Een kerstfilm die (heel verrassend) een romantische komedie is. Evenals de meeste kerstfilms dus. Wat serieus wel verrassend is, is dat de film elementen uit de misdaadfilm bevat. In Jingle Bell Heist heeft een duo het plan opgevat om een warenhuis te beroven. Het duo loopt rond als kerstman en het warenhuis is sfeervol gedecoreerd. De entourage ademt kerst. Dat feit zorgt voor een bepaalde sfeer maar is verder niet van belang. Het verhaal had zich ook in de zomer kunnen afspelen.
Van meer gewicht is het maatschappelijke aspect. Het menselijke aspect. Het sympathieke duo bestaat niet uit doorgewinterde criminelen. Beiden zijn slachtoffer. Beiden zijn buiten hun schuld in financiële nood geraakt en voor beiden is geen sociaal vangnet beschikbaar om de nood te lenigen. Hun daden zijn dan wel clandestien maar zijn daarnaast absoluut te begrijpen. Het duo blijft op die manier sympathiek. En om het duo ondanks hun criminele activiteiten nog sympathieker te maken, verzint de scenarist dat de baas van het warenhuis een enorme smeerlap is. Iemand die het verdient om beroofd te worden.
De scènes die zich met de overval bezighouden zijn leuk om te zien en soms zelfs grappig. Het romantische element is meer iets dat blijkbaar in een kerstfilm gedrukt moet worden. De romantische interactie is niet heel overtuigend. Erg vermeldenswaardig is dit element derhalve niet. De interactie als partners in crime vergaat de twee hoofdrolspelers beter. Die is dynamisch en grappig.
Jingle Bell Heist is een vermakelijke film die zich enigszins onderscheidt van de standaard romantische kerstkomedie door zijn criminele elementen en door de maatschappijkritiek waarmee hier en daar gestrooid wordt. Voor de kijker die kerstgevoelig geraakt wil worden, is het raadzaam een conventionelere kerstfilm uit te zoeken.
Mitrailleurvuur, ontploffingen en overal puin. Bij het gevecht om de Bretonse havenstad Saint Malo rent Lee voor haar leven. Lee draagt een helm en een uniform maar heeft geen geweer in de hand. Het enige wapen dat ze draagt is haar camera. Plots een enorme knal. De drukgolf slingert Lee op de grond. Een Amerikaanse soldaat trekt haar net op tijd weg uit de gevarenzone. De openingsscène zegt veel over Lee Miller. Lee Miller is geen vrouw die zich de wet laat voorschrijven. Ze volgt haar egen wet. Lee wil met haar camera de waarheid verkondigen. Dat is haar wet. Voor die wet moet alles wijken.
De film vertelt over Lee’s belevenissen tot het jaar 1945. Een film naar het boek van Lee's zoon Antony Penrose. Een film over een vrouw die met haar foto’s de waarheid wilde weergeven. Zonder concessies. Binnen een raamvertelling in de vorm van een interview, komen haar belevenissen als terugblikken voorbij. De film is geheel rond hoofdrolspeelster Kate Winslet gecentreerd. Alles dat de film laat zien, wordt getoond vanuit haar perspectief. Het perspectief van een trotse, koppige, vrijgevochten vrouw die zich inzet voor menselijke waarden. Ook een vrouw die wordt geplaagd door innerlijke demonen.
Prima rol van Winslet die haar personage voorziet van onuitputtelijke energie en daarin tegelijkertijd innerlijke twijfel weet te passen. Achter charisma en strijdlust houden zich emotionele wonden verborgen. Winslet weet het met uitstekend acteerwerk tot uiting te brengen. De film drijft op haar sterke persoonsverbeelding van Lee Miller. Zij doet dat onder de vaardige regie van regisseur Ellen Kuras. Kuras die de film ensceneert zoals een historisch drama meestal wordt geënsceneerd. Een film dus die stilistisch goed in elkaar zit en veel episch beeldmateriaal bevat. Naar mijn mening was de film soms zelfs iets te fraai uitgedost. Soms kreeg ik de indruk dat de visuele pracht verhinderde dat het diepe leed en de barre ellende van de oorlog onvoldoende werd geaccentueerd. Zo fraai en episch was het allemaal niet in WOII.
Tot slot nog even de muziek noemen, die nogal melodramatisch van aard is en zich op de geijkte momenten op Hollywoodse wijze wel wat prominent op de voorgrond manifesteert. Neemt niet weg dat Lee een fijne conventionele biopic is over een fascinerende vrouw die door Kate Winslet uitstekend wordt gespeeld. Prima film.
Champagne Problems is geen opzienbarende film. Een romantische komedie in kerstsferen tegen de achtergrond van een champagne wijngaard. Een standaard romantische komedie met voorspelbare ontwikkelingen en uiteraard met een feelgood einde.
Het verblijf op het landgoed waar vier potentiële kopers strijden om de overname van het wijnhuis levert hier en daar een aardige scène op. Meestal echter niet. In een mooi decor dat luxe en kerstsfeer uitstraalt, vinden onderlinge haat en nijd, familiale problematiek en liefdesperikelen onderdak. Het gedoe is nooit echt interessant maar verveelt daarentegen ook niet. Net niet.
De humor is vooral gebaseerd op clichés van culturele aard. Zo zijn de Fransen fijnbesnaard. De Amerikanen barbaars en bedient de Duitse gegadigde zich om de haverklap van spreekwoorden waarin het woord Wurst voorkomt. Erg grappig is het allemaal niet. Ook op het romantische vlak passeert een reeks voorspelbare gebeurtenissen en is de afloop gemakkelijk te raden. Er is niets in de film dat van Champagne Problems een meer dan matige film maakt.
Visuele kunsten als de schilderkunst, de fotografie en de filmkunst slagen erin de tijd vast te houden die is vergleden maar niet is vergeten. De kunstvormen slagen erin om de herinnering levend te houden. Ze slagen erin om aan (op het eerste gezicht) alledaagse beelden een waardevolle betekenis te geven vanwege de herinnering die eraan kleeft. De Roemeense filmmaker Andrei Ujică omringt in zijn film TWST (Things We Said Today) middels vrij alledaags filmmateriaal een markant gebeuren in de tijd (zijnde het optreden van de Beatles in New York in 1965) met maatschappelijke veranderingen en herinneringen.
De documentaireachtige film is een soort tijdscapsule waaraan Ujică meer dan tien jaar werkte. Met de heisa van het concert van de Beatles als uitgangspunt, creëert hij een portret van een tijd die op het punt staat te veranderen. TWST is een film over de politieke, sociale en culturele teneur in het jaar 1965 en is terzelfder tijd een overdenking van de vergankelijkheid van de tijd en de herinneringen die blijven. De film volgt de belevingen van twee tieners die in archiefmateriaal zijn getekend en de beelden becommentariëren. Aldus ontstaat een tijdsbeeld van 1965 en tegelijkertijd ontstaat het persoonlijke verhaal van de twee vertellers.
Door de archiefbeelden en vanuit het perspectief van de twee vertellende tieners beleeft de kijker niet alleen de heisa rondom de bekende band, maar proeft hij ook de sfeer in de wijk Harlem, bezoekt hij de Bronx en beleeft hij in Los Angeles de rellen in de wijk Watts. Vanuit het perspectief van de twee tieners krijgt de kijker een inkijk in de actualiteit van 1965 en kan hij zich verbazen over de massahysterie rond een popgroep en in contrast daarmee de verpletterende sociale realiteit die zich van die belachelijke massahysterie niets aantrekt en ongenadig zijn stempel drukt.
Het persoonlijke geheugen mengt zich met het collectieve geheugen. Andrei Ujică vangt de geluiden van een vergane tijd en confronteert de kijker met culturele, politieke en sociale spanningen die veranderingen inluiden. Hij vertelt zijn beschouwingen in een stilistisch aansprekende stijl en wist mij behalve narratief te amuseren ook geschiedkundig te boeien.
Alternatieve titel: No Other Choice, 28 december 2025, 00:54 uur
De film baseert zich op de roman The Ax van de auteur Donald E. Westlake. De titel van de roman refereert aan de frase „to axe somebody“ wat betekent dat iemand wordt ontslagen. En daarom draait de film. Om ontslag. En hangende daaraan hoe een ontslagen manager na anderhalf jaar van werkloosheid nog steeds geen nieuwe baan heeft gevonden en zo wanhopig wordt dat hij de werkzoekende concurrentie definitief wil neutraliseren.
Eojjeolsuga Eobsda is niet de eerste verfilming van de roman. De eerste is een Belgisch-Franse productie en heeft de titel Le Couperet (2005). Een filmhuisdrama waarin de protagonist koel en berekenend zijn moordlijst afwerkt. Eojjeolsuga Eobsda van de Zuid-Koreaanse regisseur Park Chan-wook kiest voor een sociaalkritische aanpak en sluit atmosferisch niet erg aan bij de Belgisch-Franse productie. Sociaalkritisch en atmosferisch ligt een vergelijking met een film als Gisaengchung (2019) veel meer voor de hand.
