- Home
- The One Ring
- Meningen
Meningen
Hier kun je zien welke berichten The One Ring als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Kabhi Khushi Kabhie Gham... (2001)
Alternatieve titel: Sometimes Happiness, Sometimes Sorrow
Mijn tweede echte Bollywoodfilm, na The Brave Heart Will Take the Bride. Wederom is het volstrekte waanzin, irritant manipulatief en gewoon stompzinnig. Deze is echter net iets beter behapbaar, waarschijnlijk omdat deze wat energieker is. Dat ik ooit zal begrijpen wat mensen met Bollywood hebben zit er voorlopig nog niet in.
Wel moet ik dit zeggen: ik ken geen enkele film die me bijna 3 en een half uur doet laten lachen. Niet om de grappen, die waren daarvoor te flauw, maar juist de serieuze stukken waren hilarisch. Wellicht is het niet echt gepast om een film zo af te snauwen, maar dit viel met geen moment serieus te nemen. Het is onmogelijk om een film voor te stellen die nog nadrukkelijker de emoties er vet bovenop legt. Het hoogtepunt/ dieptepunt (het was het meest grappige moment in ieder geval) zat in de meest serieuze scène, als de vader zegt zijn oudste zoon niet meer te willen zien. Na iedere zin van pa krijgen we een close-up van Khan begeleid met het geluid van zwaar onweer. Dus iedere drie seconde hetzelfde shot ondersteund met zwaar gerommel. En dat was serieus bedoelt! Dit kun je niet eens meer "high camp", melodrama of kitsch noemen, het is gewoon volslagen bezopen.
En zo ervoer ik het grootste deel van de film. De probleempjes in het plot zijn makkelijk op te lossen (iedereen weet dat vader en zoon van elkaar houden), maar worden op steeds omslachtigere wijze in stand gehouden. De personages gedragen zich geregeld zo idioot dat de Marx Brothers in vergelijking normale mensen lijken. De film is geregeld spuuglelijk, met een esthetiek die gebaseerd lijkt te zijn op As the World Turns of The Bold and the Beautiful, met uitzondering van de dansscènes, die vooral hun mosterd gehaald lijken te hebben bij Grease (ja, de film waar ik het minst aan herinnerd wil worden), zeker in London. Twee scènes springen eruit als enkele van de slechtste momenten die ik ooit in film heb gezien. Ten eerste dat optreden van dat zoontje op de Britse school. Gewoon misplaatst op iedere mogelijke manier. Ten tweede de door Mochizuki Rokuro geprezen scène bij de piramides die iedere vorm van edelkitsch die ik ooit zag overschrijdt.
Ik vond het dus een rotslechte film, maar tegelijkertijd kan ik hem niet compleet haten. Tijdens sommige korte momenten wordt inderdaad even het luchtige, maar pakkende gevoel van enkele oude Hollywoodmusicals behaald en dan vooral bij het lied "Say Shava". Veel is ook te danken aan Kajol die een zeer levenslustige, energieke uitstraling heeft en ook enige komische timing. Dat en de onbedoelde humor zorgden ervoor dat de drie en een half uur niet echt moeilijk door te komen waren, al had ik er in het laatste uur toch echt wel genoeg van.
2*
Bollywood is denk ik niet aan mij besteed. Dit soort over-the-top melodrama, met veel kitsch ligt me gewoon niet zo. Weet iemand films uit Bollywood die een wat andere benadering of is de hoop verloren als ik deze en The Brave Heart Will Take the Bride niets vind?
Kaguyahime no Monogatari (2013)
Alternatieve titel: The Tale of Princess Kaguya
Beavis schreef voor mij dat The Tale of Princess Kaguya wellicht praktiserende Boeddhisten zou aanspreken. Dat ben ik niet, maar deze nieuwste van Takahata sprak me wel aan om een andere reden. De laatste jaren lezen ik vrij regelmatig oude legendes, mythes, sagen en andere soorten volksverhalen van de oudheid tot en met de late middeleeuwen. Vrijwel allemaal Europees en dus niet iets Japans als dit. Niettemin, vanuit dat oogpunt kon ik Kaguya extra waarderen. Dergelijke oude verhalen worden soms goed gefilmd, maar al snel gemoderniseerd. Zelfs een getrouwe verfilming op verhalend niveau, zoals Die Nibelungen van Fritz Lang, heeft een stijl die erg voor de tijd is dat de film gemaakt is.
The Tale of Princess Kaguya is echter de eerste die ik tegenkom waarbij ik het gevoel heb dat ik naar een film kijk die gemaakt is in de tijd dat het verhaal oorspronkelijk geschreven is. Geen geringe prestatie, aangezien de legende ruwweg 1.000 jaar ouder is dan de uitvinding van film. Natuurlijk komt dat door de tekenstijl, die duidelijk gebaseerd is op oude Japanse kunst (en zoals iemand eerder al aangaf ook terug te vinden was in Okami, een schitterende game van een paar jaar geleden). Het zit echter ook in de toon en de sfeer. Een deel van de aantrekkingskracht voor mij in die oude vertellingen is dat ze geschreven lijken te zijn vanuit een hele andere mentaliteit. Niet zozeer met minder rationaliteit als een andere rationaliteit. Ze hebben vaak iets onverklaarbaars, een ongeforceerd gevoel voor het ongrijpbare, wellicht omdat men in die tijd meer geloofde in dat soort dingen. Bij Kaguya kan het wellicht gelinkt worden aan het Boeddhisme, maar eerlijk gezegd vind je het net zo goed in Europese geloven.
Ondanks het antieke gevoel dat deze film uitstraalt en die Takahata ook bewust lijkt na te streven, barst het van het leven. De vroege scènes over de vrolijke kinderjaren zijn nog het meest typisch Ghibli, met van die kleine ontdekkingen van kinderhandelingen die bijna uitvergroot worden in hun plezier. Persoonlijk vond ik het echter ook niet inzakken in de tweede helft. Het wat meer statische vond ik passen, maar er zitten nog steeds schitterende passages in, zoals de vlucht van het paleis, onderstreept door zeer vlugge en ruwe “potloodstrepen” en de queeste van die vent die achter een draak aan zit. Wat een geweldige fantasy-scène levert dat op. Het zou bijna een film op zich waard zijn.
Dit is allemaal al genoeg voor een hoge score, maar er was nog een element die dit voor mij nog eens extra speciaal maakte. Ik vond het verhaal namelijk verrassend ontroerend. Zelfs tijdens de ogenschijnlijk onbekommerde kindertijd van Kaguya vond ik dat er iets ongemakkelijks was aan het feit dat ze zo snel opgroeide, wat de indruk wekte dat het leven wel erg snel aan haar voorbij trok. Het bleek een soort voorschaduwing te zijn, want het verhaal is voor mij uiteindelijk vooral een vertelling van een verspilt leven (of dat ook het punt was van de oorspronkelijke legende, of zelfs Takahata, valt nog enigszins te betwijfelen, maar goed). De tijd die genomen wordt voor de jongste jaren wegen uiteindelijk zwaar op Kaguya’s tienertijd, waarin ze eenmaal stevig in het keurslijf zit. Die twee momenten dat ze even weer vrij komt zijn stevig melancholisch door hun tijdelijke gevoel. Het draait uiteindelijk om een meisje dat perfect tot leven komt in de natuur, maar door haar ouders in een andere positie gezet wordt en constant het pijn van haar gemis voelt. Plezier haalt ze nog enigszins uit het voor gek zetten van haar potentiële minnaars, maar als dit tot de dood van één van hen leidt wordt het helemaal te zwaar.
Interessant is dat de ouders zelf niet gedemoniseerd worden, maar dat vooral de vader op zijn eigen manier denkt dat hij doet wat voor haar het beste is. In tegenstelling tot Beavis denk ik niet dat het zin heeft om een positieve twist in het einde te zien (en zover ik begrijp doet zelfs het oorspronkelijke verhaal, dat hetzelfde eindigt, dit niet). Het is een meisje dat de kans had om van het goede op Aarde (waar ze vanuit de Maan naar verlangde) te kunnen meemaken, dat kort deed als kind en voor de rest van haar leven alleen met de pijn van een te mooie herinnering achter blijft. En wat haar dus pijn deed werd veroorzaakt door de goede bedoelingen van haar vader. Uiteindelijk verliest ze zowel mooie als slechte herinneringen, maar die laatste blik naar de Aarde, als ze al alles vergeten is, lijken nog steeds een onverklaarbaar verlangen uit te stralen. Het is één van die mysterieuze dingen die dit soort oude vertellingen vaak hun kracht geeft.
Bij dat einde zat de man naast mij in de bioscoop wat te gniffelen, vooral om het verschijnen van de Boeddha. Mij kon je echter bij elkaar vegen. Takahata weet precies de juiste toon te vinden om dit verhaal te vertellen en neemt het gelukkig ook serieus en doet geen concessies in de richting van modernisering. De kalmte die de film uitstraalt werkt onthaastend, maar eronder zit meer. De muziek van Joe Hisaishi en de schitterende, toch wel unieke tekenstijl trekken het naar een nog hogere sfeer. Een meesterwerk, met gemak Takahata’s beste wat mij betreft en nummer 2 in mijn Ghiblilijst, na Whisper of the Heart.
5*
Kakushi-Toride no San-Akunin (1958)
Alternatieve titel: The Hidden Fortress
Ik vond het eigenlijk, ondanks hoge verwachtingen, allemaal totaal niet bijzonder. Het is dat Kurosawa zo'n goed filmer is, want anders was er waarschijnlijk helemaal niets aan geweest. Kurosawa's films hebben vaak een goed gevoel voor omgeving. De manier waarop hij landschappen en de mensen erin vastlegt is prachtig om te zien en op zijn eigen manier totaal uniek. Geen kwaad woord hierover.
