• 15.735 nieuwsartikelen
  • 177.886 films
  • 12.199 series
  • 33.965 seizoenen
  • 646.802 acteurs
  • 198.946 gebruikers
  • 9.369.636 stemmen
Avatar
 

Meningen

Hier kun je zien welke berichten Roger Thornhill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

L.A. Confidential (1997)

Een film die als weinig andere een complete wereld weet te scheppen en daarbinnen z'n vele plotlijntjes op zeer knappe wijze met elkaar verbindt. Mijn eerste kennismaking met Russell Crowe, die hier een verpletterende indruk maakte; er zijn sindsdien (en ook wel hiervóór) veel films geweest waarin het geweld grover en explicieter is, maar wanneer Crowe losgaat heb ik nog altijd de neiging om mijn hoofd af te wenden. Hilarisch uitgestreken gezicht van Spacey als hij Pearce op diens fout wijst wijst wanneer die de vrouw aan Johnny Stompanato's tafeltje een veeg uit de pan geeft. Compact meesterwerk.

La La Land (2016)

Toen ik deze film een maand of vijf geleden via de spetterende Blu-ray voor het eerst zag, was ik zó onder de indruk dat ik hem eigenlijk geen tweede keer durfde te bekijken uit angst dat hij pijnlijk tegen zou vallen, en zo begon ik langzaam maar zeker –ik weet, het klinkt absurd– als een berg op te zien tegen dat éne doosje in mijn kast. Toen de overige stapels "nog te zien" waren weggeslonken ben ik hier dan toch maar een tweede maal aan begonnen, met lood in mijn schoenen, maar al halverwege de openingsscène was ik weer helemaal gewonnen door de muziek, de kleuren, de energie, de goede zin en de joie de vivre, en toen moesten Gosling en Stone nog komen. Wat is híj geweldig in de korte scène waarin zijn zus al zijn nog ingepakte dozen becommentarieert, wat is zíj geweldig wanneer ze na haar mislukte première aan de grond zit, en wat zijn deze twee geweldige acteurs sámen fantastisch (onbegrijpelijk dat zíj wèl maar híj dan weer níét door de Academy werd bekroond). Meer een verhaal over dromen en liefde en hoe die twee niet altijd samengaan dan een pur-sang-musical, hetgeen niet wegneemt dat de liedjes prachtig zijn en de vertolkingen van zang en dans tussen adekwaat en uitstekend variëren (bij Gosling en Stone niks geen lood in de schoenen). En dan de onbeschrijflijke blik van verstandhouding en liefde die ze op het einde uitwisselen... Nu geen vijf maanden meer wachten op de derde kijkbeurt.

Lady Bird (2017)

Typisch voorbeeld van een script dat niet zo bijzonder lijkt, maar dat genoeg ruimte biedt aan getalenteerde acteurs die er vervolgens mee aan de haal gaan en er zóveel leven in blazen dat je uitkomt op een film waar ik onwillekeurig toch steeds meer ingezogen werd. Bizar dat geen van de vijf Oscarnominaties (alle in grote categorieën) verzilverd werd: bij de scènes tussen Lady Bird en haar moeder had ik toch wel minstens één winnaar verwacht (hoewel Frances McDormand en Alison Janney hun beeldjes ook ten volle verdienden). Eens kijken of Gerwig in maart haar eigen Oscar gaat scoren.

Ladykillers, The (1955)

Alternatieve titel: The Lady Killers

Heerlijke film, waarbij ik duidelijk in het kamp val van de gebruikers die deze versie prefereren boven de remake. Alec Guinness is op geweldige wijze onherkenbaar (en erg leuk), maar Katie Johnson steelt de show – ze wekt ècht de indruk dat ze geen flauw idee heeft wat er om haar heen gebeurt, zodat het lijkt alsof wat ze zegt achteraf in het script is opgetekend in plaats van andersom. Bij het accent van creepy Herbert Lom moet ik soms aan dat van Yul Brynner denken. Een lekker zwartgallige komedie; jammer dat de kleuren op mijn Ealing-DVD niet helemaal perfect zijn, gewoon niet bijzonder aangenaam om naar te kijken.

Lake House, The (2006)

Heerlijke romantiek waarbij één opgeworpen obstakel de beide hoofdrolspelers gedurende de hele film belet om elkaar te ontmoeten – met één uitzondering die meteen een spannende scène bij het feestje van Kate en Morgan oplevert. Uitstekend spel van de beide leads. Wel vraag ik me steeds af wat Christopher Plummer nou eigenlijk in deze film doet en wat de moeizame relatie van Alex met zijn vader precies aan deze film toevoegt, maar goed, verder niet belangrijk. (Of heb ik een hint gemist dat pa bepaalde magische eigenschappen aan zijn bouwtekening heeft toegevoegd om het leven van zijn zoon zo mogelijk nog meer in de war te schoppen?)

