lokaties (in Libië) die goed de hitte overbrengen, een prachtig pijnlijk moment met Quayle onder de ambulance, en zonder dat de intensiteit van bijvoorbeeld Le salaire de la peur wordt bereikt is dit toch een behoorlijk sterke stiff-upper-lip-ensemble-avonturenfilm.
Alleen die rare titel… die verwijst natuurlijk naar een plotlijntje in de film, maar hoewel ik hem wel vaker ben tegengekomen zou ik daar nooit een film als déze achter hebben gezocht. Niet voor niets kwam deze film in Amerika onder de passender titel Desert attack uit, hoewel de distributeur aan die andere titel feitelijk meteen ook een totaal andere film koppelde door 50 minuten uit het Engelse origineel te knippen. Sterker nog, als ik de trailer op YouTube bekijk blijkt de BBC in zijn uitzending van 18-5-2025 het lange origineel te hebben beloofd maar de korte versie te hebben uitgezonden, zodat ik eigenlijk niet weet welke waardering ik hier nou aan moet geven. Een béétje belazerd voel ik me wel.
Ice Planet (2001)
Altijd leuk om te zien, zo'n SF-film uit de jaren 50 die ze later hebben ingekleurd en nu op DVD proberen te slijten. Wes Studi geeft zijn rol meer dan de film eigenlijk verdient, Reiner Schöne is waardig als de senator (hoewel hij niets te doen krijgt) en de kleurige uniformen lijken op Star trek vooruit te lopen, maar verder zie je aan de slechte FX en het knullige verhaal wel uit welk tijdsgewricht deze film stamt. Veel goeds kan ik er verder niet van zeggen.
Ice Road, The (2021)
Sterk begin met de altijd betrouwbare Neeson, een interessant nevenfiguur in de vorm van zijn broer van wie ik eerst niet wist of hij een spaak in Neesons wiel of juist een superhandige hulp zou blijken te zijn, fraaie natuuropnames, een sterke soundtrack, en natuurlijk de ijzingwekkende beelden van het op en neer dansende ijs vóór de vrachtwagens uit. Mooie onverwachte (eerste) schurk ook, maar vanaf diens onthulling verandert de film helaas van een overleven-in-barre-omstandigheden-film in een vrij clichématig vindingrijke-held-tegen-meedogenloze-schurk-plot, en toen er ook nog eens iemand lévend uit ijskoud water en van ónder het ijs werd opgevist haakte ik grotendeels af. (En dan heb ik deze film nog niet eens vergeleken met Le salaire de la peur.)
Iceman, The (2012)
Ik schaar me toch een beetje aan de kant van de teleurgestelde kijkers. Qua acteerwerk (inclusief een vrijwel onherkenbare Chris Evans) en vormgeving is het allemaal prima in orde, maar het lijkt wel alsof de makers mij vooral verbaasd wilden laten staan over hoe zo’n ijskoude huurmoordenaar tegelijkertijd zo’n warm familiemens kon zijn, en als de verwondering daarover eenmaal is weggeëbd blijft er niet zoveel over. En dan moet ik ook bekennen dat ik wel enige moeite had met de keuze voor Michael Shannon : dat is een uitstekende acteur, maar met dat gezicht dat al zó intimiderend is wanneer hij alleen maar uitdrukkingsloos kijkt is hij feitelijk zó geknipt voor de rol dat de keuze voor hem téveel voor de hand ligt – al bij hun eerste afspraakje ben ik geneigd om Wynona Ryder toe te schreeuwen: “MAAR ZIE JE DAT DAN NIET?” Maar goed, zoals Boneka op 13-11-2017 al zegt, misschien was haar personage sowieso ook niet al te slim dat ze niet begreep dat er iets niet klopt aan hun levensstijl, of misschien wilde ze dat vooral ook niet zien. Hoe dan ook, het was voor mij allemaal sterker geweest met in de titelrol een minder geschikte acteur die meer had moeten doen om geloofwaardig over te komen, hoe raar het ook klinkt. Misschien is die typecasting een valkuil die Shannon moet omzeilen – hij heeft aan Ray Liotta in ieder geval een goed voorbeeld gehad van wat er kan gebeuren wanneer je als talentvol acteur eenmaal in dat sjabloon terechtkomt, want hoe goed Liotta hier ook speelt, het is wéér een mafia-rol. Net zoals dit eigenlijk wéér een mafia-film is waarin de gewelddadigheid belangrijker lijkt te zijn dan de mogelijke psychologische uitdieping.