Als we dan toch met kwade woorden aan moeten komen zetten richt ik mijn ogen op de boeren. Ik kan er niets aan doen, maar ik vond ze gewoon afschuwelijk irritant. Ze schreeuwen, ze krijsen en schmieren er in ieder shot waarin ze te zien zijn op los. Ik snap dan ook echt niet waarom juist deze twee figuren de grootste attractie van de film zouden zijn en waarom zo weinig andere mensen erover lijken te vallen. In andere films wordt dit soort acteerwerk eigenlijk nooit genomen. Mifune is weer gewoon degelijk, zoals ik hem altijd vind. Shimura vind ik in andere Kurosawa's wel fantastisch, maar hier komt hij nauwelijks 5 minuten in beeld. De prinses deed het wel leuk, al vroeg ik me af waarom ze bijna altijd schreeuwde.
Verder zaten er weinig scènes in die me veel deden, ondanks dat de meesten erg leuk opgezet waren. Ik denk toch dat dit door die boeren komt. Die staan een echte binding met het verhaal en wat er gebeurt in de weg. Ik kon niet met ze meeleven, waardoor zo'n verder indrukwekkende trappenscène niet echt impact maakt. Hie verder de film vordert, hoe meer scènes er zijn zonder de boeren, en hoe beter de film lijkt te worden. Mooie scène bij die vuurdans vooral. Het hier geroemde speergevecht en de achtervolging te paard waren fraai uitgewerkt, al zou ik liegen als ik zou zeggen dat ik ze echt fantastisch vond.
Uiteindelijk is dit nog lang geen Seven Samurai en het wordt toch steeds meer hopen tot ik eindelijk weer eens een Kurosawa zie van die kwaliteit. The Bad Sleep Well, Kagemusha en Dersu Uzala waren prima, maar bleven toch steken op 3,5*, ondanks dat ze allen neigen naar 4*. The Hidden Fortress moet het met 3 sterren doen, nauwelijks neigend naar 3,5*. Kurosawa is een zeer goede regisseur, zoveel is me wel duidelijk, maar het blijft toch weer wachten op de echt meeslepende meesterwerken. Ran, Yojimbo, Ikiru, High and Low, Throne of Blood en Rashomon lijken naast Seven Samurai zijn meest gewaardeerde films te zijn dus richt ik mijn hoop op hen.
Kapringen (2012)
Alternatieve titel: A Hijacking
Kapringen en Captain Phillips kwamen vrij dicht na elkaar uit en dan ligt een vergelijking al snel voor de hand. Er is een rare tendens als zoiets gebeurt om de kleinere van de twee meer te prijzen. Dat gebeurt in ieder geval bij critici zo goed als altijd. Als er dan eentje niet van Hollywood is dan weet je bij voorbaat al welke er beter gevonden gaat worden. Regelmatig is dat ook terecht, maar na het zien van zowel Kapringen en Captain Phillips kan ik niet zo goed begrijpen dat de Deense film meestal als de betere gezien wordt.
Kapringen heeft realisme als zijn voordeel, naar het schijnt. Ik weet niet genoeg over echte kapingen af om daarover te kunnen oordelen. Beide films voelden vrij realistisch aan op hun eigen manier. Ook de Denen hebben een vorm van sentiment, al is die wat meer understated. Zo'n scène waarin de directeur van het bedrijf de foto van de kok op het hoofdbord hangt is een voorbeeld. Ik had ook weinig met het schokkend bedoelde einde waarin de kapitein min of meer per ongeluk doodgeschoten wordt door dat incident met de ring. Een beetje een flauw slecht einde nadat alles al voorbij wordt. Een overbodige dosis pessimisme is ook een vorm van vals sentiment wat mij betreft.
Zo storend is dat allemaal niet en je kunt zo ook dingen aanwijzen bij Captain Phillips. Waarom ik Kapringen werkelijk zwakker vond was doordat ik wel erg weinig voeling kreeg met de situatie. De momenten op de boot zijn zo kort dat ze bijna impressionistisch zijn. We zien niet hoe de piraten op de boot komen, we krijgen weinig mee van de verhoudingen tussen de crewleden onderling en tussen de crew en de piraten. We vangen slechts glimpsen op. Daar staat tegenover dat we lange scènes in het kantoortje van de directeur krijgen waar hem steeds verteld wordt dat hij het hoofd koel moet houden en niet met hoge bedragen akkoord moet gaan.
Dat is het eigenlijk wel zo'n beetje. Als je wilt weten wat de Somalische piraten drijft is dit niet je film. Als je wilt weten hoe de slachtoffers van een gijzeling met de piraten omgaan, evenmin. Ben je nieuwsgierig naar waarom zo'n onderhandelingen meer dan 100 dagen duren dan wordt je niets wijzer (buiten een korte opmerking om dat Somaliërs een ander concept hebben van tijd, alsof dat wil zeggen dat ze geen problemen met een tekort aan eten krijgen). Het levert vreemde momenten op, zoals die kok die kennelijk pas na meer 60 dagen vraagt waar de andere crewleden zijn. Het gevoel van tijd is hier kennelijk net zo verstoord als bij de Somaliërs. Ik weet dat enkele gijzelingsacties echt zo lang duurde, maar deze film weet niet duidelijk te maken waarom en het lange verstrijken van tijd tussen twee scènes in steeds voelt onnatuurlijk aan.
Natuurlijk is de film tot op zekere hoogte spannend, wat bijna niet anders kan met dit onderwerp. Natuurlijk zijn ook enkele overwegingen in de onderhandelingen boeiend. Niettemin mist Kapringen toch vooral iets en dat 'iets' is visie. Lindholm heeft keuzes gemaakt om veel dingen weg te laten en maar een zeer beperkt deel van het verhaal te laten zien, maar ik kreeg nooit het idee te weten waarom hij bepaalde dingen wel of niet toont en de gemaakte keuzes komen op mij als matig over. Is het interessantste deel hier werkelijk die paar telefoontjes waarin steeds slechts gezegd wordt dat ze niet akkoord gaan met de deals. Is er niet meer besproken in de vergadering? Gebeurt er niet meer op het schip? Wie zijn deze mensen eigenlijk, zowel piraten als gijzelaars (zelfs de kok is vrij identiteitsloos)? Wat zijn de sociaal-maatschappelijke omstandigheden?
Dat is waarom hier de kleinere film van de twee zwakker op mij overkomt. Vaak is het de wat meer uitdagende, maar hier is het de oppervlakkige van de twee. Captain Phillips gaat over culturele verschillen en de kloof tussen arme en rijke landen. Het gaat over twee personages. Kapringen gaat vooral onderhandelingen, maar daaruit komt verrassend weinig voort.
2,5*
Karate Kid, The (2010)
Alternatieve titel: The Kung Fu Kid
Ik heb nog nooit een van de eerdere Karate Kids gezien (zal ook niet snel gebeuren), maar evengoed voelde dit verhaaltje al overbekend aan. Waarschijnlijk omdat het zo vaak overnieuw gedaan is en dat het origineel al inspiratie vond in Yoda uit Star Wars (deze film heeft zelfs een korte dialoog waarin Smith Chan vergelijkt me Yoda). Het is gemakkelijk om dit een overbodig vervolg te noemen, maar het moet gezegd worden dat het vaardig gemaakt is.
Het is vooral door het vakwerk dat dit een zeer bekijkbare film geworden is, want verder stelt het niet veel voor en is de lengte absurd, al is dit wel zo'n beetje de enige Hollywoodfilm van de laatste jaren waar die tijd vooral gebruikt wordt voor karakteruitdieping in plaats van actie, al kun je zelfs teveel karakteruitdieping hebben. Zeker in een toch simpele vertelling als dit. Buiten de lengte om is echter alleen de titel echt slecht (zoals als vaker aangehaald wordt, inclusief in de film zelf, zijn karate en kung fu niet hetzelfde). Jaden Smith heeft best charme en charisma en Chan heeft dat altijd wel gehad en laat zich hier van een goede kant zien.
Uiteindelijk deed The Karate Kid wat hij moest doen. Als kind zou dat waarschijnlijke een enorme indruk op me hebben gemaakt. Nu is het niets meer dan aardig wegkijkend entertainment, maar meer had ik toch niet verwacht. Wel opvallend dat de streng getrainde, gedisciplineerde schurken die als een leger oefening deden in het rood gekleed waren. Ga ik tever als ik daarin stiekem een symbool voor een bedreiging van het communistische China in zie? Hopelijk was dat onbedoelt.
3*
Kari-gurashi no Arietti (2010)
Alternatieve titel: The Secret World of Arrietty
Arrietty is in het totaalpakket van alle Ghiblifilms misschien niet wereldschokkend, maar het is toch weer een bijzonder fijn filmpje geworden. Sterker nog, ik zie het absoluut niet als een film van die kwalitatief aan de onderkant van alle Ghibli's staat. In plaats daarvan hoort hij ergens in het midden. Het is gewoon een steengoed uitgewerkte film, met schitterende animaties en onterwerpen, aansprekende karakters en erg mooie muziek. Niet van Joe Hisaishi ditmaal, maar van een Franse zangeres. Anders, maar mooi. De eerste helft van Arrietty was denk ik het sterkst. De scène waarin Arrietty met haar vader voor het eerst het mensenhuis binnengaat is één van de beste van de Ghiblistal. Vooral ook door de geluidseffecten, die de voor ons normale wereld wat meer buitenaards maken. Hoe uiteindelijk de jongen Arrietty voor het eerst goed ziet als ze achter een tissue zit is mooi gedaan.
De film is geregisseerd door Hiromasa Yonebayashi, zijn debuut en hij is de jongste Ghibliregisseur ooit. Nu Takahata en Miyazaki toch echt oud beginnen te worden is het tijd voor het zoeken naar regisseurs die Ghibli in leven kunnen houden en tot nu toe ging dat wat moeizaam. Yonebayashi verdient het voordeel van de twijfel met gemak door Arrietty, al is het nog enigzins jammer dat ik de hele tijd het gevoel had naar een Miyazakifilm te kijken. Niet verwonderlijk aangezien Miyazaki gewoon weer het scenario deed en volgens mij ook meewerkte aan het storyboard, maar in het vervolg hoop ik dat Yonebayashi toch wat meer zijn eigen ding gaat doen. Dit is nauwelijks kritiek op de film zelf, die gewoon bijna perfect is. Het enige wat me niet echt beviel was het zwaarmoedige gesprek tussen Arrietty en de jongen in het gras over het uitsterven van de Leners. Het voelde te volwassen aan voor deze personages en misschien ook wat te duister voor deze film. Daarnaast, kleine kritiek, misschien iets matigen met de bloemetjes hier en daar. Maar ach.