Park Chan-wook maakt een zwarthumoristische misdaadfilm. De moorden zijn niet koel en berekenend maar worden tamelijk slapstickachtig in beeld gebracht. Visueel ziet de film er trouwens goed uit. Het camerawerk baart beelden met een zekere intense lading die pleziert, ongemakkelijk maakt en overweldigt. Het verhaal heeft die uitwerkingen minder. Het verhaal dat in feite een compacte vertelling is, wordt door Chan-wook enorm uitgerekt. In de kantlijn gaat veel aandacht uit naar de dynamiek tussen protagonist Man-soo en zijn gezin. De aandacht daarvoor kreeg in mijn ogen teveel gewicht en gaat ten koste van de hoofdlijn die mij meer interesseerde.
Bij zijn eliminatiepogingen die andere gezinnen ontwrichten, komen bij Man-soo de overeenkomsten met zijn eigen situatie onvermijdelijk binnen. Die emotionele indrukken neemt hij mee in de manier waarop hij met zijn eigen gezinsleden omgaat. Dat levert in den beginne een aantal grappige en ontroerende scènes op. Op den duur verliezen dergelijke scènes echter hun kracht en is het grappige en emotionele er wel van af. Het voelt allemaal wat gladjes aan. Bovendien nemen die scènes aardig wat tijd in beslag waardoor de momenten van desinteresse in deze toch al lang uitgevallen film, toenemen.
Aileen Wuornos is waarschijnlijk de bekendste vrouwelijke seriemoordenaar. Over haar zijn verschillende documentaires gemaakt. Ook werd over haar een speelfilm gemaakt (Monster (2003)) waarin Charlize Theron bijna onherkenbaar de hoofdrol vertolkt. De vele aandacht die aan Aileen Wournos is besteed doet de vraag rijzen of een nieuwe documentaire meer dan 20 jaren na haar dood nu echt nodig is. “Niet echt”, is mijn antwoord na het bekijken van de documentaire. In de documentaire die veel archiefmateriaal bevat dat wordt aangevuld met wat interviews, komt geen onbekende informatie boven tafel.
Toch is de documentaire het bekijken waard. Regisseur Emily Turner concentreert zich niet heel erg op de moorden, maar hanteert een andere invalshoek. Turner reconstrueert het juridische proces van de inhechtenisneming tot de terechtstelling. Een juridisch proces dat zich jaren voortsleepte en waar de nodige vraagtekens bij geplaatst kunnen worden. Bekend terrein maar door de beklemende insteek interessant. In de documentaire zien we tevens de transformatie van Wuornos die zich in beginsel strijdbaar opstelt en zich in de loop van haar hechtenis heeft berust in haar lot en er zelfs naar uitkijkt. Haar veranderende persoonlijkheid wordt helder verbeeld in talrijke interviews met Wuornos en betrokkenen alsmede door opnamen van politieverhoren. Interessant om de transformatie van de strijdbare pool naar de berustende pool zo geaccentueerd te zien worden
Duidelijke antwoorden geeft de documentaire niet. De documentaire biedt echter wel interessante aanzetten tot overpeinzing. Aileen: Queen of the Serial Killers is in tegenstelling tot zijn titel een allesbehalve sensationele documentaire. De film werpt vragen op en doet in die zin meer dan het simpelweg neerzetten van het portret van een moordenares. De film biedt geen nieuwe informatie maar zet met zijn psychologische en (maatschappij)kritische invalshoek zeker interessante vraagtekens.
Goodbye June vertelt van een familiedrama dat zich ten tijde van de kerstperiode afspeelt. Is Goodbye June een kerstfilm? Niet per se. Het kerst-aspect is meer een kwestie van sfeer dan van werkelijk belang. In een film die zich rondom de kerst afspeelt, is het niet moeilijk om het verhaal met sentiment te kruiden, vermoed ik. Dat zal de reden zijn. Voor het feitelijke verhaal doet het er amper toe in welke periode het zich afspeelt. Goodbye June had zich evengoed in de midzomerse periode kunnen afspelen. De willekeur geldt ook voor de locatie van het gebeuren. Dat is ergens in Engeland. Je hoort het aan de spraak en ziet het aan een pubbezoek. Maar ook het geografische gegeven heeft amper betekenis. Voor het feitelijke verhaal doet het er niet toe. Het verhaal is een universeel verhaal dat zich op elk moment op elke plek in de wereld kan afspelen.
Het niet erg opzienbarende scenario is van de hand van Joe Anders. Geen bekende scenarist en geen scenario waar de filmproducenten voor in de rij staan, dacht ik af en toe tijdens het kijken. Merkwaardig dat zo’n weinig spectaculair verhaal verfilmd wordt. Merkwaardig dat de film beschikt over een spectaculaire cast. Merkwaardig dat deze middelmatige film het regiedebuut is van Kate Winslet. Na afloop las ik dat Joe Anders de zoon is van Kate Winslet en had ik een aha-erlebnis.
Goodbye June is geen goede film. De personages zijn nietszeggend of schromelijk overtrokken. Het verhaal is niet erg interessant, staat oppervlakkig stil bij spanningsvelden en stuitert daar vervolgens simpelweg overheen. Familiale kift die jarenlang voor onmin zorgt, wordt gemakkelijk overwonnen. En dan is er nog het sentiment dat tot in de verste uithoeken van het verhaal wordt opgezocht en kitscherig tevoorschijn komt. De kijker moet en zal ontroerd raken. In mijn geval lukte dat niet. Ik hield het zonder enige inspanning droog.
Hoewel van de acteurs niet gigantisch veel wordt gevraagd, zorgen ze er wel voor dat de personages soms net echte mensen zijn. En dat is knap gezien de weinig uitdagende tekening van de karakters. Niet iedereen is trouwen goed bezig. Ik vond Toni Collette en Andrea Riseborough weinig inspirerende acteerprestaties afleveren. De acteerprestaties van de andere castleden leveren af en toe een sterk dramatisch moment op, die de film het aankijken waard maakt. Maar goed, het prominente ensemble kan uiteindelijk ook niet verhullen dat de film inhoudelijk maar weinig heeft te bieden en gewoon geen goede film is.
Waar een vliegtuigongeval, een paar overlevenden en een nautische dreiging al niet goed voor zijn. Nou, voor een spannende film natuurlijk. Een film waarin een paar overlevenden uit alle macht nog langer willen overleven en de strijd aangaan met allerhande ongemak dat een langere overleving bemoeilijkt. No Way Up is een film die een aantal mensen in een benarde positie plaatst en die van de kijker verlangt dat hij zich verplaatst in de personages en volop meeleeft. Spannend, man!
Ach, het valt wel mee met de spanning. Om mee te leven is enige investering in de personages nodig. Daarin voorziet het scenario niet. Althans bijna niet. Het enige personage dat een beetje fundamentele achtergrond meekrijgt is hoofdpersonage Ava. De rest van de personages krijgt slechts flintertjes achtergrond mee. Net voldoende om iemand aardig of onaardig te vinden. Nu verwacht ik geen uitgebreide levensgeschiedenissen hoor, maar No Way Up maakt er zich wel heel gemakkelijk van af. Eigenlijk dient het decorum naast Ava slechts als opvulling en potentieel slachtoffer. Dat klopt ook met de spelregels in dergelijke spannende films die voorschrijven dat er doden vallen, een emotioneel moment is toegestaan en dat de held zwaar wordt beproefd en overeind blijft. De clichés kloppen.
Het uithangbord van de film prijst de haai aan als voornaamste oorzaak van spanning en sensatie. De filmposter en de wervende tagline laten er geen twijfel over bestaan dat de kijker heel wat actie te wachten staat. De kijker die op spannende actiescènes hoopt waarin vraatzuchtige haaien heftig tekeer gaan, wordt echter behoorlijk teleurgesteld. De film maakt zijn uithangbord niet waar. De meeste tijd kijken we naar een groep blatende mensen in een vliegtuig dat zich onder de waterspiegel bevindt. Heel spannend wordt die situatie niet uitgebuit. Het claustrofobische element komt visueel niet indringend over. Daarnaast is de voorspelbaarheid van de handeling groot. De meeste verwachtingen komen uit. Hoe saai.
No Way Up beloofde een aangename combinatie van rampenfilm en haaienfilm te gaan worden maar blijkt een matige productie te zijn die de verwachtingen die een spannende filmposter met wervende tekst wekt, niet weet waar te maken.
Het is toch wat. Zelfs na je laatste ademtocht word je nog geconfronteerd met aardse beslommeringen. Er moeten nog steeds existentiële beslissingen worden genomen. Reeds lang vergeten (mis)stappen uit het verleden blijken je na je dood nog steeds na te jagen. En verder ontkom je niet aan de frustratie van de bureaucratische molens, die in het hiernamaals ook heftig malen. In Eternity van regisseur en schrijver David Freyne zijn de personages na het uitblazen van de laatste adem niet vrij van zorgen maar moeten nog hele vervelende stappen nemen om hun definitieve positie te verwerven. De aftrap is leuk en fris.