Ichiban Utsukushiku (1944)
Alternatieve titel: The Most Beautiful
Inderdaad propaganda, maar gemaakt door een regisseur die zag hoe gedreven zijn landgenoten zich in die extreme crisissituatie beijverden om de dreigende nederlaag af te wenden, en hoewel hij totaal geen affiniteit met het Japanse militarisme had kon hij wel meevoelen met de (misplaatste) idealistische inspanningen, ongeveer zoals Steve Earle kritiek heeft op de Amerikaanse militaire acties in het Midden-Oosten, maar niet op de uitgezonden soldaten. Of waren er ook in die tijd al kritische kijkers die dwars door het (in onze ogen absurde en tegen de borst stuitende) gehamer op alle patriottische leuzen héén keken? Maar dat is misschien te veel gehoopt.
De film zelf is soms ontroerend, soms wat te zwaar aangezet, maar toch tot het eind toe redelijk boeiend, met effectief gebruik van vele close-ups, en tegen het einde een kort uitstapje naar een ingesneeuwd dorpje waardoor de kijker éven een blik op een andere werkelijkheid krijgt. De hier al eerder gememoreerde slotscène met de vrouw wier tranende ogen haar verhinderen om door haar microscoop te kijken is prachtig. Vanwege de saamhorigheid tussen cast en crew tijdens de opnames schreef Kurosawa in zijn autobiografie: "The most beautiful is not a major picture, but it is the one dearest to me."
Idiocracy (2006)
Een leuk uitgangspunt, maar wanneer de makers niet veel anders kunnen verzinnen om de stupiditeit van de mensheid in de 26ste eeuw te illustreren dan grappen over geld, kont en Gatorade begin ik toch te vermoeden dat de makers zèlf ook enigszins stupide zijn, ófwel omdat ze geen beter script dan dit kunnen verzinnen ófwel omdat ze misschien zelf ook wel hard om die grappen moeten lachen. Dat zal wel niet eerlijk zijn tegenover de makers, maar de humor was vaak zó platvloers (het boertige uiterlijk van de ministerraad!) dat de boodschap er bij inschoot wat mij betreft. Misschien had ik al nattigheid moeten voelen toen de scène waarin Luke Wilson steeds maar niet snapte wat Maya Rudolphs broodwinning was maar blééf slepen, alsof het ons nog even moest worden ingepeperd dat de kijker meer begreep dan Luke Wilson, terwijl Rudolphs dubbelzinnige antwoorden ook al niet heel gevat waren.
Illusionist, The (2006)
Geen grootse maar wel een zeer onderhoudende film met een mix van romantiek, intrige en "magie", ondersteund door sfeervolle fotografie die bijna té sepia-bruin is (maar toch goed werkt) en muziek die bijna té cliché-Philip-Glass is (maar toch goed werkt, en dat zegt iemand die bepaald geen Glass-fan is). Edward Norton doet het prima, evenals Jessica Biel die ook nog eens prachtig is om naar te kijken, maar de bevredigendste rol is weggelegd voor Paul Giamatti, aan wiens gelaatsuitdrukking en lichaamstaal je steeds prachtig kunt aflezen hoezeer hij twijfelt tussen zijn verlangen naar (de) waarheid en zijn loyaliteit aan (en angst voor) de kroonprins. Zoals in wel meer films steelt hij elke scène waarin hij voorkomt, en bij de slotscène op het station waarin hij lachend, grijnzend en grimassend begrijpt hoe de vork in de steel zit moet ik –of ik nou wil of niet– hardop met hem mee lachen.
