- Home
- Matchostomos
- Meningen
Meningen
Hier kun je zien welke berichten Matchostomos als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Carrie (1976)
Wanneer je Brian de Palma tot zijn bittere essentie herleidt, is hij niets meer dan een gerecycleerd afkooksel van Hitchcock. Ware het niet dat deze genreidioot meer dan eens zijn voorbeeld overstijgt met een kenmerkende combinatie van primaire psychologie, secure opbouw en uitgekiemde beeldtaal. En zoals hij deze in Carrie op uiterst angstwekkende en meelevende wijze toepast, komt hij finaal tot een uitbarsting van geluk en ongeluk: geen zuivere geest zonder een zuiver lichaam.
De Palma sluipt op die manier binnen in het hart van de tegelijk naïeve en conservatieve Amerikaanse samenleving, houdt ze een spiegel voor en haalt ze vervolgens meedogenloos onderuit. Tot zover Carrie aan de oppervlakte, want op een dieperliggend/sublateraal niveau is deze prent een uitvergroot voorbeeld van een bijzonder persoonlijke en confronterende vertelling over de rebellerende adolescentie.
Onschuld is een zeldzame deugd die diep verscholen ligt in de Amerikaanse cultuur. De Palma speelt daar sterk op in met een geduldige en huiveringwekkende film, waarin de horror bijna louter het product is van een innerlijk intens psycologische strijd. De Palma behoorde vorheen niet tot het kruim van mijn persoonlijke filmsmaak, maar na herziening van Carrie groeien de verwachtingen en de kansen op een mogelijke opwaardering van diens oeuvre en artistieke stempel.
4,5*
Cell, The (2000)
Inhoudelijk leeg, mentaal desoriënterend en artistiek een klein meesterwerkje
Je kan Tarsem Singhs The Cell zo'n beetje vergelijken met Michel Gondry's The Science of Sleep (hoewel ik deze nog niet heb gezien, valt het snel af te leiden uit de trailer) als het aankomt op artistieke vrijheid. Hun keuzes liggen ver uit elkaar, maar beide clipregisseurs krijgen hier de kans om hun aparte visie eindelijk in de vorm van een langspeelfilm naar het scherm te brengen.
Wat The Cell betreft houd ik toch wat een dubbel gevoel over. De kijk in het brein van de moordernaar of laten we gewoon maar zeggen in het brein van Tarsem Singh is aanstekelijke kitch afgewisseld met mythische beelden. Het werkt betoverend en desoriënterend tegelijk, en die combinatie mag gerust zeldzaam genoemd worden. Enige motivering voor deze artistieke keuze is er waarschijnlijk niet; het is andermaal een lautere weergave van Singhs visuele gedachtegoed, maar dan wel een zeer opmerkelijke.
Wanneer de film zich verplaatst buiten het brein, heeft hij weinig meer te bieden. Het verhaal is vrij alledaags en er wordt voor de rest ook geen moeite gedaan om boven dat alledaagse karakter uit te groeien. Het zou de film al wat meer punch geven als Singh in dit gedeelte zijn stijl gedeeltelijk en aangepast naar de realiteit hier kon doortrekken.
Een poging tot acteren komt er zelden, aangezien het visuele de voorkeur krijgt en het acteren zowat een bijzaak wordt. Vince Vaughn houdt zich echter redelijk staande, terwijl Jennifer Lopez puur aanwezig is voor haar schoonheid. Het meeste spijt gaat uit naar Vincent D'Onofrio, die zoveel meer met zijn rol had kunnen aanvangen, als hij maar de mogelijkheden daartoe kreeg.
3*
Children of Men (2006)
No to the Future, yes to Children of Men
Children of Men is indringende cinema-vérite (te danken aan Emmanuel Lubezki, die ook het meesterlijke The New World onderdoopte in visuele poëzie), waarvan de toekomstvisie nooit zo reëel overkwam. Vergeet 'Y Tu Mama Tambien', Children of Men is Cuarons nieuwe stokpaardje, een Mexicaans meesterwerkje dat in de loop van de volgende maanden moeilijk te overtreffen zal zijn.