In de eerste helft van de film gebruikt Freyne veel tijd om de regels zoals die in het hiernamaals gelden, op humoristische wijze uit te spelen. De humor en de entourage waarin het verhaal zich afspeelt, zijn best geinig. Dat verhaal stelt overigens niet veel voor. Eternity is in feite een ordinaire romantische komedie en richt zich op drie personages die na hun dood onderling nog iets te verhapstukken hebben. Een simpel verhaaltje over een vrouw en twee rivaliserende mannen die naar haar gunsten dingen. Wat zich tot een origineel liefdesverhaal zou kunnen ontplooien vanwege de metafysische mogelijkheden die in het hiernamaals voor het oprapen liggen, ontplooit zich uiteindelijk tot een tamelijk aards gebeuren. Beetje saai eigenlijk.
De frisse luchtige toon waar de film mee aftrapt, verandert in de loop van de film in een wat melodramatische toon. De aardige screwball-achtige dialogen maken steeds meer plaats voor melodramatisch gewauwel. En opeens is alle oorspronkelijkheid uit de film geveegd en stevent de film af op een einde dat de kijker verwacht en misschien wel wenst. Opeens is de feelgood definitief ingetreden. En zo ontpopt het beloftevol beginnende Eternity zich uiteindelijk tot een doodnormale aardse romantische komedie.
De nieuwe verfilming van het verhaal van Stephen King pakt het wat grootser aan dan de film met Arnold Scwarzenegger uit 1987. De nieuwe verfilming speelt zich niet meer af in een verlaten deel van de stad die als game zone dienst deed, maar breidt de zone uit naar de gehele stad. In de eerste film werd de jacht op een mens als vorm van entertainment bekritiseerd. In de nieuwe film wordt die boodschap ook afgegeven maar is de factor entertainment alsmede de afstomping van de kijker nog groter geworden door de toeschouwers als spotters van het doelwit actief te laten deelnemen. En uiteraard geeft regisseur Edgar Wright de fenomenen “fake nieuws” en “gemanipuleerde beeldspraak” een veel prominentere en allesbehalve subtiele plek.
Overdaad kills. Hoe grootser en prominenter, hoe overdrevener en willekeuriger. Het had allemaal wel wat minder gekund. Dat geldt voor de maatschappijkritiek die de kijker met de botte bijl door de strot wordt gedouwd. Dat geldt zeker voor de lengte van de film die echt geen 133 minuten nodig heeft om het verhaal van Ben Richards en zijn vlucht voor de jagers te vertellen. Minder van alles had ongetwijfeld een film opgeleverd die prettig to the point en veel vermakelijker zou zijn geweest.
Ondanks de irritaties is The Running Man toch nog een redelijk genietbare film. Verantwoordelijk daarvoor is vooral het acterende ensemble dat alleraardigste personages tot leven brengt. Allereerst natuurlijk Glen Powell als de onderkoelde en stoere Ben Richards. Maar ook Josh Brolin als cynische tv-producer, Michael Cera als enthousiaste rebel en Colman Domingo als flashy showmaster zijn het aanzien waard. Leuke personages waarbij de laatste drie vooral zorg dragen voor de luchtigheid en Powell vooral verantwoordelijk is voor de actie. Prima luchtigheid en prima actie in een film die veel te lang duurt, over het algemeen niet vervelend wegkijkt en die na afloop maar weinig blijvende indruk heeft gemaakt.
„You’re a cliche“, krast de vogelachtige belichaming van het diepe rouwgevoel dat vader Benedict Cumberbatch verteert nadat zijn vrouw is overleden en hij alleen achterblijft met zijn twee zoontjes. The Thing with Feathers is zowel een fabel als een fantasyverhaal als een familiedrama. En in welk genre je je ook bevindt, altijd staat onverbiddelijk het indringende gevoel van rouw centraal. Altijd dringt in elk aspect van het verhaal de zwarte sluier van de rouw door.
En die is niet alleen zichtbaar in het verdriet, de wanhoop en de somberheid die de vader met in zijn kielzog zijn zoontjes overspoelen. De zwarte sluier wordt ook symbolisch verbeeld door een bizar wezen dat in het huis van het rouwende gezin opduikt. Een antropomorfe versie van een kraai die de striptekenende vader schetst, komt tot leven. Hij wordt Crow genoemd. Een agressieve demonische verschijning. Een onaangename indringer die confronteert en uitdaagt. Een creatuur dat angst zaait. Een creatuur dat al snel wordt gehaat omdat het de rouwende vader niet laat wegzakken in zijn verdriet maar hem dwingt de strijd aan te gaan. Zijn confronterende aanwezigheid werkt therapeutisch zegt Crow, die de vader continu verwijtend, minachtend en dreigend aanspreekt. Visueel en akoestisch creëert de film een verstikkende atmosfeer. We kijken naar pure horror en beleven intens drama.
In zijn benadering anticipeert het creatuur op de geleidelijke normalisering van ‘Sad Dad’, wiens nachtmerries en angstaanjagende visioenen die zijn innerlijke wanhoop verbeelden, geleidelijk minder heftig worden. Wanneer de horrorelementen afnemen en het creatuur zich inschikkelijker opstelt, neemt ook het drama af. De sterke opening als psychologisch horrorverhaal waarin psychisch leed een demonische vorm aanneemt, expressieve beelden floreren en het sounddesignd verontrusting opwekt, ebt enigszins weg in een moralistisch sprookje. Als het wezen eenmaal getemd is, keert heel voorspelbaar de rust weder. “You’re a cliche”, zei Crow. Crow had gelijk.
Dolly het schaap was in 1996 de eerste kloon van een volwassen zoogdier. Een bijzondere gebeurtenis. In de film In Vitro is het klonen van zoogdieren niet meer bijzonder. Gekloon is in de wereld van de sciencefictionfilms een dankbaar onderwerp om de onvoorziene gevaren van het kopiëren van een levend wezen aan de orde te stellen. Vaak gebeurt dat in sciencefictionfilms van de actierijke soort. Neem films als The Island (2005) of Replicas (2018). In Vitro bespeelt hetzelfde thema maar doet het rustiger.
Het begint al vrij ongehaast als we het echtpaar Jack en Layla vergezellen bij hun alledaagse werkzaamheden op de veeboerderij. Wel hangt er meteen een onbehaaglijke sfeer in de film. Zo’n sfeer die aangeeft dat er iets niet in de haak is. De sfeer is het sterke punt van de film. De handeling is dat minder. Pas in de loop van de film neemt de activiteit toe en wordt het onbehagen met plastischer gebeurtenissen geïllustreerd. Verwacht daar overigens niet veel heisa van. Hoewel de opwinding iets toeneemt, blijft de film ook dan vooral een ongehaaste indruk maken.
Eigenlijk is In Vitro veel meer een relatiedrama dan een spannende scifi-thriller. In Vitro focust met name op de relatie van Jack en Layla. Dat die relatie onder druk staat is duidelijk. Daarvoor zijn woorden overbodig. De lichaamstaal zegt voldoende. Een sprekende scène is een scène waarin het echtpaar in bed ligt en de fysieke afstand miniem is maar de geestelijke afstand tussen beiden voelbaar groot is. Het zijn dergelijke rustige scènes die de boventoon voeren. De film is in de eerste plaats een karakterstudie die wordt gedragen door twee goede acteurs die erin slagen het menselijke aspect boven het scifi aspect te tillen.
De film barst dus niet van de actie en is niet erg spannend. Audiovisueel is de film echter prima verzorgt. Kille, wijdse beelden en een onheilspellend sounddesign wekken in de aardse setting van de handeling vervreemding en verontrusting op. Het ene moment bevindt de film zich in de nuchterheid van het aardse bestaan. Op het andere moment drijft de film juist weg van de alledaagsheid van het bestaan van Jack en Layla. Geslaagde sfeervolle manoeuvres, wat mij betreft,
In Vitro dus. Verwacht geen horror. Geen thriller. Verwacht een actiearm drama dat zich tegen een scifi achtergrond bezighoudt met een uit elkaar gegroeid stel. Verwacht een film die vooral vanwege de sfeer opvalt en niet vanwege de actie. Verwacht rust en traagheid. Met die verwachtingen zal de teleurstelling minder groot zijn of zelfs afwezig blijven. For the record: Ik was lichtelijk teleurgesteld.
Eigenlijk was regisseur en schrijver Osgood Perkins bezig om het zwarthumoristische verhaal The Monkey van Stephen King te verfilmen. Stakingsperikelen in Hollywood dwongen de productie van The Monkey tot stoppen. Dus draaide Perkins met een Canadese crew een tussendoortje. Dat werd Keepers waarin een stelletje een korte romantische vakantie doorbrengt in een afgelegen huisje in het bos.