Lang & Gelukkig (2010)

Alternatieve titel: Lang en Gelukkig

Duidelijk gemaakt met plezier en overgave, en het is ook wel grappig om van de nood een deugd en van knullige decors een stijlprincipe te maken, maar camp is voor mij iets dat we vooral aan de Engelsen moeten overlaten, dus mannen die als vrouw verkleed gaan, opgeplakt okselhaar en Arjan Ederveen die zegt dat hij, pardon, zij de koningin altijd van achter likt... allemaal mateloos flauw, en van de liedjes (alleen door Gijs Naber echt goed gezongen) werd ik ook niet warm of koud. Misschien erg leuk voor wie vindt dat Arjan Ederveen de lach aan zijn kont heeft hangen, maar ik behoor niet tot die groep : ik erken de briljantie van zijn 30 minuten, maar materiaal als dit krijgt mij niet aan het lachen, althans niet in ons taalgebied. Twee halve sterretjes bovenop het minimum voor het aardig uitgevoerde dansje van Paris en Hilton (ook zoiets, wat een grappige namen hè) op het bal en voor Hans Leendertse als aandoenlijke prins, fee en dementerende dame.

Langoliers, The (1995)

Herzien naar aanleiding van een ander verhaal over vliegtuigpassagiers in bovennatuurlijke omstandigheden, Anomalie van Hervé le Tellier, hoewel de "clou's" van beide plots uiteindelijk weinig overeenkomsten hebben en de uitwerkingen ervan nog minder. The Langoliers is een televisiefilm in de beste zin des woords: rustig tempo, niet gericht op gekunstelde explosieve climaxen maar op intrige, en met ruimte voor elk personage. Alle acteurs doen hun werk naar behoren; David Morse is betrouwbaar als altijd, Dean Stockwell is geloofwaardig als de man die één en ander uitknobbelt, en Bronson Pinchot is hier aanzienlijk assertiever dan in de film waar ik hem uit herkende, de allereerste Beverly Hills cop. Alleen Patricia Wettig bevalt me niet zo goed, ze is te lijzig en lijkt te veel de mooie vrouw uit te hangen, maar dat kan persoonlijk zijn. De Pacman-achtige CGI zijn natuurlijk te beroerd voor woorden, maar die zie ik maar door de vingers. Al met al steeds opnieuw een film die mij aan het scherm gekluisterd houdt dankzij insteek, uitwerking en personages, hoe oud hij ook mag ogen en hoezeer hij ook duidelijk voor televisie is gemaakt.

Larry Crowne (2011)

Hee, wat leuk, een film waarin Tom Hanks echt eens iemand aan de onderkant van de samenleving uitbeeldt! O nee, Larry is natuurlijk helemaal geen loser, want wie aanpakt kómt er wel. En alle mensen die hij ontmoet zijn aardig, en op de universiteit haalt hij de hoogste cijfers, en die vriendelijke motor-, ik bedoel natuurlijk scooterduivels helpen hem om zijn leven weer op de rails te krijgen, en zijn (ex-)buurman is ook nog eens goud waard. . . Alleen Julia Roberts' bittere docent is hier te pruimen. Voor de rest is dit eigenlijk weerzinwekkende bagger, en dan gaat er ook nog eens een vol punt vanaf voor die irritante meid vol aanstekelijke levenslust die ongevraagd Larry's leven komt optimaliseren. Flikker toch op!

Last Airbender, The (2010)

Alternatieve titel: Airbender

Een ongeloofwaardige fantasy-wereld, suffe CGI van waterballetjes en vuurstralen, een dierlijk vervoersmiddel dat me aan The neverending story doet denken, magische bewegingen die rechtstreeks uit het lesboek van het Ministry of Silly Dances lijken te komen, een liefdespaar zonder enige chemie, en zeer slecht acteerwerk (maar ja, wie zou er wèl uit de voeten kunnen met stijlbloempjes als "my life force will leave my body and return to the Moon Spirit"?). Misschien geschikt voor de bovenste helft van de basisschool als doelgroep, maar als sprookje (of als wat-dan-ook) voor volwassenen vind ik dit hopeloos broddelwerk.

Last Christmas (2019)

Een paar likeable (zeg maar gerust loveable) leads, gevatte dialogen, wat quirky bijrollen, een niet erg respectvolle benadering van het Kerstfeest en een clou die je niet bij zo'nfeel-good-film zou verwachten – ja, dit soort romantiek gaat er bij mij wel in. (Enigszins buiten het seizoen gezien vanwege –geslaagde– deelname aan Whamageddon.)

Last Duel, The (2021)

De speelduur is wat overdadig en aan die lelijke sik van Matt Damon moest ik wel even wennen, maar toen de thematiek eenmaal duidelijk werd en de ontwikkelingen zich onafwendbaar aankondigden werd ik wel stevig de film ingezogen. Knap spel van de drie hoofdrolspelers, grove vechtscènes die toch nergens overdreven aandoen, een bloedstollende climax en natuurlijk de bij Scott gebruikelijke visuele pracht. Een soort Rashomon minus de theatraliteit en met in onze ogen wel zeer bizarre opvattingen van recht, waarheid en vrouwelijkheid.

Last King of Scotland, The (2006)

Sterke en beklemmende film. Veel gebruikers hier blijken nog nooit van Idi Amin te hebben gehoord, maar in de zeventiger jaren was zijn naam synoniem met machtsmisbruik, wreedheid en zelfs (vermeend) kannibalisme (Amin zelf: "I don't like human flesh. It's too salty for me"); ik zal niet zeggen dat hij qua "roem" op één lijn met bijvoorbeeld Stalin of Pol Pot kon worden gesteld, maar a household name als meedogenloze dictator was hij toch wel. Misschien komt het dáárdoor dat ik na afloop van deze film toch een licht gevoel van teleurstelling had: de ontwikkeling van het verhaal zelf was tamelijk voorspelbaar, en ondanks de aanwezigheid van een tweetal gruwelijke scènes (de afgehakte ledematen en de dokter die aan zijn borst wordt opgetakeld) had ik me eigenlijk op nog groter verschrikkingen voorbereid (maar dat kan ook komen doordat deze film vooral het begin van Amins heerschappij belicht: wellicht zou een portret van zijn latere jaren nog een stuk grover kunnen en moeten zijn). Hoe dan ook, uiteindelijk natuurlijk toch behoorlijk indrukwekkend met een uitstekende (maar misschien niet helemaal Oscar-waardige) hoofdrol.

