- Home
- Matchostomos
- Meningen
Meningen
Hier kun je zien welke berichten Matchostomos als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Dagen zonder Lief (2007)
Le nouveau cinéma belge
Na films als 'Ex Drummer', 'Any Way the Wind Blows' en van Groeningens eigenste 'Steve + Sky', heeft de Vlaamse film zich eindelijk wat heruitgevonden. Aldoende schudden we dan ook het verschrikkelijke boerenimago, dat we onszelf met schaamte hebben aangemeten, van ons af.
'Dagen zonder lief' zet deze trend op knappe wijze voort, weliswaar in de vorm van een bijzonder persoonlijke prent. In de eerste plaats persoonlijk voor van Groeningen zelf, maar evengoed ook voor de kijker.
Als een ware light-versie op de Franse Nouvelle Vague (jump cuts, zoekende camera, jazzy soundtrack) ontfermt 'Dagen zonder Lief' zich over het doen en laten van een groep vrienden, die bij hun weerzien 'de verantwoordelijkheden van het leven' ontdekken.
Vanuit de eigen ervaring weet van Groeningen bovendien een reeks knappe karakterschetsen bij elkaar te schrijven, die allen een eigen mistroostendheid over zich dragen.
Van Groeningen 'kleurt' zijn prent bovendien met een sober realisme, dat zowel stil als bruisend uit de hoek komt en knap wordt bijgestaan door heel wat melancholische jazzmuziek.
Echt diep snijden doet van Groeningen echter niet, ondanks de platvloerse humor, die in zijn banaal zijn uiterst efficiënt en veelbetekenend blijkt te zijn voor het beeld dat de kijker van de personages maakt.
Met een prachtig lyrisch, simpel doch complex en best wel gedurfd eindshot (bijgestaan door de bijzonder mooie pianoversie van 'Something' van Lasgo) sluit van Groeningen zijn tweede telg af.
'Dagen zonder Lief' is volwassener en onderhoudender als zijn voorganger 'Steve + Sky', maar toch krijgt laatstgenoemde de voorkeur vanwege zijn ongeremde speelsheid.
3.5*
Dare mo Shiranai (2004)
Alternatieve titel: Nobody Knows
De ongekende kracht van het kind
'Nobody Knows' is tegelijkertijd een tedere lofzang voor het kind als een aanklacht aan het adres van de onverantwoorde ouder.
Koreeda meet zichzelf een rustig temp aan, waardoor de kijker met mondjesmate in het gegeven wordt gezogen en op harde wijze wordt geconfronteerd met de realiteit.
De lange en uiterst gepaste speelduur maakt het net mogelijk emotioneel meer betrokken te geraken bij de overlevingstocht van de kinderen.
Door middel van een poëtische beeldenkracht en niet te veel symboliek, krijgt de film bovendien een bijzonder intiem karakter, die door de vertolkingen van de kinderen alleen maar wordt benadrukt. Haast fenomenaal hoe de jonge hoofdacteur de film op zijn schouders neemt en ons meevoert in zijn gedachtegang en situatie.
Ook de muziek pikt in op de juiste momenten, meerbepaald om ons even te doen stilstaan bij wat er gaande is. Muziek spreekt en maakt de emoties helemaal compleet...
4*
Dark Star (1974)
Een debuutfilm legt meestal meteen de voornaamste dada’s van een regisseur bloot. John Carpenter concentreert zich bij voorkeur op een selecte groep mensen die compleet afgescheiden is van de buitenwereld. Bij één van hen is een spreekwoordelijke vijs los en doorgaans komt er ook de nodige dosis machismo aan te pas. In Dark Star is het machogehalte vrijwel nihil en dat levert een bijwijlen heerlijk ludieke, nonsensicale en absurde ruimtekomedie op. Het is weliswaar niet de meest kenmerkende en herkenbare prent van Carpenter, maar de ‘simpele’ special effects, de strandbalalien met luipaardmotief en de muzikale keuzes kunnen meer dan eens op sympathie rekenen.
3.5*
Darkness (2002)
Gezien zijn occulte achtergrond is 'Darkness' min of meer schatplichtig aan zijn genre, maar stilistisch sluimert Balagueró als een relatief frisse wind doorheen datzelfde genre. Subtiele kleuraccenten, obscure belichting, een venijnige camera en een soort 'Modern Victoriaans' decor vormen een naadloos coherent geheel, waardoor 'Darkness' zich gaandeweg duidelijk onderscheid. En hoewel Balagueró het 'kwaad' abstract aanwezig houdt, weet hij er geen claustrofobisch en verontrustend effect uit de distilleren. Wellicht deels een gevolg van de occulte kolder én een onvoldoende aan realistische emotionele reflectie.