Keepers is een kleine productie. Dat merk je meteen aan de setting. De film speelt zich bijna in zijn geheel af in het luxueuze buitenhuisje. Nu en dan werpt de camera een korte blik op het omringende bos en maakt een uitstapje naar een nabijgelegen beek. En dat is het wel. Weinig afwisseling dus. Daarbij komt ook nog dat een huisje in het bos wel vaker als locatie in een horrorfilm wordt gebruikt. Dan moet je als filmmaker wel met iets bijzonders komen om de aandacht vast te houden. Dat lukt redelijk goed als gevolg van het camerawerk. Er wordt vooral door wisselende perspectieven inventief met de beperkte ruimte omgegaan. Dat lukt eveneens redelijk door het vrouwelijke personage af en toe te laten verdwijnen in een visioen zodat een nachtmerrieachtige en creepy atmosfeer ontstaat die nog eens wordt versterkt door een sounddesign met een omineuze werking.
De omlijsting zorgt voor een fijn creepy fundament. Des te jammer dat de film een groot manco heeft. En dat is de inhoud. In het begin denk je nog dat het stelletje een conflict heeft. Het gedragspatroon en de gesprekstoon tussen beiden zijn nogal gespannen. Mij werd niet duidelijk waarom dat zo was. Het lijkt van belang te zijn maar het verhaal borduurt er niet op voort. Als in de loop van de film de mannelijke helft van het stelletje vanwege beroepsmatige verplichtingen een tijdje weg is en de vrouw alleen achterblijft, speelt die onderlinge gespannenheid geen enkele rol meer. Dus waarom al die moeite. Merkwaardig.
Hier en daar wordt de kijker vagelijk iets gewaar over een geschiedenis die met het huis en zijn omgeving is verbonden. Het blijft echter zo vaag dat ik er een beetje geïrriteerd door raakte. “Vertel iets meer. Dan weet ik of ik er iets mee moet. Of breng het niet ter sprake”, dacht ik steeds. Pas aan het einde wordt het opeens veel concreter en blijkt de vage geschiedenis wel van belang te zijn. Iets meer concretisering in de loop van de film had van mij gemogen. Dat had de betrokkenheid bij het verhaal en bij de personages goed gedaan. De ontsluiting van het verhaal vond ik overigens tamelijk armoedig.
Keeper maakt indruk met zijn onheilspellende sfeer. Audiovisueel dik in orde. Verder brengt de film weinig. Een enkele scène zet je even rechtop in je stoel. En het einde is redelijk boeiend als er nog wat horrorwaardige beelden zijn te zien. Grote delen van de film zijn echter behoorlijk saai. Keeper kun je met recht een tussendoortje van Osgood Perkins noemen.
Een romantische komedie in kerstsferen. Een kerstklassieker zal de film hoogstwaarschijnlijk niet worden. Een man en een vrouw voelen zich tot elkaar aangetrokken. Uiteraard liggen er allerhande hindernissen op de weg die naar de liefde voert. De belangrijkste hindernis is wel dat de vrouw zich als (kerst)man voordoet en de potentiële geliefde de baas is van het resort waar de kerstman in dienst is. Hoe spannend.
De humor die vooral voortkomt uit de pijnlijke situaties waarin de verklede vrouw terechtkomt, is fantasieloos. Niet grappig. Dat de kerstman overduidelijk een vrouw is die zich als man voordoet, wordt vreemd genoeg door geen van de personages opgemerkt. Die onnozelheid past natuurlijk perfect in het verhaal en in de zoete sfeer die de film omringt. De film is vooral dat. Zoet, bedoel ik. Ik schrik dan ook van een paar scènes waarin de gecompliceerde verhouding ouder-tiener ter sprake komt. De film lijkt daar opeens iets dieper te willen graven. Lijkt iets van zijn zoetheid te willen prijsgeven. Oh nee, toch niet. Mijn schrik is ongegrond. Er volgt na elke scène gewoon een clichématige afhandeling die alles oplost. De afhandeling tast de zoete sfeer niet aan. Het leven is en blijft simpel.
Ach, de film is niet slechter dan de meeste andere films die zich als een romantische komedie in kerstsferen afficheren. De inhoud stelt niets voor. Het verloop is op voorhand al uit te tekenen. De personages zijn plat en sympathiek. Of zijn plat en een beetje onsympathiek, maar worden sympathiek als ze worden geraakt door de zoete kerstsfeer.
Het hoogtepunt van de film komt tegen het einde. Aan het slot speelt de vrouw nog een stukje rock 'n roll op de gitaar waarbij zij overduidelijk niet echt de gitaar hanteert. Ach, heb ik toch nog even gelachen.
De verfilming van Guillermo del Toro van Mary Shelley’s klassieke werk Frankenstein; or, The Modern Prometheus. Het verhaal van een man (Victor Frankenstein) die de dood wil overwinnen en uit lichaamsdelen van gestorvenen een onsterfelijk creatuur schept. Een film in twee delen, zou je kunnen zeggen. De film begint met het verhaal vanuit het perspectief van Victor Frankenstein en voegt daar later het vertelperspectief vanuit het monster aan toe.
Goeie film. Zeker. Er is veel aan de film dat bewondering verdient. Optisch bijvoorbeeld. De kunstzinnig vormgegeven settings zijn ongeëvenaard mooi. Of we ons in een vervallen toren bevinden, in het luxueuze huis van de familie Frankenstein of in de ijzige hel van het arctische gebied (dat overigens de locatie is van waaruit het verhaal wordt verteld), het ziet er allemaal grandioos uit. Dat daarbij geen enkele setting er als iets uitziet dat werkelijk bestaat, doet er niet toe. Dat surrealistische aspect verwacht je bij del Toro. De fantasievolle landschappen, gebouwen en interieurs verfraaien de film. Des te jammer dat een roedel wolven van duidelijk digitale oorsprong door de fraaie beelden springt en de fijne magie enigsziens wegneemt.
In de film maakt del Toro er geen geheim van dat het ware monster niet het creatuur is, maar zijn maker Victor Frankenstein. Dat feit is niet verrassend. Het totale gebrek aan raffinement dat del Toro hanteert om dat punt te maken, verraste me wel. Het personage Victor Frankenstein is behoorlijk rechtlijnig in zijn denken en doen. Om de dood te overwinnen en het creatuur te maken, dat hij vervolgens als een monster behandelt, gaat hij letterlijk over lijken. In het personage zit geen geweten en amper enige relativering verborgen. Het is niet erg uitdagend om hem als het ware monster te zien. In de verteller Victor Frankenstein, die een deel van het verhaal voor zijn rekening neemt, komen de vraagtekens bij zijn gedrag wel naar voren. Frankenstein de verteller heeft weinig gemeen met Frankenstein de perfide wetenschapper. De film laat de zelfreflecterende ontwikkeling van het personage helaas niet gedegen zien. Jammer. De verteller vond ik een interessantere versie van Victor Frankenstein.
De film neemt veel tijd om de personages te introduceren. Dat geldt ook voor het verhaal dat gedetailleerd wordt verteld en de kans krijgt om langzaam te gedijen. De weg naar het gedijen had wat mij betreft soms iets vlotter gemogen. Haaks daarop staat het einde. Een kitscherig einde dat veel te gehaast en daardoor weinig gefundeerd veranderingen in het denken en gedrag van de personages laat zien. De allesbepalende confrontatie en de persoonlijke gevolgen daarvan hadden eenzelfde gedetailleerde uiteenzetting verdient als de aanloop ernaartoe.
Neemt niet weg dat de film een prachtige film is. Naast het intrigerende verhaal en het fantastische setdesign, is de goede cast daarvoor verantwoordelijk. Oscar Isaac is uitstekend gecast als de megalomane wetenschapper die charisma, arrogantie, genialiteit en tragiek in zich herbergt. Jacob Elordi is het creatuur. Erg goed, vond ik hem. Afschrikwekkend, wanhopig, terneergeslagen en behalve monsterlijk ook menselijk. Prima acteerwerk ook van de rest van de cast met bekende namen als Mia Goth, Christoph Waltz en Charles Dance. Ja, Frankenstein is een goeie film.
Alternatieve titel: Woodland, 14 december 2025, 04:44 uur
De setting is een dunbevolkte bos- en heuvelrijke streek in het noorden van Oostenrijk. De ideale streek voor iemand om de drukte van de stad en de stress van alledag te ontvluchten. Een idyllisch oord om in bij te komen. In het psychodrama Wald doet Marian na een traumatische ervaring een poging. Ze doet dat in het vervallen huis van haar overleden grootouders. Ze is bekend met de omgeving. Bekend met het koppige volk dat in de streek woont. Marian, een gerenommeerd journalist, hoopt in de streek waar ze is opgegroeid datgene te vinden dat ze nodig heeft om haar leven weer op orde te krijgen. Haar lijdensweg komt tot de kijker zonder sprankelende dialogen, met sprekende beelden en met uitstekend acteerwerk.