Toch jammer dat Ghibli relatief weinig films aflevert, zo eentje per jaar zou toch fijn zijn.
4*
Kauwboy (2012)
De vergelijking met Kes werd vooraf door enkele gebruikers gemaakt, maar achteraf kennelijk niet meer, ondanks dat ik steeds aan die film moest denken (die ik overigens al in geen eeuwigheid meer gezien heb). Jongen met heftige problemen en gebrek aan warme contacten vind een uitlaatklep door voor een vogel te gaan zorgen. Je hebt minder specifieke dingen waarop je films kunt vergelijken. Zelfs Ken Loach' grauwe stijl lijkt hier overgenomen te zijn.
Een probleem dat ik met Kauwboy had was dan ook dat het me allemaal wat bekend voorkwam, maar dat zou ook het geval zijn geweest als ik Kes niet gezien had. Het is toch wel heel typisch voor een bepaald type kinderfilm om een absente ouder te hebben (of op zijn minst een aankomende scheiding of een stervende ouder) en een andere ouder die vaak dan afstandelijk is. Kauwboy was voor mij vooral een wat rauwere versie van veel jeugdfilms die ik me herinner van de basisschool en de vroege middelbare school.
Daar komt nog eens bij dat de film niet echt een oplossing weet te vinden voor het probleem, maar uiteindelijk toch een poging waagt die in mijn ogen wat mislukt. De dood van de kauw zag ik mijlenver aankomen (evenals de onthulling dat de moeder dood was overigens), al viel het me nog mee dat het niet de vader was die het beest omlegde. Dat dit echter leidt tot een hereniging tussen vader en zoon - en ook nog eens dat meisje - en alles kennelijk daarna koek en ei is gaat er bij mij niet echt in. Vooral omdat er van te voren geen enkele genegenheid te vinden was tussen vader en zoon. Ik snap dat de regisseur de vader wilde afbeelden als een goed bedoelende man die door zijn zorgen zijn zoon verkeerd behandelt, maar er zit geen greintje warmte in de vader tot aan de finale, waardoor de ommezwaai te plots aanvoelt. Sowieso was het wel erg overdreven om die vader twee maal op een willekeurig zo'n verhaaltje te laten afsteken over dat er eerst niets was, daarna heftig vuur en vervolgens weer niets. Moet ik sympathie voelen voor een vader die om de haverklap zijn rouwende zoon confronteert met metaforen voor de dood? Het zit in de familie, want aan het einde gebruikt de jongen het om zijn meisje te versieren.
De film werkt het beste met kleine momenten, waarbij vooral de details van het dagelijks leven en de woede van de jongen sterk overkomen. Als geheel is het niet zo geslaagd, maar er zijn genoeg stukken die toch wel goed werken. Rick Lens doet het goed en de kauw is fantastisch.
3*
Kaze no Tani no Naushika (1984)
Alternatieve titel: Nausicaä of the Valley of the Wind
De eerste Ghibli en zeker niet de beste. Toch is het lang niet slecht, zoals een aantal boze tongen hier beweren. Het komt op mij vooral over als een film gemaakt door een regisseur die nog niet helemaal geleerd heeft een verhaal te vertellen en ook zijn kunsten nog niet helemaal ontwikkeld heeft, maar waarvan het talent goed te zien is. Nausicaä lijkt ook wel een blauwdruk voor de meeste films die Miyazaki later ging maken, met een verhaal dat bijna identiek is aan Princess Mononoke. Als avonturenfilm is het uitstekend, door de meeslepende actiescènes, mooie locaties en de geweldige vliegscènes. Vliegscènes zijn natuurlijk een beetje Miyazaki's stokpaardje en hier komt het al volledig uit de verf. Verder vind ik het uiterlijk van de insecten ook geweldig en is Nausicaä een pakkende hoofdpersoon (al praat ze soms iets teveel tegen zichzelf). Daarnaast zien we ook al Miyazaki's grote talent voor bijna-stiltes in de film verweven. Hoogtepunt voor mij was het moment met de jonge ohmu die als aas werd gebruikt. De tragisch-duistere sfeer wordt daar goed getroffen.
Er zijn natuurlijk ook minpunten. Miyazakifilms zakken vaak wat een rond twee-derde van de speeltijd, vlak voor de climax en dit is geen uitzondering. Er zitten dan ook iets teveel personages en plotlijnen in, wat nog eens extra ongelukkig uitpakt omdat de meeste personages niet bijzonder uit de verf komen. De muziek was bij vlagen mooi, maar soms iets te eighties en het deed af en toe denken aan muziek voor een ouderwetse videogame, vooral bij de ondersteuning van enkele actiescènes. Maar eigenlijk zijn de meeste kritiekpuntjes voor mij zeer klein en komen ze vooral voort uit het feit dat ik weet dat Miyazaki het allemaal al eens beter gedaan heeft. Zo weet je dat hij later bepaalde dingen wat meer zou uitwerken. Maar voor een eerste Ghibli is het verre van slecht en zeker op het grote scherm is het bijzonder de moeite waard.
4*
Overigens heb ik me niet gestoord aan de ecologische boodschap. Veel films hebben een boodschap, vaak ook overduidelijk, maar het valt me op dat zo'n 75% van de films die veel kritiek krijgen dat het te moralistisch is het gaat om een ecologisch moraal. Ik vraag me af waarom men op MovieMeter juist daarover zo vallen.
Kaze Tachinu (2013)
Alternatieve titel: The Wind Rises
The Wind Rises is de meest afwijkende film in Miyazaki's oeuvre, maar tegelijkertijd ook eentje waar hij zijn hele carrière naar toegewerkt heeft. Dit is de enige van hem zonder fantasie-elementen (al schreef hij het script en tekende hij de storyboard voor Whisper of the Heart, die ook niet onder fantasy valt) en degene met het meest losse plot sinds My Neighbour Totoro. In feite zit er nauwelijks een verhaallijn in. We volgen Horikoshi in een aardig groot deel van zijn leven. Dat klinkt als de structuur van een typische biopic, maar zover ik het begrepen heb is het grootste deel van de film fictief en is het slechts losjes gebaseerd op het werkelijke leven van Horikoshi. Miyazaki gebruikt de man meer om een bespiegelende film te kunnen maken over kunst (in dit geval vliegtuigen ontwerpen) en in mindere mate over liefde en oorlog. Het is zijn meest op volwassene gerichte werk; voor kinderen lijkt het me niets aan.
Het is ook Miyazaki's meest dappere film. Hij kiest hier in feite voor een verhaal zonder een duidelijke dramatische drive, een film die wat voorbij kabbelt. Er zitten ook niet echt helden en schurken in en zelfs de oorlog vindt voornamelijk buiten beeld plaats. Er was wat kritiek op The Wind Rises dat Miyazaki de oorlog zou verzwijgen, maar dat is niet zo. Er wordt flink naar verwezen, maar Miyazaki heeft het lef om de uiteindelijke film meer te laten gaan over het maken van kunst in dienst van een kwader goed. Het levert een wat aparte ervaring op. Het meest opmerkelijke is namelijk hoe vredig en rustig de toon hier is. Ik ken weinig andere films die zo'n kalmte uitstralen. Een kalmte die enigszins melancholisch is, maar ook positief is. De oorlog wordt impliciet veroordeelt, de personages niet. Niemand is onsympathiek hier, in feite is het moeilijk om personages te vinden met echt negatieve eigenschappen.
Daar zit ook een probleem, het probleem dat dit net niet één van de grote meesterwerken van Miyazaki maakt: het is misschien net iets te lief. Personages die constant vriendelijk tegen elkaar zijn leveren weinig drama op voor 126 minuten en als dan ook nog eens de oorlog indirect aangepakt wordt verlies je ook daar enige bijt. Miyazaki gaat hier duidelijk voor een vredige, zelfs lyrische toon, maar ik denk dat er meer in had gezeten als hij een beetje duisternis in het geheel had verwerkt. Nu bevat het geen grammetje venijn en dat is toch wel vreemd met dit onderwerp.
Maar zelfs met die kritiek is het opmerkelijk hoe zeer Miyazaki slaagt in zijn doelen. De film blijft bijna puur op gevoel overeind; dat licht melancholische gevoel dat er onder alle vriendelijkheid toch iets niet goed zit en er dingen gemist worden. Het is wat lastig te omschrijven. De manier waarop Miyazaki het brengt is het meest vertrouwde hier. Een flink oog voor detail dus, met prachtige animaties, visueel inventieve scènes, geweldige muziek van Joe Hisaishi en natuurlijk enkele sprankelende vliegmomenten. Ik kan me voorstellen dat van alle Miyazaki's dit degene is die het publiek het meest zal verdelen, maar het is een zeer bijzonder filmpje geworden en wellicht eentje die hij alleen met succes kon maken op een wat oudere leeftijd. 'Meditatief' is er misschien ook een goed woord voor. Bijzonder.
4*
Keane (2004)
Misschien wel het sterkste punt van Keane is dat de film gewoon begint als de hoofdpersoon al middenin zijn psychologische crisis zit en alles wat daaraan vooraf ging vaag laat. Vanvaf de eerste seconde wordt je gedwongen naar een vreemde man te bekijken die duidelijk een vermoeiende zoekroutine naar zijn dochter afgaat, iets waarvan je meteen merkt dat hij het al heel lang doet. Maar kan je het hem kwalijk nemen? Volgens mij moet je haast wel helemaal gek worden als je kind zomaar ineens spoorloos en definitief verdwijnt terwijl jij op hem of haar had moeten letten. Is er een manier om daarmee om te gaan?