De vergelijking met The prestige is eigenlijk vrij zinloos, afgezien van het feit dat de films in hetzelfde jaar uitkwamen, allebei over goochelaars omstreeks de vorige eeuwwisseling handelen, en beide gebruik maken van een plotelement dat in strijd is met de realistische insteek van de rest van de film en dus in dramatisch opzicht bijzonder onbevredigend is (in The illusionist het gegeven dat het mogelijk is om iemand voor dood te laten doorgaan, inclusief de afwezigheid van hart- en polsslag, een cliché dat ik eigenlijk alleen maar bij fakirs in stripboeken ben tegengekomen, om nog maar te zwijgen van het feit dat ik me niet kon voorstellen dat Jessica Biel al halverwege uit de film zou zijn geschreven, waarmee ik meteen ook het voornaamste minpunt van de film heb genoemd).
Im Keller (2014)
Alternatieve titel: In the Basement
Tja, onvermijdelijk wekt dit toch de indruk van een rariteitenkabinet zoals Onderhond hierboven ook al zegt, want waarom zou je anders afdalen in keldertjes of garageboxen waar mensen dingen doen die ze liever niet vanaf de straat zichtbaar laten zijn? Aan de andere kant maken de meest spectaculaire scènes de kijker niet zozeer deelgenoot alswel medeplichtig: als dat SM-paar zich bij hun praktijken nou lekker voelt, wie zijn Seidl en de kijker dan om zich te verkneukelen bij de aanblik van de man die met zijn tong eerst de badkuip en daarna zijn partner schoonlikt? Of wordt de kijker helemaal niet geacht zich te verkneukelen, ook niet om dat laatste shot met die vrouw die zich in die kooi zo lastig op haar andere zij kan draaien? Ongemakkelijk blijft het, maar feitelijk zijn de scènes van die man met zijn favoriete huwelijkscadeau veel pijnlijker, om nog maar te zwijgen van die mevrouw met die babypoppen.
Imitation Game, The (2014)
Aangezien ik The theory of everything nog niet gezien heb is de vergelijking daarmee voor mij zeker niet onvermijdelijk; wel denk ik terug aan eerdere films over het onderwerp (Enigma [2001]), over Alan Turing (Derek Jacobi in het ontroerende Breaking the code [1996]) of over een vergelijkbaar personage (met name John Nash in A beautiful mind [2001], ook qua opzet een vergelijkbare film: ook daar leidt een situatie in een bar tot een essentieel inzicht, en zelfs de rol van Keira Knightley deed me denken aan die van Jennifer Connelly). Uiteindelijk kan The imitation game echter toch heel goed op zichzelf staan, dankzij een klassiek gegeven (underdog viert historisch belangrijke triomf), een degelijk script waarin alle draadjes keurig aan elkaar worden geknoopt en ook veel ruimte is voor geestige bon mots en subtiele humor (Turing die een mop probeert te vertellen!), goed ingevulde bijrollen voor een paar zwaargewichten (Mark Strong, en vooral Charles Dance als Commander Deniston) en met als belangrijkste troef een briljante hoofdrol van Benedict Cumberbatch die van de sociaal onhandige Alan Turing gelukkig geen karikatuur maakt. Britse ambachtelijkheid op z'n best (ook al is de regisseur dan een Scandinaviër – maar bij Tinker tailor soldier spy pakte dat óók al zo goed uit).
Immortelle, L' (1963)
Net als andere droomachtige films als L'année à Marienbad, Eraserhead en Under the skin, of sommige vroege horrorfilms die een helder plot combineren met spookachtige suggestiviteit (Nosferatu, Caligari, The mummy), of films die realistisch beginnen maar vanaf een bepaald punt in een onwerkelijk (mentaal) landschap terechtkomen (Sauna, Valhalla rising) vond ik deze film makkelijker op associatief dan op logisch niveau te volgen : zelfs als niet alle scènes in één keer op hun plaats vallen of de dialogen meteen begrijpelijk zijn, "voel" ik toch het grotere geheel. Knap hoe Robbe-Grillet probeert een soort psychologische situatie te schetsen door zich buiten de gebaande paden van chronologie en gevolg-en-oorzaak te begeven, maar automatisch gaan mijn gedachten toch uit naar Marienbad, en als zijn andere films ook volgens dit stramien werken hoop ik niet dat het tot een trucje verwordt.