Het huis waarin ze haar toevlucht neemt, is een bouwval, is gelegen aan de rand van een dicht bos en ligt op tien kilometer afstand van het dorp. Een oude vervallen boerderij zonder stroom, met een muf interieur en een lekkend dak. Ontdaan van alle gemakken zoekt Marian de geborgenheid van vroeger. Dat valt niet mee als de mensen die zorg droegen voor die geborgenheid er niet meer zijn of zich vijandig gedragen. Haar jeugdvriendin Gerti bijvoorbeeld die haar als een verraderlijke levensgenieter beschouwt omdat Marian destijds na de dood van haar moeder zonder uitleg uit beeld verdween. Het is voor Marian de kunst om de muur van vijandige afwijzing die Gerti heeft opgetrokken, af te breken.
Regisseur en schrijver Elisabeth Scharang brengt het karakter van het dorp en zijn omgeving tot uiting in de microkosmos van de plaatselijke kroeg met zijn sjofele uitstraling. Een etablissement waar de lucht is vergeven van de geur van alcohol, tabak en simpel eten en de bevooroordeelde bezoekers zich argwanend en vijandig tegen Marian gedragen. Erg bekrompen. Erg beklemmend. Ook de kroeg is geen prettig toevluchtsoord voor Marian. Nee, Wald is geen vrolijk makend homecoming-drama. Er wordt een hoop depressiviteit over de kijker uitgestrooid.
De tijd verstrijkt. Het is herfst. Het is winter. De dagen worden korter. Tegen de avond trekt de nevel over het land. De sneeuw valt onbarmhartig naar beneden. Het donkere woud kijkt toe. Het landschap, het ingekapselde verleden en het trauma zorgen tezamen voor een onbehaaglijke sfeer. Het is koud, kil, nat en somber. Tegen dergelijke indringende somberheid zijn zelfs de zomers gekleurde jeugdherinneringen die bij Marian onherroepelijk naar boven borrelen, niet gewassen. In het heden staan het dorp en de streek eromheen veraf van idyllisch gekleurde herinneringen.
En juist op het moment dat ik mij wil overgeven aan een depressie worden voorzichtig optimistische aspecten aan het verhaal toegevoegd. In een (nog steeds) ongemakkelijk verhaal daagt het besef dat vriendschappen die eens waren, er wellicht nog steeds zijn. Gelukkig maar. Dat brokje optimisme had ik even nodig.
In Die My Love plaatst regisseur en coauteur Lynne Ramsay de jonge moeder Grace met haar man in het leegstaande huis van zijn gestorven oom in een landelijk deel van de Verenigde Staten. Grace is niet tevreden. Ze wil zich niet voegen in de rol van de stereotypische huisvrouw, die kind en huis verzorgt en wacht tot haar geldverdienende man thuiskomt om te eten van een door haar met liefde bereide maaltijd. Toch moet het. Ze verveelt zich. Ze vindt het verschrikkelijk om zich elke dag maar weer in het monotone ritme van het huishouden te storten.
Bovenstaande geeft in een notendop aan waarover de film gaat. De film laat dan ook met name Jennifer Lawrence (de vertolker van Grace) zien die van Ramsay op diverse manieren haar symptomen van verveling en lusteloosheid mag uitbeelden. Ach, verveling en een lusteloos gevoel. Daarvan heeft iedereen wel eens last. Zo’n tijdelijk moment dat je even nergens zin in hebt en daar niet over heen kunt stappen. Het is dan ook in beginsel best interessant om verveling en lusteloosheid bij een ander te aanschouwen. Als het maar niet te lang duurt. Het vervelende is dat Lawrence er niet mee stopt en zich een hele film lang verveelt en lusteloos is. Het liefst toont ze haar onvrede door zich als een dier op vier poten in het kniehoge gras voor het huis voort te bewegen. Ze komt daarbij niet verveeld, lusteloos of depressief over. Eerder als gestoord. Lawrence krijgt in ieder geval de mogelijkheid om zich heerlijk ongeremd te uiten.
Robert Pattinson kijkt het gelaten aan. Hij is in beeld aanwezig. Als personage is hij echter opvallend afwezig. Het is alsof hij zich er op voorhand al bij neerlegt dat tegen de bijna overdreven bezieling van Lawrence geen kruid is gewassen. Het is steeds weer de instabiele Lawrence die kinderlijk, overprikkeld en opstandig de lakens uitdeelt. Op een gegeven moment wordt het zelfs wat saai. Vooral omdat de film achter al dat opvallende gedrag niet veel heeft te vertellen. Op zich interessant om een psychologische analyse te verpakken in een thriller. Psychose versus suspense. Spannend en intrigerend. In Die My Love ontbreekt helaas de suspense.
Alternatieve titel: National Anthem, 14 december 2025, 00:01 uur
In Americana komen verschillende groepen mensen met verschillende intenties samen. Zo zijn daar criminelen, is er een onwaarschijnlijk duo, is er de vriendin op de vlucht, is er een merkwaardig gezin en zijn daar de oorspronkelijke Amerikaanse bewoners, aangevoerd door ene Ghost Eye. En tenslotte is er ook nog de zoon van de vriendin die denkt een reïncarnatie van Sitting Bull te zijn. Allen raken betrokken bij de strijd om een hemd. Niet zomaar een hemd. Een hemd dat in Indiaanse rituelen werd gebruikt, grote symbolische waarde heeft en uiteraard veel geld waard is.
Dat klinkt chaotisch en is het ook. Dat klinkt grappig. En dat is het ook. Nou ja, een beetje grappig is het zeker. De film is in een aantal hoofdstukken ingedeeld. In ieder hoofdstuk staat steeds een ander personage of groep personages centraal. Ieder hoofdstuk heeft zo zijn eigen perspectief op de gebeurtenissen. Van een chronologische volgorde in de gebeurtenissen is niet echt sprake. Het verhaal springt veelvuldig heen en weer in de tijd voordat alles en iedereen in een grote showdown tezamen komt. De structuur van de film garandeert dynamiek en kijkt prettig weg. Een nadeel vond ik dat de personages als gevolg hiervan aan de oppervlakkige kant bleven. Van sommige personages had ik best meer willen weten. Net als ik dacht “hm, interessant”, wipte de film over naar een ander hoofdstuk en naar een ander blikveld.
De film is mooi geschoten. Visueel aantrekkelijk. Mooie plaatjes. Het acteerwerk is goed. De personages zijn wat overtrokken geschetst en uiten zich veelal in coole oneliners. Ik hou daar wel van. Het is alleen moeilijk om in het verhaal ondergedompeld te raken. Daarvoor is het te springerig. Te fragmentarisch. Leuke ideeën. Leuke verhaallijnen. De onderlinge samenhang laat echter te wensen over. Op een of andere manier sluiten de dingen niet prettig op elkaar aan. De film is geen mooi rond geheel. Ik heb me er uiteindelijk maar bij neergelegd en vond Americana geen onaardige film.
Op zich al verfrissend om in de grote hoop kerstfilms die aan het eind van het jaar weer zijn uitgebracht, eens niet een romantische komedie tegen te komen. Oh. What. Fun. is een familiekomedie, zou je kunnen zeggen. De film gaat over een familie die gezamenlijk de feestdagen doorbrengt, wat onderlinge vrijvinkjes heeft en waarvan de leden ook nog eens eigen probleempjes hebben. De meeste wrijving komt voort uit het feit dat men niet echt met elkaar praat, niet echt naar elkaar luistert en men dus ook nooit weet waar bij de ander de schoen wringt.
In het middelpunt van het verhaal staat de moederfiguur Claire gespeeld door Michelle Pfeiffer. Samen met haar man ontvangt zij haar kinderen en hun aanhang die van heinde en ver het ouderlijk huis bezoeken om daar de feestdagen door te brengen. De thematische aanzet van de film is nobel. De aanzet bestaat eruit dat mensen vaak iets als vanzelfsprekend aannemen maar vergeten dat daar een inspanning aan vooraf gaat. In deze film is het Claire die de organisatie van het perfecte familiefeest in handen heeft, maar daarvoor amper dankbaarheid ontvangt. Dat zij zelf amper luistert naar de behoeften en verhalen van anderen, zorgt voor wat familiale onderhuidse spanning. En zo kan de film zich ontwikkelen tot een typische kerstfilm waarin verzoenende klanken op de loer liggen en de kijker de mogelijkheid heeft om ontroerd te raken en om die ontroering weg te lachen met behulp van allerhande komische verwikkelingen. Een lach en een traan. Zo hoort een kerstfilm te zijn.
De ontroering wordt vooral met sentiment opgewekt. In een kerstfilm die je over het algemeen met een bepaalde goedwillende instelling bekijkt, werkt dat meestal wel. Hier is dat ook het geval. Met de humor had ik meer moeite. Eigenlijk vond ik bijna niets echt grappig. Het spelende ensemble doet het prima. Met name de momenten met Michelle Pfeiffer brengen wat vuur in de film. Over het algemeen heeft de film daar te weinig van. Uiteindelijk is Oh. What. Fun. niet heel bijzonder. Vanwege het goed spelende ensemble verdient de film toch wel een iets hogere waardering dan de standaard romcom-kerstfilm.