2.5*
Dawn of the Dead (1978)
Alternatieve titel: In de Greep van de Zombies
Na zes wapenfeiten lijkt George A. Romero nog geen afscheid te kunnen nemen van zijn geesteskind. Dawn of the Dead is sinds jaar en dag de bekendste afgeleide uit de reeks, maar is het zijn naam nog waard? Vandaag alleszins niet meer. De film is in vele opzichten een puur product van zijn tijd en dat wreekt zich op meerdere vlakken. Dawn of the Dead gaat te zeer gebukt onder de povere make-up, maar evenzeer onder een gebrek aan spankracht. Romero vliegt er meteen in, maar hervalt daarna te vaak in hetzelfde stramien van anarchie, kritiek op de consumptiemaatschappij (weliswaar immer actueel) en routine bij eenzaamheid om een consistente indruk na te laten. Op zich worden deze elementen relatief goed uitgewerkt, vaak met dank aan de kenmerkende, maar ‘more is less’.
2,5*
Days of Thunder (1990)
Twee Bruckheimer-producties op één avond, een fysieke maar bovenal mentale marteling, die ik geen tweede keer wens te doorstaan...
'Days of Thunder' is een semi-nostalgische prent, die achteraf niet meer is dan een schaamwekkend relaas over een meute macho's. Niet enkel lopend achter hun edele delen, maar evenzeer op zoek naar het vervangbare; en dat aan een snelheid van 300 km/uur.
Kleine broer Tony Scott regisseert voor de verandering eens volgens de wetten van het aanvaardbare en maakt de hoge snelheden deels voelbaar. Van componist Zimmer kan echter niet hetzelfde worden gezegd. Zijn bijdrage is bijzonder cheesy en allesbehalve meeslepend.
1.5*
Dead End (1937)
Een discreet kraanshot leidt de kijker naar de achterbuurten van New York, om aan het einde in omgekeerde volgorde terug te gaan en het geheel vervolgens op symbolische wijze af te sluiten met het ambigue panorama van datzelfde New York. Daartussenin presenteert 'Dead End' zich echter als een oppervlakkig en weinig robuust misdaaddrama, waarin de kloof tussen arm en rijk én het 'coming of age'-gegeven in een moderne grootstad zelden zijn weg vindt tot bij de kijker. Niet in het minst omdat het decor zich als weinig gevarieerd en onguur laat omschrijven, maar bovenal omdat het gros van de personages weinig herkenbaar zijn in hun uitzichtloze situatie.
2.5*
Death on the Nile (1978)
Alternatieve titel: Agatha Christie's Death on the Nile
'Death on the Nile' ontbeert de kenmerkende pastische uit 'Murder on the Orient Express', maar heeft daar uiteindelijk helemaal niet onder te lijden. Guillermin weet de kijker de volle speelduur te boeien met een bijzonder onderhoudende mozaïek van typische, maar niettemin amusante intriges, die worden ondergdompeld in een authentieke Christiesfeer. Net wanneer we overigens denken op gelijke hoogte te staan met Poirot, verrast hij ons alsnog met zijn inzicht. Hoewel ook hij op zijn beurt wordt verrast door Guillermin, of eerder door Agatha Christie zelve.
3.5*
Deliverance (1972)
Op survival met Boorman
In 'Excalibur' schuwde Boorman zelden tot nooit het magisch realisme (zoals het een Arthur verfilming betaamt), en ook in 'Deliverance' laat hij een onderschat staaltje regiewerk zien: grimmig en realistisch.
Vier zakenmannen die op zoek zijn naar een andere realiteit, dat vormt het basisgegeven voor deze existentialistische prent, waarin de wetten van de natuur meer dan ooit een centrale rol spelen.
Hoewel Boorman bij momenten iets te slordig omgaat met het verleggen van de focus, zorgt hij door middel van een impliciet veelzeggende fotografie, dat zijn personages deel uitmaken en onderworpen worden aan de natuur.
Enerzijds ligt er extreem veel diepte in de shots, als een symbool voor de eindeloze kracht van de natuur. Anderzijds worden de personages door middel van een lange lens op één lijn gezet met het canvas, om zo hun onderwerping aan de natuur aan te tonen.