Last Night in Soho (2021)

Slim aangepakt van Edgar Wright: zo kan hij zijn fascinatie voor de zestiger jaren botvieren (inclusief een eindeloze reeks hits plus het casten van vier ikonische acteurs en actrices uit die tijd) en tegelijkertijd duidelijk maken dat het swingen van de sixties soms ook horizontaal op de matras moest gebeuren als je als starlet hogerop wilde komen. En op zich passen de horror-elementen van Ellie's dromen of visioenen of nachtmerries daar ook wel goed bij, maar de overdaad aan scènes waarin Ellie bedreigd wordt door steeds opnieuw één of meerdere plotseling opduikende en niet van elkaar te onderscheiden grijze spoken doet de film uiteindelijk de das om. Het blijft een intrigerend gegeven, maar door die opeenstapeling van geestverschijningen sloeg bij mij al vanaf de derde of vierde achtervolging de verveling toe. Jammer, want Thomasin McKenzie doet het uitstekend in de hoofdrol, Terence Stamp is altijd welkom, visueel en qua plot is de film behoorlijk interessant, en al die geweldige hits (inclusief het fantastische titelnummer tijdens de eindcredits) kan ik niet vaak genoeg horen.

Last Posse, The (1953)

Ik ben deze western gaan kijken vanwege de regisseur, die er een slag van heeft om B-scripts een A-behandeling te geven, zoals At gunpoint (1955), momenteel op YouTube in een prima transfer te zien, net als The last posse trouwens. Mijn gewaardeerde voorgangers hebben mij al het prairiezand voor de voeten weggemaaid (hier hapert mijn metafoor even), want ook ik vond dit een uitstekende western, waarbij het enige smetje is dat de manier waarop de aap uit de mouw komt (en welke aap dat zal zijn) al zo duidelijk wordt getelegrafeerd, maar misschien maakt dat juist ook benieuwder naar hoe de wrijvingen binnen de posse zich in de flashback zullen gaan ontwikkelen. Met Broderick Crawford weet je het maar nooit, maar hier zet hij toch een zeer sterke hoofdrol neer als alcoholistische sheriff, voor zijn vertolking wellicht puttend uit eigen ervaring. Charles Bickford is zoals gebruikelijk lekker onaangenaam, en John Derek maakt naast deze twee acteerkanonnen een goede indruk, hetgeen duidelijk helpt om de spanning in deze kleine maar intrigerende western te houden. Een aardig (zij het niet héél gecompliceerd) mysterie, fraaie opnames van indrukwekkende landschappen, een paar stevige vechtpartijen en een vrij gruwelijk gefilmd ongeluk vervolledigen het totaalplaatje van een western waarvan we blij mogen zijn dat hij via deze transfer voor de vergetelheid is behoed.

Last Samurai, The (2003)

Een vrij overtuigende mix van actie/avontuur en persoonlijke ontwikkeling zoals de regisseur het ook voor zich zag, met een ster die de film niet domineert, een serieuze uitbeelding van de Japanse cultuur zonder stereotypen of karikaturen, en sterke vechtscènes (inclusief de eerste ontmoeting tussen soldaten en samoerai en de nachtelijke overval op het dorp). Wie er problemen mee heeft dat buitenlandse vijanden altijd Engels blijken te spreken (voor mij nooit een probleem, maar goed) zal er verheugd over zijn dat de Japanners onderling Japans spreken, de score van Hans Zimmer is opmerkelijk ingetogen (in ieder geval tot aan de laatste slag), en de visuals zijn prachtig.
        Zelfs aan de minpuntjes hoef ik niet zo zwaar te tillen: met Algrens voormalige commandant wordt wel èrg snel (en dus in dramatisch opzicht onbevredigend) afgerekend, het liefdesplotje was niet nodig (gelukkig wordt het héél klein gehouden en dient het voor mij voornamelijk als opstapje naar de allerlaatste scène), en eigenlijk had Nathan op het einde gewoon temidden van zijn nieuwe vrienden het leven moeten laten (maar zijn overleven was noodzakelijk om hem het zwaard aan de keizer te laten aanbieden, en doordat die daarna de onderhandelingen met de buitenlanders afkapt wordt het offer van de samoerai achteraf alsnog gerechtvaardigd). Zo hebben de kwaliteiten van deze film voor mij ruimschoots de overhand. Indrukwekkend.

Last Stand, The (2013)

Op Blu-ray herzien, en daarbij viel me pas de prachtige helderheid van de shots op. Tevens opnieuw genoten van de knappe manier waarop er drie lijntjes worden uitgezet die vervolgens langzaam maar zeker naar elkaar toe worden gesponnen (hoewel de FBI tijdens het laatste halve uur een beetje uit beeld verdwijnt). Actie en humor, Arnie en drie mooie babes, een paar lekkere shoot-outs en wat krankzinnige stunts, wat wil je nog meer? (Bij de deleted scenes zit ook een korte en slechts gedeeltelijk gerealiseerde scène waarin de Corvette een als barricade dwars over de weg geparkeerde politiewagen ontwijkt door op de bodem van zijn chassis over de reling van de snelweg te schuiven. De extremere shots daarvan zitten er als "pre-viz" tussen, maar gelukkig realiseerde iemand zich dat die scène nèt even wat te ver ging.)