De opening van Children of Men is meteen overweldigend, een staaltje realisme dat logischerwijs afsluit met de respectievelijke titel van de film. Hier uitgevoerd met de enige echte hard-cut in de film, wit en groot geblokte letters op een zwarte achtergrond en vooral een angstwekkend geluid op hoge frequentie....
Wat volgt is uiterst actueel cinema, waarbij verschillende thematieken hun weg vinden binnen het narratief (migratie, terrorisme, milieuvervuiling, racisme,...). Dit alles resulteert in enkele scenes die je op schokkende wijze doen terugdenken aan wat ooit gebeurt is: mensen in kooien, executies en rijen van lijken.
Children of Men is nooit dreprimerend (dat zou afdoen aan het doel van de film), maar wel immer verontrustend. Mijn haren stonden meermaals enkele 'meters' omhoog en mijn ogen meermaals onder water. Zelden zulk emotionele cinema gezien, cinema die niemand onberoerd kan en zal laten. Emotionele hoogtepunten, gepaard met schitterende acteerprestaties, zijn: Clive Owen rouwend aan een boom om de dood van zijn ex-vrouw; de geboorte van baby Bazooka; en het verlaten van het vervallen gebouw, gedragen door de handen van de mensheid.
Tijdloos als het aankomt op muziekkeuze, want in plaats van te keizen voor een groots opgezette soundtrack, kiest men voor Pink Floyd (hun muziek is op zich al eindeloos angstwekkend) en een prachtig stukje klassieke muziek.
Het open einde van Children of Men is bovendien de correcte manier om deze film af te sluiten. Het is tegelijk hoopvol en verontrustend...
Zeggen dat Children of Men meer nood heeft aan special-effects is banaal en volstrekt belachelijk. Dit is in de eerste plaatse een futuristisch drama en in de tweede plaats sci-fi. Al is dat veelgezegd, want met deze jaaraanduiding en het minieme gebruik van technologische snufjes, kan je nog niet gaan spreken van pure science-fiction.
Children of Men verdient het om de volle 5* toegesmeten te krijgen. Het is voor mij de onbetwiste koploper van het lopende jaar 2006 (nog vlug even een vermelding ter ere van de prachtige in één take opgenomen scene op het einde van de film!!!) en durf ik het zeggen, een klein klassiekertje in wording. Of ben ik dan net iets te voorbarig in mijn conclusie?
nooit gedacht trouwens michael caine eens te horen spreken over "selling pot". Iemand, geef de man een standbeeld... Mijn held! Wat een acteur...
Hear hear, I couldn't agree more. Caine speelt met verve een 'tijdloze' hippie, die zich in zijn vrije tijd bezig houdt met het verzorgen van zijn vrouw, maar vooral met het kweken van wiet met aardbeiensmaak. Gewoon hoesten...

Godzijdank, de herfst komt eraan, de kwaliteit in de cinema de hoogte in; eindelijk.
Vooraleer ik ging kijken naar Children of Men had ik net hetzelfde gevoel. In het verlengde van je post bij 'The Wind that...', moet ik zeggen dat dit het alleereerste echt geslaagde artistieke project is van het jaar. De opzet van Cuaron om een anti-grootse opgezette hollywoodprent te maken is meer dan geslaagd.
Ik denk dat ik bij deze dan ook de herfst 'pronto' tot mijn favoriete seizoen bekroon. Ik kijk daarbij vooral uit naar volgende films: Little Children, The Fountain, The Prestige, The Assassination of Jesse James by... (een magistrale 'terugkeer' van de western?), El Laberinto Del Fauno, The Black Dahlia (de terugkeer van De Palma, daar ziet het alvast naar uit), en nog veel meer aankomend filmgeweld.