Resultaat is een hallucinerende, licht ironische prent, met een ongekende onderliggende dreiging. Op deze wijze maken de weteen van de natuur zich bovendien langzaam maar zeker meester over de personages, maar evenzeer over de kijker.
Scènes waar het jongetje gitaar speelt en waar één van de zakenmannen de helling beklimt (niet voor niets eveneens ondersteund door een gitaarnummer), spreken boekdelen.
Hét meesterwerk waar menig critici over spreken is het echter niet geworden, maar een bescheiden meesterwerkje is het alleszins wel.
4*
Dirty Mind (2009)
Het was Van Hees eigenste debuut Linkeroever dat destijds Steve + Sky van de troon stootte als beste Vlaamse productie, naar mijn bescheiden mening weliswaar. Dirty Mind, het tweede deel in de ‘Anatomie van liefde en pijn’-trilogie, kreeg dan ook de welhaast onmogelijke opdracht om zijn unheimliche voorganger te overtreffen. En wat eerst een meer dan waarschijnlijke voorspelling leek, is uiteindelijk ook werkelijkheid geworden. In Dirty Mind toont Van Hees andermaal de finesse en het lef van de nieuwe compromisloze generatie Vlaamse regisseurs, maar slaagt hij niet in het opzicht om de twee gezichten van de prent, de tragiek en het komische, te laten samenvloeien tot een finaal bevredigend geheel.
Dirty Mind neemt nochtans in ware retrostijl een vinnige blitsstart, met een resem stunts waar Van Hees & co het vaak overmoedige Tinseltown moeiteloos het nakijken geeft. Bijgestaan door een grondige dosis cynisme, meermaals vergezeld van een onderliggende en doorgaans herkenbare emotionele factor, zorgt de prent er bovendien voor dat de kijker steeds bij de pinken blijft. Dat de debuterende Wim Helsen letterlijk en figuurlijk opgaat in zijn rol, heeft daar wellicht nog meer bijdrage toe. En toch slaagt het geheel er nog in om in de tweede helft te verzadigen. Het verdoken karikaturale karakter van enkele personages komt plots te vaak naar boven, terwijl de thematische tegenstellingen (bv. medische wereld vs. roekeloze stuntwereld) samen met een acuut gebrek aan empathie voor de protagonist leiden tot een weinig geloofwaardige slotconclusie. Een conclusie die niet alleen te snel, maar bovenal te simplistisch wordt afgehandeld. De verbeelding uit de slotact van Linkeroever was hier schijnbaar niet aanwezig.
Ten slotte stel ik mezelf de vraag of het gemis van de gebroeders Karakatsanis zowel inhoudelijk als visueel een zichtbare invloed heeft gehad op het eindproduct. De groffe korrel vormt binnen het stuntgegeven een vrij logische keuze, maar schenkt daarnaast weinig meerwaarde. Het onrustwekkende en mystieke gevoel dat uitging van de fotografie in Small Gods en Linkeroever is hier niet aan de orde. De oproep aan Van Hees moge bij deze dan ook duidelijk zijn.
2.5*
Django (1966)
De spaghettiwestern is me niet geheel onbekend, maar voorlopig beperkte de kennis van het genre zich louter tot de voor ieder bekende uitspattingen van Sergio Leone. ‘Django’ was dan ook de eerste kennismaking met de relatief minder bekende, doch vormbepalende producties die het genre heeft voortgebracht. Als geheel laat 'Django' zijn potentiële kwaliteiten echter grotendeels onbenut en wekt bijgevolg een permanent halfbakken indruk.
De kenmerkende esthetiek van het genre belooft een angst inboezemende omgeving, die bol staat van het duistere fatalisme en een bijwijlen kluchtige sfeer. Door een gebrek aan uitbuiting van de esthetiek en een waarneembare duistere sfeer, blijft een zekere onverbiddelijkheid echter uit. Laat staan dat 'Django' wordt gevoed door enige opwinding, emotionele gedrevenheid en een bekwame regie.
De kijker heeft het bijgevolg moeilijk om de juiste sfeer op te snuiven, en daar dragen de weinig geloofwaardige karakterwisselingen van Django eveneens tot bij. Franco Nero, an sich al weinig charismatisch, gaat op die manier onvermijdelijk voor de bijl.