Last Tattoo, The (1994)

Alternatieve titel: The Conspiracy

Een ongebruikelijke setting (onderzoek naar geslachtsziekten van de in het Nieuwzeelandse Wellington gelegerde G.I.'s), een lekker gecompliceerd film-noir-achtig plot en een aardige cast maken hier een film van die té intrigerend is om af te zetten, maar die me na afloop met een leeg gevoel achterliet. De acteurs doen hun best en het tijdsbeeld gaat gelukkig nergens over de top, maar de sentimentele muziek is af en toe verschrikkelijk, de soft-focus-opnames zijn ongepast en de romantiek wordt er met de haren bijgesleept (midden in een levensgevaarlijk moordonderzoek een affaire beginnen?!?). Bovendien moet ik bekennen dat ik me lange tijd zat te ergeren aan de manier waarop de scriptschrijver de hele tijd trucs zat te verzinnen om Kerry Fox maar vooral niet naar de uitleg van Tony Goldwyn te hoeven laten luisteren, zodat de twee hoofdrolspelers nog even flink konden kibbelen (natuurlijk alvorens elkaar in de armen te sluiten) en aldus de speelduur nog een beetje gerekt kon worden. Niet slecht, maar ook niet erg goed.
        Bizar detail: bij het nalopen van de lijst van de complete cast op IMDb om te kijken of daar nog namen bij zaten die me in 1994 niets zouden hebben gezegd maar die inmiddels toch wel op enige faam konden rekenen... de meeste mensen zal nog altijd geen lichtje opgaan bij de namen van Peter Hambleton, William Kircher en Jed Brophy, maar als liefhebber van Peter Jacksons Hobbit-trilogie herkende ik onmiddellijk de namen van de acteurs die in die filmreeks de dwergen Gloin, Bifur en Nori spelen (overigens zonder dat hun gezichten me in déze film waren opgevallen).

Last Time I Saw Paris, The (1954)

De aantrekkingskracht van Van Johnson, ik heb het nooit begrepen. Gelukkig ziet Liz Taylor er superbe uit en heeft Walter Pidgeon een prachtige rol als bon-vivant: "Helen tells me that you're a very serious-minded man, hard-working, industrious." – Johnson: "Well, I try to be, sir." – Pidgeon: "I tell you frankly, these were not the qualities I'd hoped for in a son-in-law." Dus blijf ik kijken, ook vanwege de algemene professionaliteit en gladheid van de produktie en de kleine rolletjes van Eva (zus van Zsa Zsa) Gabor en Roger Moore als de twee zeer appetijtelijke verleiders. Maar eigenlijk is dit natuurlijk een draak zonder weerga.

Last Train from Gun Hill (1959)

Beetje in de lijn van eerdere "klok"-westerns als At gunpoint, 3:10 to Yuma en het beroemde origineel High noon. Wat déze extra sterk maakt is het feit dat Kirk Douglas hierin werkelijk perfect gecast is: hij zit natuurlijk met dat enorme verdriet vanwege de dood van zijn vrouw, maar hij mag daar niet aan toegeven omdat hij een klus op te knappen heeft. Zodoende kan, mag en moet hij (als acteur) uiterst intens spelen, maar mag hij tegelijkertijd nergens uit de bocht vliegen (en Douglas kán natuurlijk overacteren als de beste). Het resultaat is een grootse vertolking die de hele film draagt. (En wanneer hij dan even zijn emoties de vrije loop mag laten wordt hij ook meteen bijna eng, als hij Earl Holliman voorspiegelt hoe diens laatste seconden zullen aanvoelen...) Deze western geldt niet als een klassieker binnen het genre, maar is voor mij wel één van de beste ooit gemaakt. Compact, ambachtelijk strak, spannend en uitstekend gespeeld.

Last Vegas (2013)

Vanwege het eerste woord van de titel gokte ik dat dit zou gaan om een laatste reünie omdat één der hoogbejaarde vrienden met een dodelijke ziekte nog een laatste keer enz., maar nee, de aanleiding is wat luchtiger, en zo biedt de film uiteindelijk niet veel meer dan wat je op basis van de cast mag verwachten : vier topacteurs die samen hun ding doen. Maar de genadeloze opgewektheid van Morgan Freeman en Kevin Kline is aanstekelijk, Michael Douglas heeft warempel iets van diepte in zijn personage, en Robert De Niro krijgt een aangename stekeligheid mee. Bovendien is Mary Steenburgen een aangename katalysator, is ook het ensemble-spel prima en zijn sommige grappen best geslaagd, dus al met al is dit een acceptabele feel-good-annex-stargazing-movie. En die moralistische twist voor Kevin Kline, wie twijfelde daar aan?