Er is natuurlijk de theorie dat Keane helemaal geen dochter had en in plaats daarvan aan schizofrenie lijdt. Dat kwam ook wel soms in mij op tijdens het kijken, maar het wordt nergens hard gemaakt en persoonlijk heeft de verklaring dat hij wél een dochter heeft mijn voorkeur; al is het maar omdat ik zo'n studie van schuldgevoelens interessanter vind. Van begin tot einde zit je eigenlijk vast in pure wanhoop. De scènes waarin Keane leuke dingen gaat doen met het meisje zijn dan ook echt een verademing, maar dat hij werkelijk doordraait in die speelhal als hij zich lijkt te beseffen dat hij haar als een vervanging gebruikt voor zijn echte dochter is werkelijk pijnlijk. Sowieso vond ik deze film erg moeilijk om naar te kijken, vaak uit plaatsvervangende schaamte.
Het is bijna verrassend hoe natuurlijk Damien Lewis overkomt in een rol die op geen enkele manier naturel is. Prachtige acteerprestatie. De aanpak om een personage vlak op de huid te volgen is op zich niet nieuw en vaker gedaan, maar hier was het nog extra intens omdat het hier gaat om voornamelijk close-ups, waardoor we ons constant wel moeten focussen op Lewis' gezicht, aangezien de rest meestal uit beeld gehouden wordt (noot tussendoor: Legan schreef dat de film afstandelijk gefilmd was en baat had gehad bij wat meer close-ups; is een groter gat tussen hoe de film gezien werd mogelijk?). In de tweede helft, als Abigail Breslins rol wat prominenter wordt, wordt de filmstijl ietsje opener. Ietsje, want het blijft een enorm subjectieve film.
Er zijn enkele parels van scènes, zoals bij de McDonalds waarin Keane Kira van een afstand in de gaten houdt, bijna alsof hij verwacht dat ze zomaar zal verdwijnen. Dat gevoel zet hij later om in een poging om de mogelijke kidnapper van zijn dochter te lokken, één van de spannendste scènes die ik recent gezien heb. Dat het zo optimistisch zou eindigen (relatief dan) had ik niet verwacht, maar vond ik wel fijn. Het lijkt verdient na een verstikkend anderhalf uur.
4*
Kelly's Heroes (1970)
Alternatieve titel: Goud voor de Dapperen
Jammer dat Kelly's Heroes geregisseerd is door Brian G. Hutton. Dit is de twee oorlogsfilm in korte tijd die ik van deze regisseur zie, na Where Eagles Dare, en helaas moet ik concluderen dat hij een van de minst geïnspireerde regisseurs van zijn tijd lijkt. Totaal geen gevoel voor stijl en nog minder voor tempo. De film duurt maar en duurt maar, zonder dat ik achteraf kan verklaren hoe hij bijna twee en een half uur heeft weten te vullen. Huttons enige interesse lijkt in explosies te zitten en zodra er dingen moeten ontploffen gebeurt dit extra veel, ondanks dat er bij bijna geen enkele explosie het leven van een van de hoofdpersonen op het spel staat. Zo'n scène waarin Sutherland met zijn tank een nazikamp aan gort blaast had een leuke korte scène kunnen zijn, maar Hutton laat hem voor eeuwig doorgaan. Die tijd kan hij beter gebruiken voor de humor, want dit is duidelijk bedoelt als een satire, maar ondanks genoeg leuke grappen heeft Hutton gewoon geen oog voor humor. Had een Billy Wilder deze film gegeven en het had wellicht een meesterwerk kunnen zijn.
Nu is vooral aardig. Een stuk vermakelijker dan Where Eagles Dare in ieder geval. Dit komt grotendeels door de cast, die met veel plezier hun rol lijken te spelen. Met name Telly Savalas en Donald Sutherland (als een anachronistische hippie, waarschijnlijk om een parallel te trekken naar de Vietnamoorlog). Sommige bijrollen gaan net iets te ver met over-acting, maar goed. Ik vond het ook wel leuk om te zien hoe de gebruikelijke heldhaftigheid van dergelijke oorlogsfilms gebruikt wordt voor niet bepaald heldhaftige doeleinden. De film haalt veel uit zijn goed gevonden situatie. Dit maakt er toch nog een redelijk gedenkwaardige film van.
3*
Key Largo (1948)
Zijn er ook klassiekers die je wel weet te waarderen JJ_D?
Hoe dan ook, ik heb gisteren genoten van Key Largo. Een heerlijke thriller (absoluut geen film-noir) die beter was dan ik verwacht had. Ik ging de film eigenlijk voor Bogart kijken, maar hoewel hij zijn rol op zich goed speelt, heeft hij hier weinig te doen. Dit is eigenlijk niet Bogart's film, maar die van Robinson. En wat een rol speelt hij hier. Hij speelt iedereen van het scherm af, inclusief de geweldige bijrollen van Trevor en Barrymore. Puur genieten. Maar ik blijf het jammer vinden van Bogart en Bacall. Je zou verwachten dat ze de hoofdrol hebben, maar in feite krijgen ze niks meer dan een standaard held en geliefde rolletje, die ook nog eens bijrollen zijn. Robinson is de onbetwiste ster van Key Largo!
Er zitten trouwens erg veel goede scènes is in deze film. De sfeer is ook perfect en op de koop toe vond ik de film ook nog verrassend spannend. Het verhaal is simpel maar doeltreffend. Robinson heeft trouwens een aantal mooie citaten in deze film.
4 sterren, maar wellicht verhoog ik nog naar 4,5*.
Kichiku (1978)
Alternatieve titel: The Demon
Deze film is vooral niet aan te raden voor mensen die niet van hysterische vrouwen houden. De twee grote vrouwelijke rollen worden namelijk constant hysterisch gespeelt. Geen seconde zijn ze rustig, redelijk of zelfs maar vaag menselijk. De over-acting is zo afschuwelijk dat zelfs de term 'drama-queen' nog te mild zou zijn voor deze vrouwen. Met name Iwashita, die toch aardig wat schermtijd heeft, krijst, snauwt en schreeuwt de boel bij elkaar. Als ze stil is maakt ze wel overdreven gebaren. Dit acteerwerk maakt met name de eerste helft van de film bijna onkijkbaar. Ik ken Nomura verder niet, maar op basis van deze film kan ik me niet voorstellen dat hij goed is met vrouwenrollen. De man is theoretisch gezien de starter van alle onheil hier, maar het zijn de vrouwen die hatelijk zijn.
Dit is allemaal al vreselijk genoeg, maar helaas is de film verder ook weinig subtiel. Plotselinge en matig uitgevoerde karakterontwikkelingen gaan gepaard met overdreven dramatische momenten. Ogata is redelijk, maar de kinderen zijn te overdreven schattig gemaakt. Het centrale conflict is eigenlijk zeer interessant en ergens hoop ik op een remake van een goede regisseur. Nu moeten we het doen met een aantal boeiende, maar eigenlijk matig uitgevoerde mometen waarop de hoofdpersoon zich wil ontdoen van zijn kinderen.
Een geval waarbij de poster beter is dan de film.
2*
Kick-Ass (2010)
Hier is een apart geval. Tijdens de gehele speelduur van de film heb ik me enorm vermaakt. Kick-Ass is een film die vooral op de zintuigen speelt, dus veel actie, simpele humor, over-the-top stijlvol camerawerk, hippe soundtrack, enz. En zo werkt het ook heel goed. Het is een aardige adrenalinerush, vooral omdat de actiescènes goed in elkaar zitten. Dat Vaughn niet de meest stijlvolle regisseur ooit is deert niet, want het werkt. Overigens zou ik niet willen zeggen dat hij niet weet een flinke stijl neer te zetten. Het probleem is meer dat deze stijl niet vreselijk origineel is. Veel acties zijn voorspelbaar, maar ook grappen en van die kleine momenten waarop de regisseur lijkt te denken "Ha! Die zag je niet aankoment", waarvan ik het wel zag aankomen. Maar evengoed, het werkte bijna allemaal. En sommige acties, zoals de enorm bevredigende manier waarop de grote schurk aan zijn einde komt, verrassen wel. De zintuigen werden gevoed. En is dat niet wat cinema op de eerste plaats moet doen, de zintuigen voeden?
Kennelijk moet er toch meer zijn. Het gekke aan deze film is namelijk dat ik een dag later eigenlijk niets meer van het enthousiasme in me voel dat ik had tijdens het kijken. Kick-Ass is kennelijk een van de zeldzame sterke films waarbij er geen napret is? Nee, zoiets is onzin. Nou vond ik het tijdens het kijken al geen meesterwerk, maar ik vraag me af waarom ik nu alsnog niet het gevoel heb iets bijzonders gezien te hebben. De verrassing rond een 11-jarige meisje dat extreem geweld op het beeld tovert is door de marketingcampagne al lang verdwenen en verder heeft de film misschien een tekort aan werkelijk goede ideeën. En zo leuk is Hit Girl, ondanks het gave concept, nou ook weer niet. Ik denk dat het grootste probleem is dat de film charme mist. Er is niemand om bij mee te leven. Kick-Ass is daarvoor namelijk teveel een charismaloze sufferd zoals we ze al te vaak zagen. Hit Girl is te onoverwinnelijk,.Big Daddy bleek helaas een van de mindere Cagerollen te zijn, al leek het op papier echt een fantastische rol voor hem. Red Mist heeft te weinig substantiële dingen te doen. Frank D'Amico is een standaard maffiabaas, gespeeld door Hollywoods nieuwe favoriete acteur voor ongeïnspireerde schurken, Mark Strong.
De film is een enorme hype (hoewel een tegenvallend commercieel succes), vooral omdat het allemaal zo verschrikkelijk origineel zou zijn. Nou zal ik niet zeggen dat het allemaal al enorm vaak gedaan had, maar uiteindelijk heerst het gevoel van "Is dit alles?" Of ligt het gewoon aan mij, iemand die nauwelijks affiniteit heeft met het hele superheldengebeuren? Timbo begint zijn recensie hier met de opmerking dat iedereen wel eens gefantaseerd heeft over het zijn van een superheld. Nou heb ik over veel gefantaseerd, maar ik geloof nooit daarover. Wellicht is dat mijn probleem met Kick-Ass: ik geef niets om het basisidee.