Chun Gwong Ja Sit (1997)
Alternatieve titel: Happy Together
In ‘Happy Together’ gaat Wong Kar-Wai grote namen als Godard en Truffaut achterna, door op geheel eigen wijze de Nouvelle Vague-toer op te gaan. Daarbij koppelt hij de melancholie, onder het principe van een apart gefiltreerde zwart-wit fotografie en jump shot -esthetiek, weliswaar eerder aan een dieper gevoel van triestesse en mistroostigheid dan aan een zekere speelsheid en nonchalance. Tot op het bewuste moment dat Wong grotendeels van dit principe afstapt en zijn herkenbare rood-groene palet, bijwijlen onderbroken door een tint appelblauwzeegroen (waar Wong dan weer op subtiele wijze en onder invloed van enkele koplampen het puur groene uit puurt), aan de orde roept. Vanaf dan verwatert de uitgepuurde melancholie in een inferieur, eerder bruusk en zwoel aanvoelende omslag. Op zulke momenten kan Wong echter beschikken over het talent om zijn acteurs dieperliggende gevoelens over te laten brengen via één enkele blik, ware het niet dat hij dat talent hier niet altijd ten volle weet aan te spreken. Om dan ook enige emotie te kunnen voelen, zijn we aangewezen op de muziek, die bestaat uit een fijne mengeling tussen Frank Zappa en Astor Piazolla.
2.5*
Cinderella (1950)
Alternatieve titel: Assepoester
Een dozijn onweerstaanbare muizen, twee te onthouden muzikale intermezzo's en héél sporadisch een impressionistisch palet, maken van 'Cinderella' een charmante, maar eveneens vrij doorsnee Disney-prent. 'Cinderella' stelt namelijk teleur wat betreft animatie en kleurschakeringen, en moet daarom opvallend onderdoen voor vele van zijn collega's. Ook de morele boodschap, dromen doet leven, lijdt eronder en bekomt zo slechts deels zijn effect.
2.5*
Circus, The (1928)
Het was weer een tijdje geleden dat ik me onderworpen had aan een Chaplin, maar met diens ‘The Circus’ kan het wederzien allesbehalve blij genoemd worden. Het ontbeert ‘The Circus’ namelijk bovenal aan een inventieve opbouw, of enige opbouw tout court. De lijn in de verzameling slapstickacts, die naar Chaplins normen opvallend voorspelbaar én nuanceloos uitvallen, is bovendien duidelijk zoek en van een intieme, sociaal bewuste Chaplin is zelden een spoor aanwezig. Wanneer die laatste in het slot alsnog van zich laat horen, kan Chaplin geen aanspraak meer maken op de aandacht en betrokkenheid van de kijker en is bijgevolg geen sprake meer van enige emotie. Bij deze mag er dan ook sprake zijn van een eerste, regelrechte tegenvaller in het oeuvre van Chaplin en zijn alombekende alter ego.
2* ...en het verbaast me toch enigszins dat deze quotering een primeur is...
City Lights (1931)
Liefde is blind en City Lights één der mooiste liefdesverhalen
Enerzijds is City Lights een Chaplin pur sang, een 'immer charmante' aanval op je lachspieren die waar nodig kritiek levert op de gevestigde waarden. Anderzijds laat City Lights een andere en meer emotionele Chaplin zien, wat resulteert in een universeel liefdesverhaal dat recht naar het hart gaat. Daarnaast experimenteert Chaplin hier voor het eerst met geluid en hoewel dat in beperkte mate gebeurt (de hoge stemmetjes en het fluitje), zorgt het toch enigszins voor een 'komische' meerwaarde.