Last Waltz, The (1978)

Voor de zoveelste maal gezien: het afscheidsconcert van één van mijn favoriete bands ooit, met als gasten diverse andere favoriete artiesten inclusief mijn nummer 1, en daarvan dan de registratie geregiseerd door een favoriete regisseur. Kan bijna niet mis gaan, en dat doet het dan ook niet. Nu weer eens bekeken na het lezen van Robbie Robertsons autobiografie en het herlezen van Barney Hoskyns' boek over The Band, en dan wordt het al helemaal een feest der herkenning. Niet al mijn lievelingsnummers komen aan bod, en sommige optredens zijn minder interessant dan andere, maar als geheel is dit toch een prachtig document van een uniek gebeuren.

        Eigenlijk opmerkelijk: voor een groep die zoveel respect heeft voor muziek uit het verleden (inclusief de zwarte rhythm & blues en vroege rock & roll) zijn er maar twee zwarte artiesten te zien: de Staple Singers krijgen een apart podium bij The weight, en voor het concert zelf is alleen Muddy Waters uitgenodigd (en die haalt I shall be released niet eens voor zover ik kan zien – voelde hij zich misschien niet helemaal op z'n gemak tussen al deze blanke supersterren uit de seventies?).

Last Warning, The (1929)

"Broadway, electric highway of happiness – street of night clubs, theatres, laughter..." Deze film lijkt inderdaad sterk op The cat and the canary, met dezelfde regisseur, dezelfde hoofdrolspeelster, een lijk dat verdwijnt, een enge hand die voorschijn komt, een geheime gang waar een lijk uit komt vallen... Echter net zo spannend en onderhoudend als die beroemdere eerdere film, en met het doolhof van de schouwburg als geweldige setting, inclusief soms verrassende camerahoeken en bewegende camera's.

Late Night (2019)

De enigszins brave thema's van de ontdooiende potentaat en de behoefte aan diversiteit op de werkvloer doen me minder dan de humor en de spitse dialogen, want die zijn hier dik in orde – vooral Emma Thompson kan uitstekend overweg met de stroom pinnige oorwassingen die Mindy Kalings script haar aanreikt. Diepte is misschien niet de grootste kwaliteit van de film, maar het verhaal stort nergens in (behalve wanneer Katherine de straat op gaat en uit het leven gegrepen humor probeert te ensceneren) en het is verfrissend dat Katherine op het einde nog altijd niet echt aaibaar is. Mooi moment wanneer Molly bevestigend antwoordt op de vraag van een journalist of Katherine haar werknemers inderdaad met nummers aanspreekt...

Late Quartet, A (2012)

Een mooie film, hoewel het aantal problemen waar de vier (of vijf) personages uiteindelijk mee opgezadeld worden wel wat veel is: Parkinson voor Walken, het mogelijke einde van het kwartet, het kapotgaan van het huwelijk van Keener en Hoffman, de relatie van Poots met Ivanir, de ruzie tussen Keener en Poots, en de rivaliteit tussen Ivanir en Hoffman, zes punten van wrijving waar je met één of twee al zou kunnen volstaan voor een complete film, waardoor de muziekscènes enigszins ondergesneeuwd dreigen te raken. Maar goed, de moeite waard was hij zeker, al was het alleen maar om te zien hoe Walken ook buiten z'n "comfort zone" van excentriekeling of extraverte weirdo nog altijd ook ontroerend ingetogen kan spelen en omdat de scènes waarin de leden van het kwartet samen spelen ook erg fraai zijn (net als de verhalen over muziek en componisten trouwens).

Lavender Hill Mob, The (1951)

Een jaar of twintig geleden was er bij de BBC een korte serie over “favoriete filmminuten” geprogrammeerd. In uitzendingen van ongeveer tien minuten mocht een beroemdheid uit de filmwereld zijn favoriete scène uit andermans film laten zien, omlijst door zijn uitleg waarom die scène zo’n indruk op hem of haar gemaakt had. Misschien was er wel een enkele ijdeltuit die opzettelijk een scène uit een obscuur Russisch steppenepos had gekozen om zelf met die elitaire keuze eer in te leggen, maar over het algemeen zag je hier toch mensen die hun sporen in de cinema hadden verdiend opeens weer heel oprecht die fan van vroeger worden.

Toen ik me voor de grap eens afvroeg welke scène ikzelf eigenlijk zou uitkiezen, hoefde ik niet eens na te denken – het antwoord kwam meteen vanzelf in me op. Het gaat om de 155 seconden in The Lavender Hill mob waarin Alec Guinness Stanley Holloway probeert te verleiden om deel te nemen aan een enorme goudroof: Guinness heeft het plan om het goud te stelen èn naar het Europese vasteland te verschepen, Holloway heeft de middelen – de werkplaats waar het goud in Eiffeltoren-souvenirs gegoten kan worden.

De scène gaat alleen maar tussen Guinness en Holloway, maar heeft in feite vier hoofdrolspelers. De eerste is natuurlijk Guinness als Henry “Dutch” Holland: terwijl Holloway in het begin van de scène nog een beetje voor zich uit kletst, aarzelt Guinness hoe hij het onderwerp zal gaan aansnijden, maar als hij eenmaal begonnen is raakt hij op dreef en wikkelt hij zich als een zijdezachte wurgslang om zijn slachtoffer heen – en als hij dan tenslotte weet dat hij Holloway beet heeft kan hij het zich permitteren om zich af te wenden en Holloway zijn eigen conclusies te laten trekken.