Impostor (2001)
Toen ik kortgeleden deze film tegenkwam herinnerde ik me er alleen nog maar van dat ik hem indertijd heel onderhoudend vond en dat Gary Sinise in een aardige twist toch "overgenomen" bleek te zijn (altijd jammer als je van een film zelfs niet de centrale verhaallijn maar nou net wèl de twist nog weet... maar goed). De herziening viel echter niet mee: Sinise is degelijk als altijd (veel mensen noemen hier zijn werk bij CSI, maar ik denk bij hem nog altijd eerder aan Forrest Gump, Apollo 13 en vooral zijn briljante rol in Ransom), maar de FX hielden niet over voor een film van $40 miljoen, Vincent d'Onofrio deed mij vooral denken aan John Malkovich, en de plot kon mijn aandacht maar niet vasthouden. Wel leuk dat op het einde Madeleine Stowe dan opeens blijkt te zijn overgenomen ("o, dat had ik kennelijk verkeerd onthouden – o nee, kijk eens aan!"), en het centrale idee levert de film dan in mijn waardering nog een nipte voldoende op, maar echt goed kan ik hem toch niet vinden, daarvoor zitten er te weinig boeiende ontwikkelingen in.
In a Lonely Place (1950)
Alternatieve titel: Vreemde Ontmoeting
Een fraai psychologisch portret van een smeulend vuurtje, perfect gespeeld door Bogart in een van a tot z boeiende film. Dat de film zich steeds minder bekommert om "wie het gedaan heeft" vind ik zelf geen probleem, wèl dat ik de hele film door gedacht heb dat Bogart als ster nooit een moordenaar zou kunnen zijn, maar toen ik achteraf las dat hij dan Mildred Atkinson wel niet vermoord had maar volgens het oorspronkelijke script wèl Laurel Gray zou ombrengen begreep ik dat me daarin toch enigszins had vergist. Een geweldige film met een lekker tegendraads slot.
Overigens moet ik bekennen dat ik de op deze pagina's vaak aangehaalde regels "I was born when you kissed me, I died when you left me, I lived the few weeks that you loved me" persoonlijk nogal corny vind, en als Dix ze echt zo mooi vindt zou hij ze vermoedelijk ook niet verspillen aan een script naar een roman die zó goedkoop is dat hij hem niet eens wil lezen – maar dat is misschien persoonlijk.
In Good Company (2004)
Boeiende film die aardig het midden houdt tussen kritiek op de Amerikaanse corporate culture en de privéproblemen van Quaid en Grace, tussen drama en humor, tussen enigszins voorspelbaar en toch nèt even anders dan ik had gedacht dat het zou gaan (met name in de ontwikkeling van de relatie tussen Quaid en Grace), hetgeen altijd een pluspunt is. Net geen hoogvlieger, maar zeker amusant en ook wel boeiend en treffend genoeg om de hele speelduur lang interessant te blijven. David Paymer zorgt nog voor een mooie ontroerende noot, en in de 91 voorgaande berichten is er maar één iemand die de aanwezigheid van Malcom McDowell vermeldt...
In Old Chicago (1937)
Alternatieve titel: De Brand van Oud Chicago
De intrige biedt niet veel onverwachts, maar er wordt aardig gespeeld en de bijrollen maken een hoop goed. Vooral opvallend is Rondo Hatton, een aan acromegalie (buitenproportionele groei van lichaamsdelen als armen, benen, handen, voeten, neus, kaak en jukbeenderen) lijdende acteur die vóór zijn vroege dood dan ook vaak in horrorfilms werd gecast; hier is hij de bodyguard van Gil Warren (en voor het gemak ook maar "Rondo" geheten), en wanneer hij in beeld is worden je ogen vaak weggezogen van de andere acteurs, zo luguber ziet hij eruit.
De climactische brand is nog altijd enorm indrukwekkend, mede omdat er niet de gebruikelijke Hollywood-muziekscore onder is geplakt; dat "assistant director" Robert Webb voor deze film een Oscar kreeg is dan ook meer dan begrijpelijk. Zoals de New York Times-recensent indertijd schreef: "At the first cry of ‛Fire' the screen suddenly flowers into beauty, violence, and terror." (Overigens is er sowieso heel weinig achtergrondmuziek gedurende de hele film te horen, heel verfrissend voor een film uit deze tijd.)