De eerste scene in City Lights mag gerust bij de beste uit de film gerekend worden. Chaplin neemt hier namelijk op sublieme wijze de draak met de authoriteiten, die via een standbeeld de boodschap van vrede en voorspoed wensen te verkondigen. Het volgende is daarbij ontsproten aan Chaplins brein: anale humor (het zwaard in de broek van de 'tramp'), fallische humor (de 'tramp' laat het standbeeld een poepje ruiken) en satirische humor (duim tegen neus). Wat Chaplin hier laat zien getuigt wederom van een ongelofelijke kennis voor opbouw (The Gold Rush is daarin heer en meester, hoe simplistisch het ook mag zijn). De gag op zich is vrij simpel, maar het gebeuren tussenin is bijna van buitenaardse orde. Het mag dan soms lang uitgerekt zijn, Chaplin vindt steeds weer een klein verschil in de handeling om zijn gag verder te zetten. Ik denk daarbij vooral aan de scenes die perfect gebruik maken van de wisselwerking tussen de 'tramp' en zijn 'double life' rijkeluipartner.
De soundtrack van City Lights is charmant en rubuust; intimistisch en opzwepend; en valt hier meer als ooit perfect synchroon met de handelingen op het scherm (het heeft wat weg van Leone, die zijn 'Once Upon a Time in the West' regisseerde naar de soundtrack van Morricone).
Zelden zulk een mooi liefdesverhaal mogen aanschouwen, een mijlpaal in de geschiedenis van de stille film en de filmgeschiedenis in zijn geheel. De ogen van het blinde meisje mogen daarbij gerust naast die van Maria Falconetti (La Passion de Jeanne d'Arc) en Peter Lorre (M) staan.
4.5*
Clean (2004)
Klein, maar 'gewoon' fijn
'Clean' heeft qua stilistische aanpak iets gemeen met 'Lost In Translation', maar ook thematisch ligt deze enigszins op dezelfde lijn. Beide films handelen namelijk over personen die zichzelf verloren voelen en geen blijk weten met hun emoties, personen die zichzelf door middel van een 'medemens' trachten terug te vinden; met andere woorden 'selbstfindung'.
'Clean' moet echter duidelijk onderdoen voor het superieure 'Lost In Translation', om de simpele reden dat eerstgenoemde zijn potentiële kwaliteiten niet genoeg weet uit te buiten en zodoende geheel afhankelijk wordt gemaakt van zijn cast.
De voornaamste tekortkoming vinden we terug op visueel vlak. 'Clean' heeft te weinig panache en visuele flair om het 'semi-roadmovie' verhaaltje kracht bij te zetten (het muzikale intermezzo van Tricky was anders simpel, edoch knap in beeld gezet). Zo laat men onder andere een mooie kans liggen om steden als San Fransisco en Parijs op aantrekkelijke wijze te benadrukken. En ondanks de dromerige en zachte camerabehandeling, die we ook duidelijk terugvinden in 'Lost In Translation', kan de film geen meerwaarde bekomen door middel van een mooi samengestelde soundtrack. Het zou de film absoluut niet misstaan moest hij enkele sfeervolle songs kunnen gebruiken van groepen als Air, Death In Vegas of Mogwai. Wel opvallend is de aanwezigheid van de song 'An Ending(Ascent)' uit de soundtrack van '28 Days Later', een erg onderschatte soundtrack, die bovendien al meermaals zijn nut heeft bewezen in verscheidene films en trailers.
Uiteindelijk zit er niets anders op dan ons te wenden tot de vertolkingen van Maggie Cheung en Nick Nolte, om van deze film nog enigszins iets boeiend te kunnen maken. Nick Nolte's ingetogen en slordige 'presence' zit hem als gegoten en levert zo een ontroerende prestatie. Daarnaast werd Maggie Cheung geprezen voor haar indrukwekkend staaltje acteren en aldus bekroond met een Palm voor beste actrice, al ben ik van mening dat die eer een beetje te hoog is.
een kleine 2.5*
Cloverfield (2008)
New York op stelten
Geloof het of niet, maar de immense hype die 'Cloverfield' voor de eigenlijke bioscooprelease teweegbracht is volledig aan me voorbijgegaan. Het bleef in mijn geval bij een vage, doch merkwaardige en veelbelovende trailer, die hoogstens twee tot driemaal de kans kreeg om enige verwachtingen te creëren. 'Cloverfield' had dan ook (bijna) niets te verliezen en alles te winnen. En wellicht heeft dat een voornamelijk positieve invloed gehad op mijn ervaring ter plaatse en mijn finale oordeel achteraf.