Stanley Holloway (een van mijn lievelingsacteurs) is de tweede hoofdrolspeler. Alfred “Alf” Pendlebury is héél druk bezig met zijn beeldhouwwerk, maar zodra hij voelt dat Dutch ergens naar toe wil verandert er iets aan zijn houding: opeens kijkt hij met een half oog om, inspecteert hij zijn beitel overdreven uitgebreid en zíé je achter zijn voorhoofd gewoon de radertjes draaien.

T.E.B. (“Tibby”) Clarke, de schrijver van het draaiboek, is ongetwijfeld de derde hoofdpersoon. In zijn autobiografie This is where I came in beschrijft hij hoe hij deze scène maar liefst elf keer moest herschrijven voordat alle betrokkenen tevreden waren, maar het resultaat is er dan ook naar: de vele lagen (het uiteenzetten van het plan, de manier waarop Guinness op Holloway let, Holloway’s bezigheidjes terwijl Guinness praat, zijn zogenaamd met een half oor luisteren naar Guinness, en vooral de uiteindelijke overtuiging van de toeschouwer dat de heren elkaar héél goed begrijpen) sluiten naadloos op elkaar aan en vormen een prachtig subtiel en genuanceerd geheel.

In zijn boek schrijft Clarke ook hoe hij bij het schrijven van een draaiboek zich de film altijd in zijn hoofd voorstelt, en hoe hij bij het zien van het uiteindelijke resultaat altijd beseft dat hij voor zichzelf de lat wederom op een onmogelijke hoogte heeft gelegd. Maar toen hij déze film voor de eerste maal zag begreep hij dat regisseur Charles Crichton een bétere film had gemaakt dan degene die hij (Clarke) maanden geleden in zijn eigen “mental viewing theatre” had geprojecteerd, en dat is (dunkt mij) aan een scène als deze af te zien.

Maar laten we vooral ook de vierde hoofdrolspeler niet vergeten: niet de acteurs, en ook niet de schrijver van het draaiboek, maar de camera, bediend door Douglas Slocombe (vermoedelijk op aanwijzing van Crichton). In het begin van de scène is de cameravoering nog vrij neutraal, maar wanneer Guinness overeind komt en vlak achter Holloway gaat staan komt de camera ook een beetje dichterbij. Holloway heeft nog steeds niet door dat Guinness hem iets duidelijk probeert te maken, maar praat gewoon met hem mee over medeplichtigen – of begrijpt hij meer dan je denkt? Guinness draait dan om het beeldhouwwerk heen, en de camera komt wéér wat dichterbij, nu ook enigszins van onderen, en wanneer Guinness Holloway voorrekent hoeveel de goudroof zou kunnen gaan opleveren begint de laatste zijn beitel te inspecteren – hij heeft nu zéker wel door wat Guinness hier voorstelt. Bij het bedrag dat Guinness noemt (een half miljoen Engelse pond – in die tijd een onvoorstelbaar grote som) begint er iets in Holloway’s ogen te blinken. Als was het puur uit belangeloze nieuwsgierigheid vraagt hij hoe Guinness het goud naar het Europese vasteland had gedacht te brengen; Guinness komt nu weer schuin achter Holloway staan, de camera komt weer dichterbij, en door de kadrering en de hoek van onder krijgt de scène iets samenzweerderigs. Let op Holloway’s ogen en mimiek wanneer Guinness de “Eiffel tower paper weights” noemt – en wanneer Holloway dan de onsterfelijk woorden "By Jove, Holland, it's a good job we're both honest men" spreekt, weet Guinness dat de vis gehapt heeft. "It is indeed, Pendlebury."

 

LBJ (2016)

Over de historische accuratesse van deze film kan ik moeilijk oordelen aangezien ik die periode niet bewust heb meegemaakt en me er ook niet naderhand in heb verdiept. Wat me wèl opvalt is hoe gevat het personage van Johnson hier steeds is, hetgeen in de praktijk betekent dat al zijn adviseurs en ondergeschikten en opponenten hem met hun vragen en voorzetjes steeds alle ruimte bieden om ad rem (en af en toe behoorlijk schofferend) uit de hoek te komen. Dat moet natuurlijk ook wel om deze film lekker vlot te laten verlopen, maar uit het weinige dat ik wèl van Johnson weet zou ik niet hebben opgemaakt dat hij zo'n bijdehand iemand was. Maar goed, je moet natuurlijk wel goed van je af kunnen bijten om zo hoog en zo ver te komen, en Woody Harrelsons vertolking haalt het onderste uit de kan... hetgeen in de praktijk betekent dat ik anderhalf uur geboeid heb zitten kijken zonder precies te weten in hoeverre deze biopic de waarheid ook maar enigszins benadert. En het is fijn dat Rob Reiner op het einde van zijn carrière weer een beetje in de buurt komt van het niveau van het begin daarvan (1983-1995).

League of Extraordinary Gentlemen, The (2003)

Alternatieve titel: LXG

Respectabele Victoriaanse literaire personages gereduceerd tot stripfiguren, met buiten Sean Connery een tamelijk oninteressante cast en bijzonder matige FX: het exploderende gebouw in Kenia, het oude Londen, de Nautilus, het instortende Venetië, het brandende laboratorium-complex van M – zelfs het laatste vuur van de medicijnman ziet er nep uit, hoewel de transformaties van Jekyll/Hyde en de "verschijning" van Skinner er dan weer wèl acceptabel uitzien. Normaal heb ik niet zo'n moeite met slechte FX, maar hier zag álles er onecht uit.
        Hilarische aanprijzing op de DVD-hoes van Oliver Parkers Dorian Gray (2009) : "Dorian Gray is een meeslepende fantasy thriller rondom het personage uit The league of extraordinary gentlemen!" (IN HOOFDLETTERS WEL TE VERSTAAN) En wat de Dorian van déze film betreft, je kunt hier wel zien waarom Stuart Townsend na een paar opnamedagen van The Lord of the Rings alsnog werd vervangen.