Door wijd geopende ramen schalt de muziek van Adams’ moeder over de binnenplaats van het Berlijnse appartementencomplex waar Adam woont. Door de heftige trillingen die het gestamp van de bassen veroorzaken, voelt hij zich met zijn moeder verbonden. Verder liggen de werelden van de dove Adam en de technomuzikante ver uit elkaar. Zijn moeder ligt in het ziekenhuis. Comateus. Door de verdovende middelen, zegt men. Adam is alleen. Zijn leven staat in het teken van de wens van zijn moeder die ooit heeft uitgesproken niet meer te willen leven als ze als kasplantje moet eindigen. Een film die beloftevol intrigerend de strijd aangaat met thema’s als stervensbegeleiding, euthanasie en eenzaamheid, zo was mijn gedachtegang. Dat viel erg tegen.
Adam is een vervelende film. De film knoopt op zielloze wijze gebeurtenisjes uit het dagelijkse leven van het hoofdpersonage aan elkaar. Het leven van Adam draait heel monotoon steeds om dezelfde dingen. Soep uit een zakje, baden en seks. In de creatievere momenten waagt de regisseur het om deze drie existentiële bestanddelen met elkaar te combineren. Soep uit een zakje in bad. Seksuele fantasieën na het nuttigen van soep uit een pakje. De zakjes met soep duiken overal op. De fabrikant zal de film wel sponseren, dacht ik steeds.
Al die creativiteit wordt met de handheld gefilmd en dat gebeurt bepaald niet fijnzinnig. De grove amateurbeelden missen elke zeggingskracht. Af en toe zien we tussendoor nog wat achteloos geschoten beelden van Berlijn waarvan de context een raadsel is. Kortom, de cinematografische kwaliteit is bagger.
De beloofde thematiek wordt lichtjes aangeroerd. Persoonlijke en sociale consequenties voor Adam worden amper uitgelicht. Er worden problemen opgeworpen (Adam moet zijn woning uit, zijn moeder wil dood, Adam heeft geen werk en geen geld enz.) maar niet onderzocht. Problemen worden benoemd en de film bemoeit zich er verder niet mee. Het hoofdpersonage zou onder enorme stress gebukt moeten gaan. Een enorme lijdensweg zou zichtbaar moeten zijn. Niets daarvan. De enige persoon die hevig lijdt is de kijker.
De film is een voortzetting van het verhaal dat in het eerste deel werd verteld. Het is interessant om te zien hoe de beide verhalen in elkaar grijpen. Verder is de film goed geënsceneerd en beschikt over een prima onheilspellende sfeer. Een bijna verlaten jeugdkamp waar barre winterse omstandigheden de toon zetten, vormt een fijne naargeestige setting. Laat The Grabber maar komen.
Waar het in het eerste deel vooral draaide om het personage Finney die werd ontvoerd, draait het in deze film nadrukkelijker om zijn zusje Gwen. Geplaagd door nachtmerries die een connectie met The Grabber aanduiden, wordt zij langzamerhand steeds meer de spil waar het verhaal om draait. Haar nachtmerries zijn spannend gevisualiseerd. Visueel zit het met de film sowieso wel goed. Vooral de beelden met een zwakke contrastwerking, een lichtkorrelige kwaliteit en bijpassende ouderwetse ruis in het sounddesign geven het heerlijk gevoel dat je je in een horrorfilm uit het pre-digitale tijdperk bevindt. Ook noemenswaardig zijn de lange shots die de sfeer de tijd gunnen om zich duister te wortelen.
Regisseur Scott Derickson laat het verhaal langzaam garen. Hij legt eerst een verontrustend fundament door de personages en hun psychische problemen te introduceren en plaatst hen vervolgens in de zeer onvriendelijke setting waaruit zij vanwege het winterse weer niet kunnen ontsnappen. In die beklemmende situatie kan de horror in het tweede deel van de film lekker losgaan. Op weg naar een finale die misschien wat voorspelbaar is, maar ook prettig hectisch en spannend.
Black Phone II is een goede horrorfilm. Eindelijk weer eens een tweede deel dat niet teleurstelt en met gemak aan het goede eerste deel kan tippen. Montage, regie, setdesign, sounddesign en acteerwerk zijn uitstekend verzorgd. Dat geldt ook voor het kwaad. Een horrorfilm staat of valt meestal door de vormgeving van het kwaad. Is de duistere macht die onheil veroorzaakt in staat de kijker een angstig of verontrustend gevoel te geven? In het geval van Black Phone II luidt het antwoord op die vraag: ja!
De titel is een verouderd woord voor een verwaarloosd kind. Het woord was nogal in zwang in de periode dat Charles Dickens leefde, zo las ik. De titel van de film slaat op hoofdpersoon Mike die soms bewonderenswaardig doelgericht en soms hopeloos verloren, probeert zich staande te houden. Mike de onevenwichtige, die richtingen inslaat die soms intentioneel goed en soms intentioneel fout zijn. Hij bevindt zich op een spoor dat niet stabiel is en het gevoel overheerst dat hij elk moment definitief zal afglijden in de ellende.
Urchin is een veelbelovend regiedebuut van Harris Dickinson. Hard, authentiek en indrukwekkend. De film schetst het alledaagse leven van iemand die op straat leeft, afhankelijk is van instanties en met bedelen en het plegen van kleine delicten in zijn onderhoud voorziet. De camera vangt zijn leven in zowel poëtische als harde beelden en creëert aldus een intieme atmosfeer waarin Mike’s fragiele levenswandel op een niet-opdringerige manier in beeld wordt gebracht. Goed acteerwerk van Frank Dillane die zijn personage met subtiele lichaamstaal uitrust, versterkt die sfeer van intimiteit nog eens. Nuchtere en soms tragikomische dialogen alsmede het obstinate gedrag van Mike doorbreken om de zoveel tijd de sfeer van intieme rust zodat de kijker evenals Mike waakzaam blijft en de vergankelijkheid van stabililiteit en rust ervaart.
In dromen ziet Mike zich in een met mos begroeide grot. Een uitdrukking van zijn verlangen naar geborgenheid. Een geborgenheid waarvan hij in zijn ongenadige bestaan ver is verwijderd. Om te overleven moet hij sluw en gewetenloos zijn en is kwetsbaarheid uit den boze. Zijn sluwheid en gewetenloosheid helpen hem weliswaar te overleven maar hebben een keerzijde. Die gedragskenmerken bezorgen hem een korte gevangenisstraf. Na de gevangenis wacht hem een geëngageerde sociaal werker en lijkt het zowaar met Mike de goede kant op te gaan. Uiteraard dagen er vervolgens verleidingen op en is het de vraag of hij die kan weerstaan.
Urchin geeft een ruw portret van een marginaal bestaan in de stad Londen en doorbreekt de rauwe werkelijkheid met momenten van emotionele diepgang. De setting in een armoedig aangekleed en hardvochtig Londen sluit goed aan bij de psychologische gesteldheid van de hoofdpersoon. Urchin maakt indruk door de onvolmaaktheid van het alles te tonen. In een fijn gladgestreken drama met een hoog feelgood-gehalte zou het verhaal van Mike niet zo’n diepe indruk hebben achtergelaten.
Man Finds Tape is found footage en een mystery-thriller. De film voldoet aan de formele conventies die een found footage-film kenmerken. Je weet wel. 'Gevonden beeldmateriaal van amteuristische makelij, onvast camerawerk, naturalistisch acteerwerk. Kortom, er is niets verrassends aan.
Man Finds Tape is geen interessante film. Eerder een doorzichtige en gemakzuchtige film. Veel beelden berusten op teveel toeval. De camera is steeds net toevallig daar waar het gebeurt. Het komt nogal gekunsteld over. Maar als je je daar enigszins overheen zet dan ontwaar je tussen die gekunsteld aandoende scènes ook een film die goede momenten heeft. De film slaagt er bijvoorbeeld prima in om op een vrij naturelle manier het surrealistische met het alledaagse te verweven.
Het verhaal is tamelijk vaag en zorgt voor een mysterieuze atmosfeer. Niet alle gebeurtenissen worden eenduidig verklaard. Sommige gebeurtenissen zijn voor meerdere uitleg vatbaar. En voilà, er is schimmigheid en mysterie. De film houdt zich met deze gimmicks tot aan het laatste halve uur redelijk staande. Daarna worden scènes uitgerekt alsof de finale anders te snel zou plaatsvinden. De spanning neemt af. In de finale keert de belangstelling gelukkig weer terug. In plaats van bombastisch te keer te gaan of de kijker te overstelpen met verrassingen, is de finale juist prettig terughoudend. Goed passend bij een film die niet eindeloos aan het verklaren is.