Nog even iets anders: ik zou graag willen dat films als deze stoppen met die belachelijke romantische plotlijnen zoals in Kick-Ass. Ik krijg steeds meer het beeld van schrijvers van dergelijke verhaallijnen hiermee hun eigen fantasieën rond vrouwen die ze niet kunnen krijgen uitwerken. Het probleem is dat het volgens mij nog nooit geloofwaardig overkwam. No way dat Kick-Ass een relatie krijgt met de populairste meid van de school na wat hij haar geflikt heeft. Het voelt zo geschreven aan dat het belachelijk wordt.
3,5*, omdat mijn zintuigen zich vermaakt hebben. Zou echter zo maar eens snel omlaag kunnen gaan. Afwachten hoe dit na een week is blijven hangen.
Kid Brother, The (1927)
Lloyd zag The Kid Brother als zijn meesterwerk, maar daar kan ik het moeilijk mee eens zijn. Hij heeft genoeg films gemaakt die in mijn ogen beter zijn. De gags, het stuntwerk en de romance zijn allemaal wel eens beter geweest. Alleen het verhaaltje is wat verder uitgewerkt dan normaal, maar daarvoor hoef je deze film nog steeds niet aan te zetten.
Dat klinkt allemaal wat cynischer dan het bedoelt is, want hoewel The Kid Brother niet tot de absolute top van Lloyds oeuvre behoort, is het ook absoluut niet zijn minste. Opvallende is de vrij sfeervolle cinematografie en de score op de dvd is ook veel beter dan waarschijnlijk enige andere begeleiding die ik hoorde bij een slapstickfilm, al is dat bij Lloyd altijd wel verzorgd.
Daarbij blijft Lloyd toch wel een meester van het genre. Iedereen heeft wel eens een scène gezien waarin een personage op een rijdend voertuig staat die omdat hij de verkeerde kant in kijkt geraakt wordt door een laag hangende tak. Die grap zit ook in deze film, maar met een vindingrijke twist. Eigenlijk waren de slapstickmeesters wat de martial arts artiesten later werden: actiemensen die het moesten hebben van indrukwekkende stunts en een slim gebruik van decors en props. Lloyd behoort hierbij zeker tot de top en dat komt ook tot uiting in The Kid Brother. Hoogtepunt is niet echt een komische scène, maar een romantische, waarin Lloyd een hoge boom inklimt om zijn geliefde te kunnen zien vertrekken. Erg simpel, maar perfect uitgevoerd.
Dus zeker wel een fijn filmpje, alleen niet de beste om Lloyds genialiteit mee aan te tonen, zelfs al leek hij daar zelf anders over te denken.
3,5*
Kid, The (1921)
Alternatieve titel: Het Jochie
Na weer helemaal in een Chaplinstemming te zijn geraakt na A King in New York wou ik The Kid weer eens bekijken, ook omdat ik er van overtuigd was dat hij een hogere stem verdiende. Maar in plaats daarvan gaat mijn stem juist omlaag na herziening. Chaplin was briljant en heeft veel moois gemaakt, maar wat mensen met deze film hebben is me een raadsel, of je moet gewoon helemaal plat gaan voor zo'n schattig jochie. Coogan acteert eigenlijk helemaal niet goed, al is het maar omdat zijn ogen telkens op afwezig staan; alsof hij niet weet dat hij in dezelfde film speelt als de andere acteurs.
Erger is nog dat de film eigenlijk nergens grappig is en Chaplin hier duidelijk meer voor drama gaat. City Lights vind ik een van de meest ontroerende films ooit, maar zodra Chaplin echt besluit om een zeer ontroerend werk te gaan maken zoals deze film en A Woman of Paris gaat het schijnbaar mis. Als de Tramp er niet in had gezeten zou de film bij mij nog lager scoren, maar ik heb een gigantisch zwak voor het personage.
2,5*
Kids Are All Right, The (2010)
Annette Bening, een actrice wiens bestaan ik bijna geheel vergeten was. Ik heb volgens mij ook al een aantal jaar geen film meer gezien waar ze in zat. En om eerlijk te zijn: die paar rollen die ik van haar zag vond ik niet bijster sterk (ja, inclusief American Beauty). The Kids Are All Right bracht Bening weer onder mijn radar, niet alleen omdat de film geweldig zou zijn, maar omdat Bening er de show in zou stelen en waarschijnlijk een Oscar ervoor zou winnen (na de release van Black Swann is Portman echter de favoriet geworden). Deze film werd dus een nieuwe kennismaking met Bening voor mij en laat ik zeggen dat het geen aangename ervaring was. Ik herrinnerde me meteen weer waarom ik haar zo vervelend vond. Ze laat iedere emotie te duidelijk zien. Haar gezichtsuitdrukkingen zijn dan ook vaak karikaturaal. Zeker drama vereist toch wel dat bepaalde emoties slechts gesuggereert worden en onderhuids voelbaar moeten zijn, maar Bening kan het niet laten alles overduidelijk te maken. Zij wist de film zodanig naar beneden te trekken dat ik toch maar voor een onvoldoende ging, in plaats van een milde drie sterren.
De film zelf vond ik dus ook los van Bening al niet bijzonder indrukwekkend. Waarom wordt deze film op zoveel plaatsen als een meesterwerk beschouwt? Na er wat recensies op nagelezen te hebben valt het me op dat er nogal veel gemaakt wordt van het feit dat deze film een geslaagd gezin toont geleidt door twee lesbische vrouwen. Nou geef ik toe dat daar niet bijzonder veel films over gemaakt zijn, maar dat lesbiennes een gelukkige familie zouden kunnen starten is voor mij geen nieuwe informatie. Daarnaast is dat een te karig gegeven om de film goed te vinden.
Als komedie vond ik het nog best aardig allemaal, maar het is als drama dat het te kort schiet. De film is net te luchtig, net te schattig en wellicht net iets te vol van zichzelf. Bij films als Juno en Little Miss Sunshine lees je wel eens dat sommige mensen het net iets teveel een typische Amerikaanse indie vinden: dat gevoel had ik bij The Kids Are All Right. Wat ik miste was een doorleefd gevoel, het idee dat de mensen die we hier zien al een leven hadden voor de film begon. Enkele verwijzingen naar hun jeugd lossen dat probleem niet op. De film graaft niet diep. Tegen het einde wil het emotioneel ontroeren, maar dat lukt dan niet echt meer. En als komedie is het net niet grappig genoeg. Wat overblijft is een luchtig drama dat als een klein zuchtje wind op een warme zomerdag aangenaam voorbij waait zonder ooit opvallend te worden. Toegegeven, de grote emotionele scènes van Moore en Ruffalo werkten voor mij nog wel. Daartegenover staat dat het grote moment van Hutcherson (waarin hij een hond redt van zijn vriend) bijna lachwekkend suf is.
De cast buiten Bening is wisselend. De kinder zijn oké, zoals de titel ons eigenlijk al duidelijk maakte. Zeker Wasikowska heeft genoeg uitstraling om te kunnen boeien, maar heeft geen bijzonder personage. Moore is subliem als altijd en laat haar dan maar die Oscarnominatie krijgen in plaats van Bening. Aan Ruffalo moest ik wennen. Aanvankelijk vond ik zijn rol wat te dik aangezet, alsof hij iets te komisch wilde spelen, maar eenmaal aangekomen bij zijn meer serieuze scènes blijkt hij toch een geloofwaardig personage opgebouwd te hebben. De bijrollen vond ik vooral matig, met als dieptepunt die vriend van Laser.
Kortom: een weinig zeggende film met een vreselijke actrice in de hoofdrol.
2,5*
Kikujirô no Natsu (1999)
Alternatieve titel: Kikujiro
Eindelijk eens gezien. Kikujirô doet hij bijna standaard goed bij knock-outs hier op MovieMeter (al heeft hij geloof ik nog nooit de finale gewonnen). Het is niet moeilijk om te zien waarom. Het is een pretentieloos filmpje, maar niet zonder artistieke ambities. Het is creatief zonder te gek te worden. Het is hartverwarmend maar niet sentimenteel. Kort gezegd: het is een sympathieke film waar je makkelijk van kunt houden.
Ik vond het ook leuk, al is al die lof overdreven. Kitano's humor heeft me niet al te vaak gelegen in het verleden, maar hier werkt het wel voor het grootste deel. Goede slapstickmomenten afgewisseld met dead-pan reacties van Kitano. Sommige momenten vallen helaas wat dood (die 'alien' bijvoorbeeld), maar over het algemeen is het zeer onderhoudend. De warme sfeer komt eveneens goed over en wordt zo gewoon een film die leuk is om naar te kijken.
Maar is het geniaal? Dat vind ik dan weer zeer meevallen. Jammer is vooral dat de rol van de jongen zeer beperkt is. Erg saai personage dat eigenlijk alleen maar als katalysator van het plot lijkt te dienen. Officieel is gaat dit verhaal net zoveel om de reis van de jongen, maar uiteindelijk is het Kitano's reis en hij geeft de jongen te weinig om zelf te doen. Masao is vooral geschikt voor reactieshots, waarin hij vaak zelfs zonder echte gezichtsuitdrukking reageert. Dat laatste heeft hij waarschijnlijk van Kitano, die wederom niet erg expressief is, al heeft hij wel meer tekst dan ooit.
Dit in combinatie met de eerder genoemde dode momenten en een toch wat minimale dramatische kracht zorgen ervoor dat ik niet boven de 3,5* uitkom.
Kill List (2011)
Dat Ben Wheatley een zeer originele filmmaker is zal niemand ontkennen, maar bij Kill List weet ik niet in hoeverre ik het geslaagd vind. Toegegeven, het is constant boeiend, meestal spannend en er zitten aardig wat memorabele scènes in. Toch bleef ik na het kijken wat leeg achter.
Dat horroreinde is fantastisch gefilmd en oprecht beangstigend, dus het is moeilijk om er iets tegen te hebben. Ik waardeer ook Wheatley's poging om zoiets een geheel nieuwe context te geven, zelfs al is het praktisch onmogelijk om dit enorm omslachtige offerproces te begrijpen. Wat er vooraf gaat is eigenlijk ook gewoon heel sterk (het huiselijke deel wellicht iets te lang).