League of Gentlemen, The (1960)

Die heren uit de titel zijn allemaal voormalige militairen die met bevlekt blazoen uit de Tweede Wereldoorlog terug zijn gekomen en die vijftien jaar later proberen om er het beste van te maken. Maar dat beste, dat stelt niet zo héél veel voor, zoals we merken bij de mooie dubbele introductie van de niet per se sympathieke of aantrekkelijke heerschappen, eerst bij het begin wanneer we elk van hen in z’n sjofele omgeving zien (de gigolo bij de oudere vrouw die wanhopig probeert om níét te vragen waar hij die nacht is geweest, de garagehouder in zijn garage waar hij fruitautomaten “bijstelt”, de man wiens praatzieke vrouw alleen maar oog voor haar seniele vader heeft, de nep-priester in zijn pensionkamer met een koffer vol vieze boekjes), daarna bij de besloten lunch waar kolonel Hyde van elke “gentleman” de smetten op zijn verleden blootlegt. Zoals wel vaker bij een ensemble-film is deze eerste helft van de film het interessantst, met scherp getekende personages en een redelijk hoog tempo; het bezoek aan een legerbasis haalt de vaart enigszins uit de film door de humoristische insteek ervan, maar daarna werkt de film knap naar de overval toe en heeft het script bovendien nog een fraaie (en vanwege het tijdsgewricht helaas ook verplichte) coda in petto.
        Jack Hawkins’ personage geniet van de militaire discipline die hij aan zijn bende oplegt, om nog maar te zwijgen van de krijgskundige metaforen in zijn taalgebruik (“Think of it [the robbery] as a full-scale military operation. What chance has a bunch of ordinary civilians got against a trained, armed and disciplined military unit?”), en daardoor is hij aan de ene kant een serieuze mastermind (“Didn’t I sign the letters? How very careful of me!”) die aan de andere kant lichtjes wordt bespot door het script (èn door het personage van Richard Attenborough: “He’s a nutcase, you know, no getting away from it – he’ll end up with a knighthood !”). Hawkins is hier dus de grote man, nu ook in Amerika een ster na zijn rollen in The cruel sea (1953), The bridge on the river Kwai (1957) en William Wylers extreem succesvolle Ben-Hur (1959), maar de bijrollen zijn minstens zo sterk bezet, inclusief Richard Attenborough lang voordat hij een regisseur werd, Bryan Forbes (de scriptschrijver van deze film, later eveneens regisseur en nog later de baas van EMI-Elstree), en padre Roger Livesey, een held van mij vanwege zijn rollen in The life and death of Colonel Blimp (1943), I know where I’m going (1945) en A matter of life and death (1946) van Michael Powell en Emeric Pressburger. De vloeiende regie is van Basil Dearden, geen beroemde “auteurs”-naam maar wel iemand die tussen zijn debuut in 1942 en zijn dood in 1971 een enorme reeks degelijke films op zijn naam bracht, en dat de acht acteurs die samen de titelpersonages vormen hier perfecte staaltjes ensemblespel op de mat leggen hoeft in een Britse film geen verwondering te wekken. Het resultaat van al deze kleurrijke heerschappen, interessante situaties en gepolijste dialogen is een nog altijd vermakelijke, soepel lopende en op het einde ook spannende heist-film die me eigenlijk bij elke kijkbeurt beter bevalt.
        Vanuit historisch oogpunt is deze film overigens ook niet onbelangrijk vanwege het voor die tijd vrij gewaagde vocabulaire met woorden als ass en bitch, maar ook door de aanwezigheid van diverse controversiële personages zoals een pornograaf, een gigolo en een homoseksueel; Dearden (zelf gelukkig getrouwd –met de vrouw die in deze film de vriendin van Nigel Patrick speelt!– en heteroseksueel voor zover ik weet) zou niet veel later de film Victim maken, over de maatschappelijke problemen waar expliciete homoseksuelen in het Engeland van de jaren zestig tegenaan liepen, met een hoofdrol voor Dirk Bogarde, zelf een "echte" homoseksueel (maar toen nog “in de kast”). Grappig genoeg vermeldt Jack Hawkins' IMDb-trivia-pagina dat híj oorspronkelijk was aangezocht voor die rol, maar dat hij hem weigerde "because he thought the part might compromise his masculine screen image." (Dirk Bogarde dacht echter dat Hawkins vreesde dat de rol van een homoseksuele advocaat zijn kansen op een "knighthood" ernstig zou schaden...)

Lease of Life (1954)

De Ealing Studios staan vooral bekend om hun typisch Britse komedies uit de jaren veertig en vijftig, zoals The Lavender Hill mob, The man in the white suit, Kind hearts and coronets en The ladykillers, maar die vormden in feite slechts een klein deel van hun produktie van ongeveer 150 titels. Naast die komedies produceerde Ealing namelijk ook diverse serieuze speelfilms in verschillende genres, zoals (om maar eens een paar beroemde titels te noemen) de horror-omnibusfilm Dead of night, de oorlogsfilm The cruel sea en de historische avonturenfilm Scott of the Antarctic. Eén van die overige films was deze Lease of life, de enige speelfilm die de acteur Robert Donat voor Ealing maakte en de éénnalaatste voordat hij in 1958 op pas 53-jarige leeftijd aan de gevolgen van astma overleed.