In Man Finds Tape worden niet alle mysteriën verklaard. Een groot raadsel blijft zelfs bewust een groot raadsel. Ook dat past bij de wat mistige toon van de film. De kijker die antwoorden verwacht zal teleurgesteld zijn. Man Finds Tape is een film die sterke beklemmende momenten heeft en is tegelijkertijd een film die bewust de vaagheid koestert en te vaak verzandt in onnodige langgerektheid. Ik had na afloop een mwah-gevoel.
De film opent met een citaat van schrijfster Sylvia Plath. Een citaat dat je als het motto van de film kunt beschouwen. “It’s a hell of a responsibility to be yourself. It’s much easier to be somebody else or nobody at all.” De uitspraak geeft goed de strijd weer die acteur Jay Kelly met zichzelf uitvecht. Zijn innerlijke gevecht om zichzelf los van zijn rollen te definiëren. Door zich altijd maar te verschuilen achter een karakter lijkt hij zichzelf te zijn kwijt geraakt en slaagt hij er eigenlijk nooit in zijn innerlijke gevoelsleven bloot te geven. Een moeilijk gevecht dat een serieuze aanpak vereist. Echter, de nonchalance waarmee hij de strijd met zichzelf aangaat, maakt dat je de poging en daarmee het personage Jay Kelly nooit serieus neemt. Het maakt ook dat het op zijn minst erg lastig is om met hem te sympathiseren.
Het citaat wordt door Jay Kelly uitgesproken in de slotscène van zijn laatste film. Nadat de laatste scène is opgenomen belandt de acteur eerst in een emotioneel gat. Een aantal gebeurtenissen en de openbaring van een aantal verdrongen herinneringen maken dat hij inziet dat hij een groot deel van het leven van zijn jongste dochter heeft gemist. De dochter maakt voor zij gaat studeren een rondreis door Europa en Jay Kelly besluit haar in een soort wanhopige opwelling te volgen. Regisseur en schrijver Baumbach laat Jay Kelly en zijn entourage per trein door Frankrijk en Italië reizen. De trein passeert diverse uitheemse stations die toevallig meteen ook diverse stations in Jay Kelly’s leven markeren. Het zijn flashbacks die iets te gemakkelijk voortkomen uit of corresponderen met de gebeurtenissen tijdens de reis.
De reis dient tevens om een wereld dichterbij te brengen waarmee de acteur al decennialang geen contact heeft gehad. De gewone wereld. De wereld waarin zijn fans vertoeven. Heel geestdriftig treedt de acteur in contact met de treinreizigers die enigszins ontdaan zijn door de aanwezigheid van de wereldberoemde acteur die zich zowaar in hun midden begeeft. Baumbach maakt er kitscherige scènes van. De wagon baadt in het licht. Weeïge orkestmuziek speelt op de achtergrond. De camera zwenkt heen en weer van een gelukzalig lachende Jay Kelly naar de gewone burgers die in de tweede klasse reizen en zich verheugen in de aandacht van de ster. De contrasten zijn groot. De wereld waarin de acteur leeft is overduidelijk niet de wereld waarin zijn bewonderaars leven. Het leken me scènes vanuit het perspectief van Jay Kelly die zich wentelt in de bewondering van zijn fans. De scènes impliceren geen gelukte afdaling van de wereldberoemde acteur naar de wereld van de normale burger. De acteur speelt nog steeds een rol. Het is het enige dat hij blijkbaar kan.
De film draait om de verhouding tussen verbeelding en werkelijkheid en doet daar ruim twee uur over. Tot verhelderende conclusies komt de film niet. Nou ja, misschien is de conclusie wel dat je vastgeroest zit in de rol die je hebt aangenomen. De kunstzinnig klinkende dialogen zijn daar niet duidelijk over en nodigen ook niet uit tot diepzinniger contemplatie. Gelukkig zijn er voldoende leuke scènes die is er in slagen de aandacht vast te houden. Daarnaast is het acteerwerk gewoon goed te noemen. George Clooney in de titelrol speelt de charismatische en ook kinderlijke Jay Kelly perfect. Ook goed is Adam Sandler als de manager van Jay Kelly die na jarenlang als vanzelfsprekend de acteur te hebben verzorgd en begeleid zich steeds meer realiseert dat hij daardoor zchzelf en anderen tekort heeft gedaan. Ik vond de scènes met Sandler de meest anusante en de meest ontroerende scènes van de film.
Uiteindelijk is de film "Jay Kelly" een redelijk leuke alsook te lange tragikomedie waarin neurotische personages ronddolen die op zoek zijn naar zichzelf en volop bezig zijn met de verwerking van dingen uit het verleden. Veel egotripperij en zelfmedelijden en een dotje humor. Een echte Baumbachfilm dus.
De film is een absurde komedie, waarin een jong echtpaar dat elkaar voor het huwelijk niet kende, elkaar na de huwelijksvoltrekking ook niet leert kennen. Protagoniste Uma begint in de gevangenis die het huwelijk wordt genoemd, zichzelf echter wel steeds beter te leren kennen en te ontplooien. Ze ontdekt methoden om zich goed te voelen. Ze wordt een rebel. De zoektocht naar persoonlijk geluk gaat vrij ver en gaat gepaard met horrorwaardige taferelen. Groteske metaforen voor de rol die de vrouw in de Indiase cultuur inneemt. De vrouw die zich ingetogen dient te gedragen en weinig kans heeft om haar eigen behoeften te bevredigen.
De film zit vol verhalende creativiteit waarin de bloeddorstige aard van Uma prominent naar voren komt. De beeldesthetiek doet soms denken aan die in de films van Wes Anderson, maar is in zijn visuele beeldvorming minder vriendelijk. De film maakt gebruik van felle kleuren, heeft sterke contrasten en gebruikt symmetrische beelden met een krachtige indringende werking. Verhaal en beeld roepen een ietwat viezige maar ook duistere sfeer op. Zeker interessant, maar de spagaat tussen serieuze boodschap en kunstzinnige rariteit vond ik er soms ook als niet meer dan een leuk kunstje uitzien.
Uma wordt vertolkt door (de mij onbekende) Radhika Apte. Goeie actrice met een welhaast Charlie Chaplin-achtige mimiek en lichaamstaal. Haar rol neigt soms naar slapstick maar wordt het nooit. Haar optreden blijft steeds net waardig genoeg en dus geloofwaardig. De camera neemt vaak het POV-perspectief van Uma ter hand en laat haar met armbanden versierde arm zien als zij op een deur klopt of volgt haar rondzwervende blik. Dit cameraperspectief wordt repetitief gebruikt en heeft soms een meerwaarde ter verduidelijking van de visionaire inzichten van Uma maar lijkt toch vooral als een running gag te worden ingezet.
Naast de opvallende optiek valt ook het hoge tempo op. Snelle cuts, speed-up scènes en een vreemdsoortige soundtrack die heen en weer schiet tussen klassieke Indiase klanken en via westerse popmuziek zelfs bij punk aanbelandt. Bijzonder.
Het verhaal dat in de eerste helft goed is te volgen, verliest in de tweede helft het contact met de temporijke pace. Door de vele cuts, locatiewisselingen en themawisselingen ontstaat iets dat op chaos lijkt en niet meer goed is te volgen. In de tweede helft wordt bovendien het anker van de logica overboord gegooid en de chaos vergroot door surrealistische tendensen te gebruiken. Teveel van het goede. Bij mij sloeg toen de vermoeidheid toe.
Blue Moon vertelt van een avond uit het leven van Lorenz Hart. Hart was een gerenommeerde tekstschrijver die samen met componist Richard Rodgers in de jaren 20, 30 en 40 van de 20e eeuw, verantwoordelijk was voor het bedenken van Broadway-Musicals en voor het schrijven van de vele liedjes in die musicals. Bekende liedjes zijn bijvoorbeeld My Funny Valentine, The Lady Is a Tramp en natuurlijhk Blue Moon, waaraan de film zijn titel ontleent.
De film speelt zich af in restaurant Sardi’s in New York waar de première van de musical Oklahoma wordt gevierd. Een productie waaraan Hart part noch deel heeft gehad en waaraan zijn partner Rodgers met een andere tekstschrijver heeft gewerkt. Hart voelt zich gepasseerd en zit vol nijd. In het eerste deel van Blue Moon worden Hart en zijn verhouding tot de personages die later in Sadi’s zullen arriveren, uiteengezet. Aan de orde komen zijn broze samenwerking met Rodgers, zijn giftige jaloezie op de nieuwe tekstschrijver Hammerstein en zijn uitbundige genegenheid voor zijn protegee Elisabeth, die hem minder toegenegen schijnt dan hij haar.