Het zijn de sprongen in toon die voor mij niet zo werken. Het zijn bijna drie films in een: een drama in het eerste half uur, een misdaadthriller in het tweede en vervolgens dus horror. Scripttechnisch gezien klopt het wel, maar op film vond ik het wat geforceerd. Teveel een cool trucje, dat op een bepaalde manier niet organisch wordt of kloppend aanvoelt. Daardoor blijft bij Kill List vooral hangen als een project van een regisseur die iets te hard probeert indruk te maken. Nou is dat wenselijker dan het tegenovergestelde en ik kan dit verre van een vervelende film noemen, maar ik verbaasde mezelf bijna over mijn gebrek aan verwondering hier. Stiekem wel benieuwd of dit zoiets is waarbij een herziening helpt.
3*
Killer inside Me, The (2010)
Niet onaardig. Ik neig naar 3,5*, maar ik ga toch voor 3*, omdat het ondanks zeer goede momenten als geheel vrij onbevredigend blijft. Een ding voorop: ik zou liegen als ik zou weten wat hoofdfiguur Lou Ford beweegt. Ik heb niet het minste vermoeden waarom hij zo graag mensen vermoord en vrouwen slaat (nog minder snap ik waarom die vrouwen kennelijk graag geslagen worden en Alba het zelfs leuk vond om vermoord te worden, maar dat zijn vrouwen in pulp voor je). Dit moet een karakterstudie voorstellen, maar van wat voor een karakter? Ford is van een totaal ongevoelige man, maar ik kreeg de indruk dat de film meer wilde dan dat. En het kwam er niet goed uit. Casey Affleck is sterk, zoals verwacht, maar het scenario blijft wat aan de matige kant.
Verder een verhaal met veel personages en ontwikkelingen die typisch zijn voor een noir. Hoewel het grotendeels interessant is om te volgen zijn veel ontwikkelingen wat te toevallig, al kreeg ik ergens anders weer het idee dat iedereen Ford gewoon door had. Anyway, het is best vermakelijk om Ford zijn ding te zien doen en het levert enkele gedenkwaardige scènes op (met dat mes op straat achter die dronkaard aan, bijv.). Het sfeertje is ook bijzonder lekker. De slotscène is eigenlijk exemplarisch voor de film: die slaat inhoudelijk nergens op, maar is op zichzelf toch weer erg goed.
Killer's Kiss (1955)
Kubricks films heb ik de laatste jaren nauwelijks nog bekeken en ik ben nu van plan er iedere week een te kijken, op chronoligische volgorde, minus Fear and Desire. Deel 1: Killer's Kiss.
Dit was altijd al de Kubrick die mij het minst was bijgebleven en waarvan ik nooit echt de behoefte heb gehad hem te herzien. Killer's Kiss staat bekend als Kubricks minste film en dat is gewoon terecht. Hij gaf zelf ook toe dat het vooral gemaakt is om de aandacht te trekken van grote studio's, om opgemerkt te worden en hij wilde dit vooral visueel doen. Dat zie je eraan af. Het is in zekere zin een typische beginnersfilm: veel overdadig en opvallend camerawerk, zelfs al past het totaal niet in het verhaal (al valt dat hier nog wel mee) en weinig aandacht aan plot en karakters. Dit kan zich dan ook niet meten met de grote klassiekers van film-noir. Sommige formules van het genre worden zelfs gewoon ingezet omdat het kennelijk zo hoort. Wat heeft het voor een zin hier om het verhaal in flashback te vertellen? Dit is een geval waarin de spanning alleen maar verloren raakt. En wie gelooft het gelukkige einde nadat de twee personages elkaar voor het laatst zagen nadat ze elkaar op kille wijze in de steek lieten?
Gelukkig is er ook genoeg goed. Het ziet er gewoon schitterend uit, met vooral veel oog voor compositie en belichting en af en toe gekkigheden zoals een zeer korte droomscène in negatieve filmbeelden en een shot door een vissekom. Inhoudelijk is Kubricks hand nog niet te vinden hier, maar visueel is er al een primitieve versie van te vinden. Daarbij waren vooral de actiescènes goed. De boksscène is net iets te rommelig om groots te zijn, maar heeft ook wat opmerkelijke shots. De achtervolging en het gevecht in het paspoppenhuis waren echter sterk. Ik lees hier enkele berichten die dat laatste gevecht onrealistisch vinden. Vreemd, ik vond het juist opvallend geloofwaardig gebracht, de acteurs gingen elkaar ongewoon agressief te lijf. Kennelijk zijn we in films zo gewend geraakt aan gestileerde actie (wat we gewoonlijk te zien krijgen) dat een wat werkelijker gevecht onrealistisch lijkt).
Een aardig interessant begin. Niet geheel geslaagd, niet geheel gefaald. Goed genoeg voor een debuut.
3*
P.S.: Zoals Onderhond al opmerkte: de personen op de poster lijken belachelijk weinig op de acteurs in de film.
Killers, The (1946)
Ava Gardner's screentime is erg beperk; toch staat ze uitgebreid op de filmposters...
Gardner mag dan niet gigantisch vaak te zien zijn, haar rol is zéér belangrijk voor het verhaal en ze mag dan ook gewoon op de poster van mij. Het is een sleutelrol, zonder wie de film niet verteld had kunnen worden. Het komt door de flashbackstructuur van de film dat ze weinig te zien is, maar ze laat toch een indruk achter. Ik was verbaasder over Lancaster. Hij heeft de hoofdrol, maar komt niet eens zo heel veel meer voor dan Gardner en heeft sowieso minder tekst. De twee belangrijkste personages komen op deze manier minder voor dan zowel alle bijrollen. Zie je ook niet vaak in films.
Degene die de film dan uiteindelijk toch moet dragen is Edmond O'Brien, een fijne bijrolacteur uit vele films. Hij speelt een soort rol zoals ook Joseph Cotten in The Third Man, een soort amateurdetective die zich met een naïef soort enthousiasme op een moordzaak stort. Alleen blijkt O'Brien wat slimmer dan Cottens personage uit The Third Man.
The Killers heeft in principe hetzelfde verhaal als het later door Siodmak gemaakte Criss Cross (ook met Lancaster), maar het wordt compleet anders verteld, met een hele lading flashbacks die je als kijker in de goede volgorde moet zetten en ook met ontbrekende stukken die je zelf mag invullen. Het deed me op die manier meer aan Citizen Kane denken dan aan Criss Cross, al is bij Citizen Kane de onderzoeker zelf totaal niet belangrijk en hier wel.
Anyway, zeer fijne film noir. De sfeer zit er goed in, het verhaal is uitstekend, de film bevat een aantal memorabele scènes en de hele cast is goed. Ik vond vooral Gardner opvallend sterk als Kitty Collins, van wie je al weet dat ze een femme fatale is als je hoort dat ze Kitty Collins heet, want zo'n namen lijken alleen voor te komen bij gangstervrouwen.
Het beste element aan de film is de opening. Die eerste 10 minuten behoren tot de spannendste uit de film noir geschiedenis en deze zijn fenomenaal geschreven en geschoten. Die twee killers zijn geweldige personages. Ik kwam erachter dat Ernest Hemingway's verhaal alleen deze eerste 10 minuten beschreef en dat de rest erbij verzonnen is voor de film. Ik moet toch een wat gaan Hemingway gaan lezen heb ik zo het gevoel.
4*
Killing Fields, The (1984)
Alternatieve titel: Velden des Doods
Een beetje een zooitje, deze film. Aan de ene kant straalt er een passend gevoel van wanhoop en chaos vanaf en geeft het een bij vlagen een krachtig overzicht van de machtswisseling in Cambodja na een vreselijk Amerikaans bombardement. Er is duidelijk geprobeerd om het niet teveel als een gestroomlijnd verhaal te vertellen, Hollywoodstijl, maar meer als een reeks gebeurtenissen die op zichzelf staan en tegelijkertijd toch een geheel vormen. Een aanpak die meer op het echte leven lijkt. Een gewaagde en interessante keuze, maar niet helemaal geslaagd. Het zorgde er voor mij voor dat ik heel moeilijk in de film kwam en dat sterke momenten afgewisseld werden met momenten die bijna als opvulling aanvoelden of soms moeilijk te plaatsen waren. Vervolgens wordt er in de tweede helft ineens een hele andere aanpak gebruikt. Sydney komt dan nog nauwelijks in de film voor en we volgen Pran in wat bijna een tweede film is met een wat conventionelere verloop. Die tweede helft is wat pakkender, maar voelt ook wat sentimenteler aan. Het is moeilijk te zeggen welke aanpak het beste werkt. Een evenwichtige film levert het niet op.
Niettemin zijn er veel momenten die indruk maken, zoals de nadruk op kinderen die de Khmer leggen, wat een aantal van de gruwelijkste (maar niet expliciete) beelden oplevert. Het paspoortprobleem van Pran zorgt eveneens voor oprechte spanning. Persoonlijk vond ik ook dat Joffé soms sterke veel weet te suggereren met details. Als we bijvoorbeeld Sydney het Amerikaanse appartement van Prans gevluchte vrouw en kinderen zien verlaten zien we dat de deur en muren besmeurt zijn met graffiti. Kortom, ze zijn in een bijzonder armoedig deel van Amerika beland. Dat soort subtiele dingen raken me meer dan het inzetten van Imagine van John Lennon bij de hereniging.
Daarmee komen we op voor mij het zwakste punt van de film: de muziek. Imagine is een geweldig nummer, maar tegelijkertijd een lied met zo'n inhoud dat je hem niet echt in films kunt gebruiken zonder dat het opgeblazen lijkt. Ik was al ontroerd door de hereniging tussen de twee vrienden, maar Imagine maakte het onnodig klef, alsof de makers twijfelden of mensen wel wat zouden voelen bij het einde. Net zo erg is de score, eveneens van een muzikant die ik zeer waardeer. Mike Oldfield is geweldig, maar ik vond zijn muziek hier niet bij de film passen. Vooral het bijzonder luid inzetten van elektronische klanken op intense momenten haalde me praktisch uit de film. Het klinkt teveel als iets uit een sciencefictionfilm en niet als iets dat lijkt te horen bij een waargebeurde burgeroorlog in Cambodja.