        Donats beroemdste rollen zijn ongetwijfeld die van Richard Hannay in Hitchcocks The 39 steps (1935) en die van de vriendelijke schoolmeester in Goodbye Mr Chips (1939), een rol waarvoor hij van 25 tot 83 jaar "verouderde" en waarmee hij tot ieders verbazing Clark Gable's "zekere" Oscar voor Rhett Butler voor diens neus wegkaapte – misschien wel de grootste verrassing ooit bij de Academy Awards. Door zijn zwakke gezondheid is zijn filmcarrière helaas tot een schamele twintig films beperkt gebleven, hetgeen des te meer reden is om elk daarvan te koesteren.

        Lease of life is op zich een vrij sober en kleinschalig drama over de problemen waar een bescheiden en arme plattelandsdominee (met elleboogstukken op zijn colbertjes) mee worstelt wanneer hij het goede probeert te doen in een wereld die daar niet per se op gebouwd is. Teveel van de plot weggeven zou zonde zijn, ook al worden de gebeurtenissen nergens spectaculair en zitten er geen grote onthullingen of moderne "twists" in, want ik herinner me zelf nog hoe ontroerd ik was toen ik voor de eerste keer de film zag en op het einde merkte hoe de dominee... enfin.

        Een "kleine" film dus, maar dankzij Robert Donat een produktie die de middelmaat overstijgt. Zijn zorgelijke uiterlijk (niet alleen het gevolg van zijn zwakke gestel maar ook van grime), zijn ingetogen spel, zijn onnadrukkelijke aanwezigheid en boven alles die heilige, licht hese en extreem melodieuze stem (wellicht mede zo karakteristiek vanwege zijn astma) maken van zijn Will Thorne een eerst aandoenlijk berustend en flegmatiek maar later ook verrassend sterk en slagvaardig personage dat een persoonlijke triomf beleeft tijdens de preek halverwege de film, waarbij zijn levenslust en zijn geloof de angst voor de hem aangezegde dood overstijgen. (Ik neem aan dat ik goed verborgen heb weten te houden dat ik een groot fan van hem ben?) Verdere pluspunten zijn nog de fraaie kleurenfotografie van Douglas Slocombe en de sterke bezetting van de bijrollen, met name Vida Hope als de achterdochtige vrouw van een rijke boer op zijn sterfbed die de dominee per se onder vier ogen wil spreken – haar ingehouden agressie is een genot om te zien, mede omdat die bij de dominee eveneens een onverwachte (maar zeer welkome) onverzettelijkheid uitlokt. En voor alle duidelijkheid, ondanks het sombere uitgangspunt is dit een allesbehalve deprimerende film dankzij de passie waarmee Robert Donat getuigt van zijn "Lebensbejahung".

        Wat die bijrollen overigens betreft, hoewel Robert Donat en in iets mindere mate Kay Walsh in 1954 de grote publiekstrekkers waren, zijn het anno nu de acteurs in de twee belangrijkste bijrollen die moderne kijkers het bekendst zullen voorkomen. Adrienne Corri, hier de pianospelende dochter, speelde later Mrs Alexander, de vrouw van de schrijver die op een avond op de tonen van Singin' in the rain verrast wordt door Alex en zijn droogs in A clockwork orange, en pianoleraar Denhelm Elliott zal vooral herinnerd worden als de butler in Trading places en als Marcus Brody, de universiteitsdekaan en vertrouweling van Indiana Jones in Raiders of the lost ark en de eerste twee vervolgen daarop.

Left Behind (2014)

Ik voelde al nattigheid toen de voorfilmpjes op mijn DutchFilmWorks-DVD niet over explosies, opgejaagde onschuldigen of stijlvolle vampiers gingen, maar over criminele koppels die hun afgestane kindje van de adoptie-ouders terug willen en over Hilary Swank met ALS. In plaats van dan met een spectaculaire ramp te beginnen opent de film zelf vervolgens met die doorleuterende Hallmark-televisiefilm-muziek terwijl één der hoofdpersonen in een discussie over God verzeild raakt... en vanaf dat moment gaat de film dan nog bergafwaarts! Het acteren van Nicolas Cage (en trouwens ook van Chad Michael Murray) viel me dan nog mee omdat de echt grote gebaren geschuwd worden, maar de voorspelbare plot, de banale dialogen, de ongelooflijk niet-spannende ontknoping van de vliegtuigramp en bovenal de walgelijke evangelische insteek volgens welke de zondaars achterblijven in hun staat van ellende terwijl de ware gelovigen mogen genieten van de Rapture, de "opname in de gemeente", maken van de film als geheel een misbaksel waarvan ik een vieze smaak in mijn mond krijg. Mooi ook hoe door de voertuigen van plotseling weggevallen chauffeurs enz. nog talloze slachtoffers worden gemaakt, maar ja, eigen schuld dikke bult, dan hadden de onschuldige omstanders maar wat bijbelvaster moeten zijn. Bah. (Grappig wel dat de manier waarop de uitverkorenen hier verdwijnen sterke overeenkomst vertoont met hoe het de helft van de bevolking van het universum in Avengers: infinity war vergaat.)