2.5*
Do the Right Thing (1989)
Feel the love, taste the hate
Veertien jaar na Altmans 'Nashville' blies Spike Lee het genre van de mozaïekfilm nieuw leven in. Resultaat: 'Do the Right Thing', een bruisende schets over raciale spanningen, die vandaag de dag nog steeds bijzonder actueel kan en mag geacht worden. De subtiliteit en ingetogenheid van '25th Hour' blijft echter eenzaam aan de top staan van 's mans oeuvre en laat ons niet geheel toevallig een andere, meer volwassen Spike Lee zien.
De bruisende, broeierige sfeer is vooral een gevolg van de algemene visuele invulling van de prent. Opvallend tijdsgebonden en met oog voor dynamiek geeft Lee zijn prent een funky, door kleurschakeringen gedreven uiterlijk mee. Een specifiek uiterlijk dat zich verder vertaalt in allerhande cameraspielerei en uitgekiende staging.
Enige sereniteit is eveneens op zijn plaats, waardoor 'Do the Right Thing' een harmonische feeling bekomt en kan buigen over een efficiënte beeldspraak. Op die momenten komt de ware aard van 'Do the Right Thing' als uitgesproken mozaïekfilm naar boven drijven: personages worden met zichtbare schwung en charisma doorheen het web van Brooklyn geweven en gedreven.
Ten slotte, naarmate het einde nadert, stijgt de hitte en loopt de koorts hoger op. De gettoblaster krijgt een voorname rol in de weergave van de sociale spanningen en zal dan ook meer en meer op de voorgrond treden.
Op het einde escaleert 'Do the Right Thing' in een al dan niet aangekondigde of onvermijdelijke climax, waarin de iconische gettoblaster andermaal een centrale rol krijgt toebedeeld. De intensiteit waar de prent al die tijd aan heeft gewerkt, resulteert echter niet in de staalharde mokerslag die 'Do the Right Thing' had kunnen uitdelen. De kenmerkende beeldtaal wordt deels uit het oog verloren en maakt plaats voor een enigszins uitgerokken finale, die louter een harde mokerslag uitdeelt. Niettemin, een slechts kleine smet op een verder uitermate intense ervaring.
4*
Dodge City (1939)
Alternatieve titel: De Voortrekkers van het Westen
Lot to see, less to say
Dodge City is een western met de klassieke ingrediënten. Net zoals het verhaal, dat een soort variant op het Wyatt Earp gegeven (is zowat een genre op zich) biedt. Die herkenbaarheid zorgt ervoor dat de film weinig tot niets slecht kan doen voor mij. Bovendien maakt de film optimaal gebruik van het fenomeen technicolor, iets waarmee Michael Curtiz destijds experimenteerde.
De film is ook groots van opzet; veel figuranten, decors en overzichtelijke camerastandpunten.
Toch kwam het geheel wat braaf over, met weinig hoogtepunten en memorabele karakters. De humor neemt ook zelden cynische proporties aan, waar de soortgelijke westerns je vaak onderdompelen in dat soort humor. Errol Flynn acteert niet slecht, maar naar analogie met de film, vind ik zijn personage ook te braaf om indruk te kunnen maken.
Dodge City is zeker geen slechte film, maar ik opteer liever de rauwe westerns van Peckinpah en het recente Three Burials.
2.5*
Dr. No (1962)
Alternatieve titel: Ian Fleming's Dr. No
De eerste James Bond is zondermeer een genietbare prent, maar de typische kenmerken van de Bond-saga lijken nog niet geheel en prominent aanwezig. Van de semi-futuristische decors van grootmeester Ken Adam tot de beperkte actie; van een charismatische, maar nog niet vervolledigde Connery tot een weinig memorabele schurk; van de cynische humor tot de flitse gadgets. Alles, behalve de prototypische Bond girl (al is dat vooral vanwege haar onvergetelijke, iconische verschijning...), lijkt nog enigszins te moeten groeien. Al verwacht ik ergens dat de appreciatie voor deze prent zal verhogen, naarmate ik meer Bond heb gezien.
3* ...en op naar 'From Russia with Love'.
Dracula (1931)
Alternatieve titel: Dracula de Vampier
Als de archetypische horrorprent is Brownings 'Dracula' een perfect voorbeeld van een regelrechte ontgoocheling. De prent vangt aan met enkele imposante decors en heerlijk dubbelzinnige oneliners, maar gaat haast meteen kopje onder.
Geen sprake van de zogenaamde expressionistische uitspattingen, de Victoriaanse sfeerschepping en de Shakespeariaanse motieven. Met een cinematograaf als Karl 'Metropolis' Freund achter de camera, kan je je normaliter toch aan heel wat meer filmisch vernuft verwachten.