Het concept van 'Cloverfield' an sich is weliswaar niet nieuw, die eer komt toe aan 'The Blair Witch Project', maar het geheel is van een minder tijdelijke en meer natuurlijke, contemporaine en universele aard dan zijn voorganger.
Vanuit een voor de hand liggende en geheel hedendaagse subcontext, die onmiskenbaar, doch niet noodzakelijk hoeft te alluderen op 9/11, speelt 'Cloverfield' in op een universele angst voor het onbekende. Het gevolg van een bewust suggestieve dreiging die weliswaar meer zichtbaar zal worden voor het oog, maar nooit echt in zijn of haar volle glorie kan aanschouwd worden. Binnen het medium film is dat geen sinecure, maar wanneer het op correcte wijze wordt geïntegreerd en toegepast, kan dat een hoge efficiëntie opleveren.
Uiteraard gebeurt dat binnen de fictieve realiteit van de prent, maar filmmakers beschikken nog steeds (in principe natuurlijk…) over een zekere macht die hen in staat moet stellen deze realiteit op natuurlijke, voelbare en zo realistisch mogelijke wijze aan de kijker te brengen. In ‘Cloverfield’ zijn de centrale personages zich bewust van het gevaar dat op de loeren ligt wanneer ze op zoek gaan naar een vriendin in nood. De makers gaan, vanuit het standpunt van een overigens bijzonder irritante cameraman (daarbij niet doelend op zijn capaciteiten als cameraman, maar wel doelend op datgene wat steeds uit zijn mond weet te vloeien), echter niet op zoek naar het gevaar en bijgevolg niet naar een gratuite vorm van sensatie.
Het gevoel dat hierbij overheerst is dat je getuige bent geweest van een in sé klassiek, doch fris stukje terreur- en gevoelscinéma. Een archivaal document, los van enige pretenties, met een hoogst apocalyptische feeling (het hoofd van het Vrijheidsbeeld, dat overigens een rechtstreekse verwijzing is naar de poster van Carpenters ‘Escape from New York’) en een zekere onverbiddelijkheid, getuige het einde.
De ‘familiare’ prelude mag dan een zeer moeilijk te kauwen brok zijn, het contrast met de hoofdact maakt subtiel komaf met deze kleine barrière, die een geslaagde bioscoopervaring niet in de weg mag en kan staan.
3.5*
Cobra (1986)
Van start tot finish is één zaak glashelder: Cobra baadt in een ongebreidelde, vintage jaren ’80 stijl. Dat maakt van deze prent nog geen dynamische, viriele en lugubere policier, eens te meer omdat onduidelijk is welke inhoudelijke kaart men wil trekken. Enerzijds ontbreekt het Cobra immers aan de obscure en ronduit obscene dreiging die kan uitgaan van een grootstad, van een metropool met een onherbergzame ondergrond. Anderzijds blijft het macho- en niet het campgehalte op een laag pitje borrelen. Een wankelende Stallone heeft uiteindelijk ook weinig in de pap te brokken. Al was het maar omdat zijn oneliners meermaals effect missen.
2*
Commando (1985)
Op zijn eentje staat Commando garant voor het merendeel van Schwarzeneggers meest ‘aantrekkelijke’ oneliners. Jammer genoeg vormen ze de voornaamste trekpleisters van een film die verder weinig houvast heeft. De actietaferelen zijn ééntonig en zelden opwindend, het tempo is gezapig en het geheel staat bol van de dode momenten. Het bij momenten degelijke technische vakmanschap ten spijt, maar met een selectie oneliners en een al bij al matige spierbundel heeft Commando niet voldoende vingers in de pap te brokken om anderhalf te overtuigen.