Is het niet een vreemd idee dat deze film langer geleden gemaakt is (2011–1938=73 jaar) dan de brand zelf voor de mensen die deze film zagen (1938–1871=67 jaar)? Het is dus zelfs heel goed mogelijk dat aan deze film werd meegewerkt door mensen die die brand nog zèlf hadden meegemaakt.
Helaas worden wij hier voor onze Regio-2-DVD afgescheept met de "limited release"-versie van de film, en niet met de "roadshow release", de versie waarin een film gedurende een beperkte periode werd vertoond in een klein aantal (chique) bioscopen in grote steden zoals Los Angeles, San Francisco, New York en –natuurlijk– Chicago, alvorens in een gekortwiekte ("limited") versie in gewone bioscopen in het hele land gedraaid te worden. De "roadshow"-versie duurt 115 minuten, en de "limited" versie van mijn DVD slechts 92 minuten, hetgeen zelfs met de "snellere" Europese PAL-speelduur nog altijd een verschil van een goede 20 minuten betekent. Jammer; de extra scènes zouden de film misschien onnodig hebben vertraagd, maar als we net als Amerika een release met beide versies zouden hebben gehad, zouden we daar in ieder geval zelf nog voor hebben kunnen kiezen. (Maar ja, eigenlijk mag ik niet klagen voor een film uit de 5-voor-5-euro-reeks bij zekere grote speelgoedhandel.)
Een aanwinst voor wie houdt van de klassieke Hollywood-film uit de "golden era", en een leuke film van een warme en veelzijdige maar helaas bijna vergeten filmmaker voor wie wel eens een lans mag worden gebroken, Henry King, regisseur van o.a. Jesse James uit 1939 (eveneens met Tyrone Power), The gunfighter (1950), The bravados (1958) en zijn absolute meesterwerk Twelve o'clock high uit 1949.
In the Court of the Crimson King: King Crimson at 50 (2022)
Alternatieve titel: In the Court of the Crimson King
Fascinerend portret van wat soms bijna een sekte lijkt, met Fripp als gevreesde sekteleider die in zijn volgelingen, herstel, bandleden naast bewondering en loyaliteit ook onzekerheid en angst opwekt. Vooral ook bijzonder omdat de bandleden van het eerste uur (en tevens de eerste afvalligen) Ian McDonald en Michael Giles nog aan het woord komen, en de manier waarop Fripp en McDonald ook een halve eeuw later nog hun verdriet over die breuk tonen is zeldzaam navrant en ontroerend, net als de nuchtere beschouwingen van de ten dode opgeschreven Bill Rieflin. Aan de andere kant is het commentaar van Trey Gunn ("elf jaar lang een ziekte onder de leden") en Adrian Belew ook niet mis te verstaan, maar ja, een band is nou eenmaal geen democratie, en om de muziek van King Crimson te waarderen hoef je niet per se bij Fripp op de koffie te willen (tenzij Toyah de koekjes serveert natuurlijk). En dan de aanwezigheid van de nog onwaarschijnlijke jeugdige Bill Bruford, en blazersheld uit de jaren 70 Mel Collins die nu weer met Fripp c.s. meedoet, en Pete Sinfield... Voor wie bekend is met deze sien is dit een fascinerend portret, maar ik weet niet of de band hier veel nieuwe fans mee gaat winnen.
In the Electric Mist (2009)
Tommy Lee Jones, de swamps, een geheim uit het verleden, de broeierige sfeer van het Amerikaanse zuiden, iedereen die iets te verbergen heeft, een interessante rij bijrolacteurs inclusief Levon Helm, mysterieuze "onmogelijke" verschijningen, wat zou hier nog mis mee kunnen gaan? Helaas is het het allemaal nèt niet – nèt niet sfeervol genoeg, nèt niet spannend genoeg, nèt niet intrigerend genoeg, nèt niet kleurrijk genoeg, nèt niet puntig genoeg, nèt niet genoeg vlees voor de lange speelduur, en de Confederates voegen nèt te weinig aan het verhaal toe, waardoor de film (bij mij althans) veel belooft maar ook na meerdere kijkbeurten amper beklijft.
