Meningen
Hier kun je zien welke berichten Mr_Marty als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Jay Kelly (2025)
Jay Kelly (George Clooney) is zo een filmster met veel mensen om zich heen, die toch eenzaam is. Zijn relatie met zijn dochters Jessica (Riley Keogh) en Daisy (Grace Edwards) is moeizaam en eigenlijk is zijn manager Ron (Adam Sandler) zijn beste vriend. Tegen 15% van zijn inkomsten. Dan overlijdt de regisseur die Kelly's doorbraakfilm heeft gemaakt en krijgt Kelly na de begrafenis een aanvaring met zijn jaloerse oud-huisgenoot Timothy (Billy Crudup), die vindt dat Kelly zijn carrière heeft ingepikt. Dat resulteert in een crisis bij Kelly, die op stel en sprong besluit Daisy achterna te reizen, via Parijs naar Toscane, waar hij een oeuvreprijs kan ophalen op een festival.
Het eerste deel van de film gaat duidelijk voor een soort Capra-achtige sfeer. Veel snelle grapjes, afgewisseld met stukken melancholie, waarbij het sentiment niet wordt geschuwd. Af en toe stapt Kelly door een deur en komt dan in een melancholische flashback over gemiste kansen in zijn leven terecht. Vond ik zeer Capra, ondanks dat ik niet zeker ben of die dat ook ooit echt zo gedaan heeft. Op een gegeven moment gaan we ook met een trein - die ook uit de jaren veertig of vijftig lijkt te komen - van Parijs naar Italië. Ook weer erg retro, ook met het soort humor met veel druk gedoe met de passagiers, waaronder met de acteur die de vader speelt in De regels van Floor.
Op zich vond ik dit best geslaagd, zeker omdat Baumbach die hele stijl wel naar het heden weet te brengen; het is niet alleen maar nostalgie. George Clooney is wat betreft acteerstijl ook de acteur die het meest lijkt op die sterren uit die tijd.
Maar dan komen we in Italië (waar iedereen om de een of andere reden nog in auto's uit de jaren negentig rijdt.) En zeg je Italië en creatieve mensen met een midlife crisis, dan zeg je Fellini. Dus neemt Baumbach gewoon ongeveer 1-op-1 het hele subplot rondt het bezoek van de vader uit La Dolce Vita over. En drukke etentjes waar iedereen door elkaar praat. Maar La Dolce Vita is natuurlijk een inktzwarte film, heel anders dan dat lach-en-een-traanidee van de eerste helft. De film gaat dan ook uit de comfortzone van Clooney als acteur. Jimmy Stewart is wat hij kan als geen ander, Marcello Mastroianni ligt hem stukken minder.
Nou heeft Baumbach met The Squid and the Whale en Greenberg wel laten zien dat hij dat donkere, existentialistische ook heel goed kan, maar hier lukt het hem niet om de draai helemaal te maken. Sterker nog: het einde gaat weer vol op het sentimentele Capra-orgel met plink-plink pianomuziek en enkele tranen die over wangen rollen.
Dus krijg je een nogal onevenwichtige film die niet helemaal lijkt te weten wat hij nu wil zeggen, een rare hybride van klassiek Hollywood en existentialistisch Italiaanse cinema. Wat wel blijft staan zijn een aantal sterk gefilmde en geschreven losse scenes. Clooney zal nooit mijn favoriet zijn, maar hij zakt nooit door het ijs en er is sterke support van Sandler, Crudup en Laura Dern als zijn pr-medewerker.
Jeder für Sich und Gott gegen Alle (1974)
Alternatieve titel: The Enigma of Kaspar Hauser
De film die officieel Jeder für sich und Gott gegen allen[i/] heet, maar die iedereen altijd gewoon [i]Kaspar Hauser noemt. Na afloop even opgezocht hoe het zat met dit waar gebeurde verhaal en de Nederlandse Wikipedia-pagina blijkt zeer uitgebreid. Ook echt heel vaak verfilmd, voor het eerst al in 1915!
Wat opvalt is dat Herzog eigenlijk heel dicht bij het verhaal blijft zoals Hauser dat zelf vertelde, terwijl dat niet kan kloppen, want als hij echt jaren in een donkere stal opgesloten had gezeten, dan had hij rachitis gekregen en had hij al zijn spiermassa in zijn benen verloren. Hauser was sowieso een notoire leugenaar, iets dat Herzog helemaal weglaat. Tegelijkertijd lijkt Hauser wel degelijk echt ontwikkelingsachterstand te hebben gehad.
Maar voor Herzog gaat het in deze film niet om het mysterie rond Hauser zelf, maar veel meer om hoe de maatschappij reageert. Het slechtste geval is de burgemeester, die hem in een freakshow zet, om de kosten voor zijn verzorging te zetten. Maar zelfs de mensen die aardig voor hem zijn, zoals herr Daumer en het gezin van de agent, zien hem dan nog als project om op te voeden naar de normen van de tijd. Deze kijk is natuurlijk wel heel typisch voor begin jaren 70, waarin de discussie over wat als normaal wordt gezien en wie dat bepaalt, heel sterk was. Maar ook een discussie die weer erg actueel is.