Verder is het allemaal wel zeer aardig geacteerd. Ik lees hier veel kritiek op Waterston, maar ik vond hem het meest geloofwaardig van allemaal, een perfecte mix van charisma en idealisme tegenover een misplaatst gevoel van superioriteit en egoïsme. Een held met licht nare trekjes die herkenbaar zijn. Ik denk dat zijn scènes in Amerika stiekem de beste van de film zijn, omdat ze de hele oorlog in een ander perspectief plaatsen. Je hoort dan constant Amerikanen praten over Cambodja, maar de hele atmosfeer, van Sydney in zijn luxe appartement tot aan de feestjes met champagne, wekken de indruk dat Cambodja toch vooral ver weg is en het iets is voor semi-wereldkundige mensen om eens over te praten, om vervolgens met iets anders door te gaan. Sydney zelf is er ook schuldig aan, doordat hij niet verder komt dan brieven sturen en zelfs niet de vrouw van Pran een goede plaats in de VS weet te geven. En toch, ik denk dat weinig meer gedaan zouden hebben dan Sydney, mezelf incluis. De confrontatie met Rockoff in het toilet is dan ook helemaal raak. Deze scènes zorgden er aanvankelijk voor dat ik voor een kleine 3,5* wilde gaan, maar een dikke 3* past toch wat beter. Er is teveel mis om compleet te overtuigen, maar gelukkig wordt dat hier en daar gecompenseerd.
Killing of a Chinese Bookie, The (1976)
Eindelijk gezien met subs en dat is meteen een absolute verademing. Alles wordt eindelijk duidelijk. Wederom ging ik voor de director's cut. De lange versie zal ook ooit nog wel eens aan de beurt komen, maar alles op zijn tijd.
Het spreekt al zeer vóór de film dat hij erg in mijn hoofd is blijven hangen na die eerste ongelukkige kijkbeurt. Het personage Cosmo Vitali was meteen in mijn geheugen geprent. Ik heb schijnbaar iets met dit soort losers die proberen hun droom en eigenbeeld proberen te bewaren in het midden van bijzonder zware tegenstand, zelfs al zijn diezelfde droom en eigenbeeld nogal onzinnig of overtrokken. Vitali is eigenlijk een man die denkt dat hij meer voorstelt dan hij doet en de shows die in zijn nachtclubs uitgevoerd worden zijn uniek maar zeker niet geniaal. En toch blijft die Vitali knokken om die nachtclub in stand te houden. Het heeft iets ontroerends. Ik vergelijk het wat met Woody Allen in Broadway Danny Rose, waarin Allen een agent op Broadway speelt wiens cliënten ook overduidelijk kansloos zijn, maar waarvoor de hoofdpersoon zich 100% inzet. Dom wellicht, compleet zinloos, maar toch ook zeker vreemd heldhaftig. Ergens is Cosmo Vitali voor mij een meer driedimensionale variant op Danny Rose, al is The Killing of a Chinese Bookie natuurlijk de oudere film. Vitali behoort zeker tot de interessantste personages uit de filmgeschiedenis wat mij betreft. Opvallend aan Gazarra's acteerwerk is ook dat Vitali in het bijzijn van andere mensen bijna altijd lacht. Zo'n warme glimlach waar je echter aan kan aflezen dat hij iets anders denkt dan hij uitdrukt.
Dit is allemaal op zich al genoeg voor een goede film, maar BASWAS gaf al de interessante subtext hier aan. Cassavetes herkende zich in Vitali omdat hij zijn werk voor Hollywood soms zag als een soort van prostitutie. Cassavetes had dit werk nodig om zijn projecten te kunnen bekostigen. Op dezelfde manier moet Vitali de moordklus van de gangsters aanvaarden, omdat hij hun anders moet terugbetalen door zijn nachtclub te verkopen. Je eigen ding doen, lijkt Cassavetes te zeggen, heeft een zware prijs. Wat algemener zou je kunnen zeggen dat de film gaat over de onmogelijkheid van absolute vrijheid. In deze context vind ik de eindscène ook zo ontroerend. Vitali die op het podium zijn al ongeduldige publiek verveeld met bedankjes aan zijn medewerkers. Deze scène duurt lang, omdat Vitali niemand wil missen en hij zich door zijn situatie meer bewust is voor de mensen om hem heen, zijn steun en toeverlaat. Vitali is een soort idioot dus zijn dankwoordje is slecht getimed en wat klungelig, maar de oprechtheid telt.
Het is niet de enige geweldige scène in deze film. Ik heb een vreemde zwakte voor het moment aan het begin waarin Vitali met van die bloemetjes drie van zijn vrouwelijke medewerkers ophaalt. Ook opvallend zijn de auditiescène, de titelscène, het telefoongesprek dat daaraan vooraf gaat en het moment met de moeder van Vitali's vriendin, vlak voor het einde. En natuurlijk alle beelden die we krijgen van de onwaarschijnlijke shows die Vitali opvoert in zijn nachtclub.
De filmstijl van Cassavetes, met het soms wat rommelige camerawerk past goed hier. De acteurs acteren bijzonder naturel, waardoor het geheel de indruk wekt uit het leven gegrepen te zijn. Dit is geen method-acting. Het heeft een totaal ander gevoel dan de manier waarop Al Pacino, Robert De Niro en Dustin Hoffman op hetzelfde moment gestalte gaven aan hun personages. Hun acteerstijl lijkt tegenwoordig wat gestileerd, wat ik totaal niet erg vind, maar bij Cassavetes lijkt alles wat spontaner en echter. Dit merk je nog het meest bij de gangsterscènes. Hun dreigementen worden niet zo gebracht als in een genrefilm. De boodschap komt aan, maar het gaat niet vergezeld met typisch filmische gebaren, teksten en strakke, gevaarlijke blikken. Wellicht dat deze film daarom ook gemakkelijk tegen kan vallen bij mensen die een volbloed neo-noir verwachten, een thriller of een misdaadfilm. Cassavetes heeft daar nu even geen tijd voor. Hij zoekt het dichter bij huis en kiest voor een karakterstudie. Dat het toch een neo-noir wordt is bijna toeval.
The Killing of a Chinese Bookie wordt dan ook gemakkelijk een van mijn favoriete films. Alleen het soms nog net iets te lage tempo voorkomt de maximale score, maar wellicht is dat wat flauw. Ik zal hem zeker nog vaker zien. Eens afwachten welke versie het beste is.
4,5*
Killing Them Softly (2012)
Voordat we ook maar precies duidelijk hebben waar we naar kijken in het eerste shot horen we al duidelijk de stem van Barack Obama, die een verkiezingsspeech geeft, met als onderwerp de economie. Al snel valt hierdoor Killing Them Softly te koppelen aan politieke films van de jaren '60 en '70, zoals Z of enkele films van Godard. Dit is niet de laatste speech die horen. Obama, maar ook Bush en McCaine komen veelvuldig aan het woord. Dat dit een film is met parallellen naar de huidige politiek wordt er stevig in geramd.
Er valt ongetwijfeld een sterke film te maken waarin maffiahandelingen een allegorie zijn voor de economische malaise van vandaag de dag, waar de personages symbool staan voor de profiteurs en de verliezers. Deze film is dit niet. Dominik had er misschien beter aan gedaan om de allegorie voor zich te laten spreken en dit aan de oppervlakte over gangsters te laten gaan die zich er niet van bewust zijn dat ze metaforen zijn. Naast dus de aanwezigheid van de verkiezingsspeeches zijn ook veel personages, zeker die van Pitt en Jenkins, sterk geneigd om filosofisch te discussiëren over de betekenis van alles wat er om hun heen gebeurt. Iets te dik aangezet naar mijn smaak, te gekunsteld geschreven en ook gewoon niet leuk.
Jammer, want als de politieke lading even opzij geschoven wordt is het ijzersterk. De centrale overval, de aframmeling en latere afrekening van Liotta, Pitt's hit op de man met het plan, de unieke rol van Gandolfini en vrijwel alle scènes met McNairy en Mendelsohn zijn ijzersterk en vaak ook prachtig geschoten. Hard, maar ook gestileerd op een onderkoelde manier. Het tempo ligt geregeld wat te laag misschien (vooral de dialogen bevatten veel vreemde pauzes), maar verder zou dit bijna geheel op sfeer kunnen teren, ware het niet dat er af en toe een geforceerde dialoog over de economie tussendoor moet. De casting is ook feilloos. Jammer dat de pretenties de film in de weg zitten. Niettemin blijft Dominik iemand om in de gaten houden.
3,5*
Killing, The (1956)
De Kubrickherzieningen #2: The Killing
The Killing is één van de Kubricks die ik het meest zag, dit was alweer de vierde kijkbeurt. Ik moet eerlijk toegeven dat ik de tweede en derde keer vooral keek omdat ik het gevoel had dat ik iets gemist had. Ik waardeerde de film goed met 3,5*, maar met mijn voorliefde voor Kubrick en noir had ik altijd het idee dat er voor mij meer in moest zitten. Toch genoot ik altijd van een afstandje. Ik waardeerde het scherp in elkaar gezette scenario, het lekkere sfeertje en ja, het sterke einde (heerlijk onbenullig, dat hondje; past op de een of andere manier perfect in het totaalplaatje). Het bleef echter bij een afstandse bewondering. Van overweldigende indruk was geen sprake.
Nu was hij dus weer aan de beurt, in mijn poging om alle Kubricks te herzien. Het leek me enigzins overbodig, maar nu blijkt toch dat ik een halve ster omhoog ga. Ik had meer een klik met de film deze keer. Uiteraard blijven de bovengenoemde punten goed, maar ik kon dit keer ook dramatisch meer met het geheel en dan heb ik het vooral over de toch wel erg sterke scènes tussen Elisha Cook Jr. (wat hebben zijn personages toch altijd treurige levens) en Marie Windsor. Daar zit bijna een nieuwe film in: How the Hell Did the Peatty Marriage Ever Happen? Kubrick bewaard zijn sterkste dialogen voor die scènes. Daarnaast viel ook een zekere homoseksuele kant bij Jay C. Flippen me op. Die laatste scène die hij deelt met Sterling Hayden voor de overval is toch wel opvallend te noemen.