2*
Control (2007)
Corbijn has no control
Het minste wat we van een gerenomeerd fotograaf kunnen verwachten, is dat zijn fotografie het gemiddelde overstijgt en imponeert waar mogelijk. Corbijn slaagt daar bijna de volle honderd procent in, maar beperkt zich uiteindelijk ook tot het visuele aspect van de film.
'Control' ademt sfeer uit, maar haalt daar zelden zijn gram uit op emotioneel vlak, ook al omdat Corbijn nooit echt buiten de conventies van het genre en diens onlosmakelijke aanhangsels (lees: clichés) weet te treden.
Love will tear us apart, ...en wij ondertussen maar dansen, kraamde Marcel Vanthilt uit tijdens de Belgische première. Hij positief, ik relatief negatief. De muziek van Joy Division is, mede door de fabuleuze prestatie van Sam Riley (geen loutere imitatie...), even tijdloos op het grote scherm. De bij vlagen briljante concertreconstructies zijn dat eveneens, maar daar blijft het ook bij.
Hoezeer Corbijn met zijn zwart-wit fotografie (deed me denken aan de stijl van 'Repulsion' en dergelijke, met veel oog voor contrast) een sfeer van nihilisme en nietigheid tracht neer te zetten, de emoties die daarmee gepaard moeten gaan, komen onvoldoende tot uiting.
De voornaamste oorzaak voor het achterwege blijven van deze emoties, kan men wijten aan het clichématige en bij momenten stroeve karakter van de prent. Zo vangt 'Control' overhaastig aan met enkele aan het genre verplichte elementen, heeft de prent last met personages van karikaturale aard, en voelt de poëtische invalshoek (op Curtis' laatste woorden na), net als de symboliek, geforceerd aan.
Uiteindelijk had 'Control' alles voorhanden om het tot een voltreffer te maken: een gerenomeerd fotograaf als regisseur, meesterlijke muziek, een grimmig verhaal en een heerlijke link met het surrealistische 'Stroszek' (naar verluidt Curtis' laatste film voor hij stierf); ware het niet dat Corbijn zich net iets te gemakkelijk liet meeslepen in de wereld van een persoonlijkheid.
2.5*
Cop Land (1997)
Indringend en melancholisch in beeld gebrachte prent over corruptie binnen een politiecorps.
Toch is 'Cop Land' bovenal een uiterst onderhoudende en knap vertelde studie over een sheriff die zichzelf wil bewijzen, maar daar nooit de kans toe kreeg.
James Mangold kan daarbij buigen over een indrukwekkende tour de force van Stallone, die op ingetogen wijze de pannen van het dak speelt en met groots gemak de overige cast overklast. De wonderen zijn de wereld nog niet uit...
Op het einde ontpopt 'Cop Land' zich alsnog tot een ware stadswestern, waar rechtvaardigheid en zelfopoffering centraal staan.
Het plaatje is echter helemaal compleet wanneer ook Howard Shore laat blijken, dat hij tot de betere in zijn vak behoort.
ruimverdiende 3.5*
Cube (1997)
De ongewone compact- en abstractheid, die doorgaans afwezig zijn bij andere genregenoten, siert Cube zonder meer. Alsook de onwetendheid waarmee Natali de kijker laat ronddwalen in een doolhof dat metafoor dient te staan voor het maatschappelijk kluwen. De maatschappelijke reflectie kent echter onvoldoende draagkracht, omdat het geheel louter teert op een idee. Een idee dat geen tot weinig uitwerking mist en stapsgewijs in herhaling treedt. Als gevolg van een exorbitant uitgemeten, bedacht en afgetekend plot, is het geloof in het fictieve gegeven van Cube bovendien nihil. Wanneer niet zozeer de muzikale, maar wel de visuele invulling ten slotte een onverzadigde indruk nalaat, is er van intensiteit en empathie weinig sprake.
1.5*