Dit alles wordt gebracht in Herzogs typische net-niet-naturalistische stijl, die altijd een beetje een vervreemdend effect heeft, dat ik zeer waardeer, maar waar veel mensen ook op afknappen.. Hij laat Hauser, die een tiener was, spelen door de veel oudere outsider artiest Bruno S., omdat die een beetje een vergelijkbare geschiedenis had. Ook die typische mise-en-scène waarin alles heel leeg en/of geposeerd is, alsof het een schilderij uit die tijd is. Veel natuurschoon, waar Beieren zich goed voor leent. Huis en vooral de tuin van herr Daumer, met blijkbaar permanente bewoning door een ooievaar, zijn echt een plaatje.
Jonas (1957)
Jonas (Robert Graf) vindt dat hij een hoed moet. Het zijn immers de jaren vijftig en de succesvolle jarenvijftigman heeft een hoed. Zegt de reclame. En de rest van die Umwelt. Dus koopt hij er één. Wel duur, maar hij is helemaal het mannetje met zijn Homburg en de verkoopster Nanni (Elisabeth Bohaty) vindt hem nog leuk ook. Date! Alleen wordt dan bij de eerste de beste lunchstop de hoed gestolen. Jonas flink over de zeik. Uit pure kinnesinne steelt hij er zelf één terug. Daar blijkt alleen het monogram 'MS' in te staan en dat triggert flashbacks naar der Krieg en zo komt Jonas in de duistere buik van de walvis die waanzin heet; de hoed is een boemerang van vilt.
Dit is echt helemaal mijn soort film: experimenteel en enorm origineel, maar wel met een duidelijk verhaal en met een mix van absurdistische humor en verontrustende kafkaëske scenes. Daarvoor kan je als Duitser ook heel mooi teruggrijpen op de beeldtaal van de expressionistische klassiekers, iets dat Jonas dan ook regelmatig doet. Het wordt afgemaakt met precies de goede nerveuze soundtrack van Schönberg-leerling Winfried Zillig (zo te lezen best wel fout in de oorlog, maar waarschijnlijk was de keuze marsdeuntjes maken voor nazi-propaganda of naar het oostfront), met wat Duke Ellington voor de afwisseling in de mix.
De tone of voice en het gebruik van een constant aanwezige, subjectieve voice-over deden me een beetje The Cremator denken. Alleen daar hoor je één stem, terwijl Jonas wordt gebombardeerd door allerlei stemmen die aan hem trekken, van reclameslogans tot bijbelcitaten. Dat - en dit is een heel vreemde vergelijking, weet ik - deed me dan weer denken aan de videogame Hellblade: Senua's Sacrifice uit 2018, die alom werd geprezen om hoe hij psychose verbeeldde, vooral via de soundtrack. En dat deed Jonas' regisseur Ottomar Domnick dus al in 1957. Hij was eigenlijk dan ook psychiater en heeft verder niet veel films gemaakt.
Dat kwam ook omdat Domnick een beetje op de troepen vooruit liep. 1957 was weliswaar het jaar dat Bergman ook Wilde aardbeien en Het zevende zegel uitbracht (lekker bezig), maar nog net voor het begin van Nouvelle Vague. De Duitse variant daarop, met Herzog en Fassbinder en zo, begon eigenlijk pas in 1962 met het Oberhausener Manifest. Dat Domnick goed zijn vinger op de pols van de culturele scene in West-Duitsland had, blijkt ook wel uit dat het script mede werd geschreven door gigant van de Duitse literatuur Hans Magnus Enzensberger, die ook in 1957 zijn eerste boek uitbracht. Domnick kan dus met recht zeggen dat hij al fan van Enzensberger was voor hij beroemd werd.
Jonas was ondanks aanvankelijk goede ontvangst in Duitsland zelf, toch nog wat te raar voor veel mensen - The New York Times schijnt vernietigend te zijn geweest - en raakte daarom nogal in de vergetelheid. Maar nu kan je het gewoon weer kijken, in gerestaureerde vorm (zij het wel met nog wat beschadigingen.) Wat dat betreft is het toch wel een toptijd.
Sowieso een fascinerende man, die Domnick. Hij was ook een verzamelaar van kunst en er is nog steeds een Sammlung Domnick museum. Maar hij hield ook van snelle auto's en was de eerste die zijn Porsche persoonlijk kwam afhalen bij de fabriek, waarmee hij een traditie startte. Dus staat zijn foto ook prominent op de Porsche website.
Eerlijk gezegd had ik verwacht dat er iets van 5 tot 10 mensen op deze vertoning zouden afkomen, maar het was ondanks kou en gladheid gewoon vol. Nu kan er maar iets van 60 man in Filmhuis Cavia, maar dat is toch meer dan bij menige vertoning van meer mainstream moderne films. Er was ook een inleiding bij. Daar ben ik niet altijd fan van, maar deze was erg informatief; veel van wat je hier leest komt daar uit.