Daarbovenop ontbreekt het 'Dracula' aan enige vorm van spanning en laat de legendarische en uiterst theatrale prestatie van Bela Lugosi duidelijk te wensen over. Hetzelfde kan overigens gezegd worden van de afhandeling die, zelfs naar de maatstaven van toen, onaanvaardbaar is.
Dit alles maakt 'Dracula' tot een uiterst makke klassieker, die oppervlakkig is in zowat al zijn facetten en zowaar verbleekt in de schaduw van Coppola's verdienstelijke poging.
Een nipte en bescheiden 2*.
Deze dinsdag werd me aanvullend bij een lezing over lineair scenario deze film voorgeschoteld. Man, wat een teleurstelling. Niet enkel hield de desbetreffende gast geen rekening met zijn onderwerp en heeft hij twee uur liggen uitwijden over de evolutie van Dracula in de filmgeschiedenis.
Een uitwijding die bovendien weinig om het lijf had, evenals de uitwijding aangaande de transpositie van Bram Stokers gothic novel.
Wat Mel Brooks' 'Dracula: Dead and Loving It' er bij kwam kijken, is me een raadsel. Al getuigt het alleszins van een neus voor slechte smaak...
Dracula: Dead and Loving It (1995)
Mel Brooks: alive and hating it, en dat mag gerust een understatement genoemd worden. Borstenfetisjist Brooks verveelt en enerveert namelijk mateloos met dit flauwe stukje slapstick, waar elke grap voorspelbaar is, maar bovenal te letterlijk wordt genomen. Geheel terecht betekende deze prent dan ook de doodsteek voor Brooks als regisseur.
0.5* ...en zelden zo overtuigend...
Draughtsman's Contract, The (1982)
Bij een cineast als Peter Greenaway impliceert het predicaat kostuumdrama niet per se een hoge graad aan stijve 'bourgeois cinéma'. Integendeel, Greenaway maakt van The Draughtsman's Contract een kluchtige, speelse en bijwijlen cynische tablau vivant, waarbij de personages niet uit zichzelf bewegen, maar worden bewogen door een hogere orde. In die optiek vormt het bewegende standbeeld een origineel en bovenal inhoudelijk interessant contrast met het gros van de personages. En hoewel Greenaway in deze meticuleus gecomponeerde en barokke 'whodunit' continue de aristocratie hekelt, lijdt diens prent echter dermate onder zijn fragmentarische en afstandelijke karakter, dat de centrale intrige weinig tot geen aantrekkingskracht ondervindt.
2.5*
Drums along the Mohawk (1939)
Alternatieve titel: Onder Eén Vlag
Tegen de achtergrond van de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog en gehuld in vaak prachtig impressionistische technicolor, vertelt Ford ons het verhaal over een pas getrouwd paar dat op zoek is naar geluk en standvastigheid. De Amerikaanse droom is echter geen sinecure en bij anvang worden ze, en de vrouw in het bijzonder, dan ook letterlijk en figuurlijk in kadertjes geplaatst. Een hechte en bijzonder tolerante gemeenschap, waar een pasgeboren kind meteen ieders kind is, vormt daarbij de toelaat voor steun.
Bij momenten overgeromantiseerd en oppervlakkig in de weergave van de indianen, maar vaak genoeg donker en zelfs humoristisch (lacht Ford de Amerikaanse droom weg als een fanatieke beoefening...?).
3*
Du Levande (2007)
Alternatieve titel: You, the Living
'You, the Living' koestert een bijzonder aantrekkelijk gegeven en maakt dat aanvankelijk zondermeer waar, maar wanneer de minimalistische tragiek en tristesse de bovenhand nemen op het burleske, lijkt Andersson onvoldoende lijn in het geheel te vinden. Begrijp me niet verkeerd, 'You, the Living' is allerminst een halfbakken onderneming, maar als kijker kon ik onvoldoende emotie distilleren uit het gegeven voorhand. Afgezien daarvan is 'You, the Living' een bijwijlen ongezien absurdistische en droogkomische verzameling van sober vormgegeven tableaux vivants. Binnen die tableaux vivants gaat Andersson vervolgens op zoek naar de kern van het menselijk bestaan, uiteindelijk verrassend concluderend in een pessimistisch wereldbeeld.
3* ...en daarbij hopend dat Anderssons debuut me beter zal bevallen...