Toch een sterkere thriller dan ik dacht, vooral in de karakteriseringen. Dat de overval zelf sterk in elkaar steekt hoef ik niemand meer te vertellen.
4*
Kimssi Pyoryugi (2009)
Alternatieve titel: Castaway on the Moon
Op zich weet Castaway on the Moon zich wel leuk te onderscheiden van vergelijkbare films over personages op geïsoleerde locaties (en hier is het extra leuk dat het eiland gewoon uitzicht heeft op de bewoonde wereld). Vooral de relatie met dat meisje is een leuke toevoeging. Misschien iets te leuk, want ik was meer geïnteresseerd in het leven van het meisje dan wat er allemaal op het eiland gebeurde. De vaak vrij originele aanpak van scènes (die flashbacks waarin de hoofdpersoon niet kan zwemmen bijvoorbeeld) wordt echter soms wat teniet gedaan door de nogal flauwe en platte humor die geregeld de overhand krijgt. ook vond ik het allemaal enorm lang duren. 116 minuten is op zich geen bijzondere lengte, maar alles lag er al vrij dik bovenop en zoveel heeft de film niet te vertellen. Dit voorkwam allemaal dat ik echt in de film opging en de uiteindelijke reünie me verrassend koud liet. Verder wel redelijk vermakelijk, maar het geniale zie ik er niet in.
3*
Kind Hearts and Coronets (1949)
Alternatieve titel: Noblesse Oblige
Eindelijk herzien met ondertiteling.
Is er een komedie die Britser is dan Kind Hearts and Coronets? Gelukkig is die remake met Will Smith en Robin Williams er nooit gekomen. Niet zozeer omdat deze film niet te remaken valt, maar omdat Smith en Williams niet bepaald Brits zijn en zonder zijn pure Engelsheid is het gewoon geen Kind Hearts and Coronets meer. Misschien een andere vermakelijke komedie over een seriemoordenaar die een familie uitmoord, maar het wordt hoe dan ook echt iets anders.
Als we ooit aan buitenaardse wezens willen uitleggen wat Groot-Brittannië nou precies is dan kun je met deze film gewoonweg niet missen. Het zit hem in de klassenstrijd, wat op zich geen vreemd begrip is buiten Engeland, maar hier in zijn echt Britse vorm te vinden is. Het zit hem in de stiff upper lip. Die is zo belangrijk dat in verhouding onbelangrijke gebeurtenissen zoals moord en hartzeer niet mogen voorkomen dat die bovenlip zijn stijfheid verliest. En uiteraard zit het hem in het zeer Britse gevoel voor ironie. Daar barst deze film van. Uiteraard het einde waarin Mazzini gearresteerd wordt voor een moord die hij niet gepleegd heeft en nog later dat hij zijn memoires laat liggen (blijft een valse noot voor mij, maar het is een film van de jaren '40). Maar er is meer ironie. Zo is het toch opmerkelijk dat Mazzini de grootste (en eigenlijk enige) gentleman met adelijk gedrag is in de film en dat hij nooit uit zijn rol valt, wat er ook gebeurt; ondanks dat hij natuurlijk voor de lagere klassen staat. Zijn speech voordat hij de hertog vermoord is even ironisch, als hij de hertog en zijn familie ervan verwijt alleen om hun naam te geven, terwijl zijn moeder uit de familie gezet werd omdat ze voor liefde koos. De ironie is dat Mazzini hetzelfde doet als de familie D' Ascoyne en daarmee minder op zijn moeder lijkt dan op de rest van de familie.
Kind Hearts and Coronets is een komedie die voor mij nergens echt hilarisch wordt, maar zoals ik in mijn eerste recensie al schreef meer lijkt te gaan voor een geamuseerde gniffel. Een ondeugende gniffel moet ik zeggen. Het is een film die sterk steunt op dialogen en op de acteurs en gelukkig zit het daarmee meer dan goed. Guinness is natuurlijk erg leuk in al die rollen, al blijft het jammer dat ze allemaal bij elkaar nog nauwelijks 20 minuten schermtijd krijgen. Het deert niet, want Dennis Price en Joan Greenwood zijn eigenlijk nog beter dan Guinness hier en vormen het charmante, duivelse hart van de film. Price heb ik verder weinig gezien, maar de rollen van Greenwood zijn altijd een plezier.
Helemaal perfect vind ik de film niet. Vooral in de eerste helft sleept hij soms wat en misschien was het nog beter geweest als er een regisseur aan het project verbonden was die niet zo'n onzichtbare stijl had (waarom ik deze film in mijn eerste recensie mooi geschoten noemde is me nu een raadsel, het is erg gewoontjes). En er is het eerder door mij aangehaalde einde. Maar ach, het zijn kleine foutjes in een verder erg leuke film.
4* blijven staan.
King in New York, A (1957)
Alternatieve titel: Een Koning in New York
Ik zat al een lange tijd tegen deze film aan te hikken. Ik dacht dat dit met afstand de minste film uit de Chaplin-box zou zijn. Maar wat schetst mijn verbazing? A King in New York is, ondanks duidelijke tekortkomingen, een zeer vermakelijk filmpje.
Persoonlijk heb ik me nauwelijks gestoord aan de maatschappijkritiek in deze film. Niet alle grappen waren even geslaagd (de plastische chirurgie) en andere kwamen een beetje over alsof Chaplin gewoon oud werd en niet met de trends van de tijd mee kon gaan (rock & roll, al is dit nog wel redelijk grappig gedaan), maar in tegenstelling tot The Great Dictator en Monsieur Verdoux houdt Chaplin in deze film gelukkig geen lange preek waarin hij kritiek levert op van alles en nogwat. Dat vond ik flink afbreuk doen aan die (verder superieure) films. Ik had van A King in New York een verbitterde film verwacht, zeker na Chaplins verbanning uit Amerika. Maar het valt mee en de film heeft uiteindelijk niet eens een negatieve boodschap, ook al beweren sommigen hier anders.
De films minpunten liggen meer in de structuur, die gewoon van het ene naar het andere onderwerp springt en zo soms geen eenheid vormt. Daarnaast ziet de film eruit alsof hij in de jaren '30 geschoten is. Hij lijkt ouder dan hij is. Deze minpunten worden echter gecompenseerd door genoeg leuke kanten. Zo is Chaplin weer goed in zijn charmante rol die wat doet denken aan een goedhartigere Verdoux. En sommige scènes zijn hilarisch (die trailer voor die western in briljant). Één scène is bijzonder noemenswaardig en dat is die waarin Chaplin met een brandslang de leden van het bureau van die anti-communisten helemaal natspuit. Iets wat Chaplin volgens mij in het echt graag gedaan had. Flauw? Wellicht, maar het heeft een heerlijk wraakgevoel in zich. Hoe Shahdov daarna alsnog als niet-communist is gekeurd is mij een raadsel.
3,5* Geen meesterwerk, maar toch zeer vermakelijk.
King Kong (1933)
Na 5 jaar eindelijk weer eens kunnnen zien. Dit was indertijd een van de eerste klassieke films die ik zag, op dat moment geloof ik zelfs ook de oudste. Kong is echter nog altijd King.
Het vreemde hier is dat veel van de latere berichten hier Kong beschrijven als een gevoelloos beest. Vreemd, aangezien dit duidelijk niet het geval is. Of liefde het juiste woord is weet ik niet, maar Kong voelt duidelijk affectie voor Anne en doet alles om haar te beschermen. Het beest is zelfs opvallend expressief. Wat de film voor een groot deel zijn unieke kracht geeft is dat ik op het einde vooral medelijden met het arme dier voel als hij tentoongesteld wordt in New York en uiteindelijk van de Empire State Building wordt afgeknalt. Het is de anti-heldachtige benadering van Kong die de film meer maakt dan een eendimensionale monsterfilm. Begrijp me niet verkeerd, films waarin de beesten gewoon wilde beesten zijn zoals in Jaws, Gojira, The Birds en Alien kan ik ook waarderen, maar net als het monster van Frankenstein is Kong zowel held als monster hier en werkt als dramatisch personage en horrorfiguur. Maakt het allemaal net iets leuker. De echte schurk hier is de regisseur Carl Denham, waarvan het me altijd verbaast heeft dat hij het overleefd. Ergens dient hij in een verhaal als deze te sterven, als aanstichter van alle ellende. Aan de andere kant is het wel het beste dat hij uiteindelijk de slotzin 'It was beauty killed the beast' uitspreekt.
Het voordeel van deze versie in dit opzicht ten opzichte van Peter Jacksons interpretatie is dat Kong '33 niet overgeromantiseerd wordt. De film verliest niet teveel tijd aan sentiment en Kong laat zijn affectie voor Anne nog altijd zien als een beest. Achteraf gezien is het ook een betere keuze dat Anne niet valt voor de aap. Het maakt alle daden van het onbegrepen dier alleen maar tragischer. De versie uit 2005 is meer melodrama met een gorilla, waar de versie van 1933 meer film noir met een gorilla is. Ik weet wat ik verkies.
De details van de animatie zijn vaak adembenemend. Dat de stegosaurus niet sterft nadat hij neergeschoten wordt, maar nog leeft als de mannen er langs lopen en nog wat laatste bewegingen met zijn staart maakt voegt veel toe aan de scène. King Kong komt uit een tijd waarin de filmmakers zelf nog onder de indruk leken van hun eigen special effects. Het gevoel voor verwondering is groot. Zo'n beetje iedere avonturenscène is geweldig en je vergeet snel dat het eerste half uur voorbereiding in de film niet bepaald briljant was en dat de acteurs ook ondermaats zijn. Het heerlijke tempo wordt terecht geroemd en roept nogmaals de vraag op waarom Jackson dacht de dubbele lengte nodig te hebben.
Ik verhoog naar 4,5*. De ultieme monsterfilm wat mij betreft.