Terwijl Hart op de premièregasten wacht, praat hij honderduit tegen de aanwezigen in het restaurant. Zijn uitgebreide monologen springen van het ene naar het andere thema en raken aan onderwerpen als vriendschap, liefde en kunst. Ze zijn scherp van toon en venijnig humoristisch. Een grote pluim voor scriptschrijver Robert Kaplow die al die scherpzinnigheid op papier wist te zetten. Uiteraard is de inspanning van Ethan Hawke die als Hart optreedt en de monologen grandioos reciteert, van grote toegevoegde waarde. Zijn personage voorziet in diverse emotionele stadia die stuk voor stuk overtuigend worden weerspiegelt. Hart is zelfbewust en onzeker, welbespraakt, snedig, charismatisch en tevens vermoeiend. Een complex karakter om te moeten spelen. Als gezegd, Hawke doet het erg goed. Zijn personage slaagt er uitstekend in om een spanningsveld op te bouwen in de richting van de binnenkomst van het ensemble dat verantwoordelijk is voor de première van de musical Oklahoma.
Het tweede deel van de film bestaat uit de confrontatie waarin Hart er alles aan doet om maar niet uitgerangeerd te raken. De scènes vervullen de kijker soms met plaatsvervangende schaamte, een gevoel van wanhoop en een vleugje medelijden.
Behalve het goede acteerwerk, de storytelling en het script verdient ook het gebruik van de ruimte en de enscenering van de personages daarin een positieve vermelding. Hoewel de film zich bijna in zijn geheel in dezelfde ruimte afspeelt, is de ambiance levendig en vol afwisseling. De camera volgt Hart op de voet die nu eens hier en dan weer daar rusteloos in de weer is. Opvallend detail is trouwens dat de geringe lichaamslengte van Hart op een of andere manier ook deel uitmaakt van de dynamiek. Zijn lengte valt op en is geen subtiel detail in het geheel.
In zijn monologen verwijst Hart vaak naar de film Casablanca (1942). Hij gebruikt citaten uit de film en doorspekt zijn monologen met zijn interpretaties van gebeurtenissen in die film. Ze dienen als illustratie bij zijn filosofische gedachten over bijvoorbeeld vriendschap. Er zijn trouwens wel wat paralellen te trekken tussen Blue Moon en Casablanca. Ook in Blue Moon is de bar een zeer belangrijke locatie. In beide films zijn twee mannen en een vrouw het ankerpunt. De melancholische finale van Blue Moon waarin Hart achterblijft terwijl de twee anderen gezamenlijk vertrekken, is overeenkomstig. Regisseur Richard Linklater lijkt met Blue Moon een eerbetoon aan de film Casablanca af te geven.
Gelukkig is Blue Moon meer dan slechts een eerbetoon. De film heeft een eigen smoel en weet met simpele middelen en een schitterend script een verfijnde en veelzijdige productie neer te zetten die bovendien ook nog eens verrekte humoristisch en vermakelijk is.
In het begin van zijn carrière deed regisseur Yorgos Lanthimos het aanmerkelijk rustiger aan dan in het heden. Met maar liefst drie films binnen twee jaar heeft hij zijn productiesnelheid behoorlijk opgeschroefd. Als dat maar niet ten koste van de kwaliteit gaat, is dan de vrees.
Vooralsnog is die vrees onterecht alhoewel Bugonia de kijker waarschijnlijk wel een déjà vu sensatie zal opleveren. Sommige elementen in de film zijn bekend. Zo is het voor Emma Stone intussen het vierde optreden in een film van Lanthimos en speelde Jesse Plemons ook in zijn vorige film, Kinds of Kindness (2024). Verder is Bugonia opnieuw een absurde komedie. Dat genre is intussen het handelsmerk van de regisseur geworden. Hoewel ik elke film van Lathimos tot nu toe erg waardeer, merk ik dat ik er wat moeite mee begin te krijgen de diverse films van elkaar te kunnen onderscheiden.
Een andere déjà vu zou te maken kunnen hebben met het feit dat Bugonia een remake is van de Zuid-Koreaanse film Jigureul Jikyeora! (2003). Lanthimos maakt echter geen zielloze kopie. Met behulp van het acterende ensemble en de mooie fotografie van cameraman Robbie Ryan krijgt Bugonia een fijne eigen smoel. Visueel is het genieten. Of we ons nu in de wereld van bedrijfsleider Emma Stone bevinden, in het haveloze huisje van Plemons of gewoon in een idyllisch stukje natuur, er is altijd wel iets bijzonders te zien.
Inhoudelijk is de film een combinatie van nonsens en serieuzere maatschappijkritiek. Het plot dat Plemons en zijn neef de vermeende alien Emma Stone laat gijzelen, biedt aanknopingspunten voor zowel heerlijke nonsens als voor een wat diepere laag.
Sommige overtuigingen van de neefjes zijn dermate krankzinnig dat het gewoon enorm fascinerend en hilarisch is om er meer over te horen. Aan de andere kant verzuimt de film niet iets over de wereld van nu te zeggen. Over het kapitalistische systeem bijvoorbeeld dat door het chemische concern waarvan Stone het hoofd is, wordt verbeeld. Het concern dat zich niet bekommert om de mens en zijn welzijn en slechts dan iets ten goede voor de samenleving wil doen als het niets kost. Die stellingname is uiteraard overtrokken maar geeft waarschijnlijk met accuratesse het wezen van het kapitalisme weer. De samenzweringstheorieën van de twee neven ondergaan dezelfde overtrokkenheid. Voor de accuratesse van die theorieën sta ik echter niet in. Ze zijn vergezocht en weinig subtiel maar ook erg vermakelijk.
Goed acteerwerk. Jesse Plemons vertegenwoordigt de mengeling van kolder en tragiek die zijn personage kenmerken, op een manier die de kijker ter harte gaat. Emma Stone is erg goed als keiharde en manipulatieve zakenvrouw. En neefje Aidan Delbis is hartverscheurend afhankelijk en simpel. Het verhaal intrigeert maar zwalkt soms ook een beetje. Na een turbulent onvoorspelbaar begin is het verloop van de gijzelsituatie wel wat voorspelbaar. Het stoorde me niet erg. De vermakelijkheidsgraad blijft hoog. Bugonia is een prima film.
Alternatieve titel: The Tasters, 6 december 2025, 21:16 uur
Het is verbazingwekkend dat er zich tijdens WOII dingen hebben afgespeeld die nog niet verfilmd zijn. Le Assaggiatrici behandelt zo’n onderwerp. De film vertelt het verhaal van een aantal vrouwen dat vanaf 1944 het eten voor Hitler moeten voorproeven. Het verhaal is gebaseerd op de ervaringen van Margot Wolk. Kort na haar 95e verjaardag openbaarde zij wat haar in 1944 is overkomen. Hoewel vele media haar verhaal als de waarheid publiceerden, waren er ook kritische geluiden. Er is immers geen documentatie beschikbaar die haar bewering ondersteunt. Verificatie is bovendien niet meer mogelijk omdat alle getuigen uit die tijd inmiddels zijn overleden.
Voor de waardering van de film maakt het niet echt uit of de verborgen geschiedenis waar is, deels waar is of is verzonnen. Op zich is het onderwerp een spannend uitgangspunt voor een film. De film is echter arm aan spannende momenten. In het eerste halve uur van de film die maar liefst twee uur in beslag neemt, gebeurt eigenlijk niets dat de kijker op het puntje van zijn stoel zet. Een beetje spannend wordt het pas als de vrouwen te weten komen dat ze moeten gaan voorproeven voor Hitler. Die spanning ebt al snel weer weg omdat dat afgrijselijke feit nogal fantasieloos is geënsceneerd. We zien de vrouwen voedsel consumeren en als het consumeren af en toe wat moeilijk gaat, wordt er op die typische Duitse manier tegen hen geschreeuwd dat ze hun bordje leeg moeten eten. Tamelijk fantasieloos dus. Daarnaast kijken we naar wat onderling gekeuvel en worden tamelijk oppervlakkig een aantal persoonlijke issues behandelt. Er gebeurt maar bitter weinig en hetgeen er gebeurt wekt weinig emotie op.
Hoewel er goed wordt geacteerd, valt het zwaar empathie voor de vrouwen op te brengen. De eetscènes zijn zo zouteloos geënsceneerd dat je je voortdurend afvraagt wat er nu ook weer zo erg aan is. Ik hoopte op een bepaald moment dat een van de vrouwen eindelijk eens giftig eten tot zich zou nemen opdat er maar iets zou gebeuren. Ok, ik overdrijf een beetje, want de film kent zeker een paar momenten die bijzonder triest zijn. Omdat de emotionele impact van die momenten echter miniem is, gaf de film mij nooit het gevoel dat ik naar iets zat te kijken dat simpelweg verschrikkelijk is.
De geschiedenisles is interessant maar bevat onvoldoende plotwendingen om twee uur lang te boeien. Het verteltempo is traag. De sfeer is niet duister genoeg. De film biedt de kijker geen mogelijkheid om zich met de personages te identificeren. Het verhaal komt klinisch tot je. Jammer dat het met de beleving niet lukt want Le Assaggiatrici vertelt over een interessant stukje geschiedenis uit WOII. De tamme invulling van het onderwerp maakt dat de film erg tegenvalt.