Alternatieve titel: Three Days of Fish, 13 januari, 12:26 uur
We hebben onze eigen polder-Ozu! Of polder-Kaurismäki! Hoe dan ook: steengoede stuggemannenfilm van Peter Hoogendoorn. Veel droogkomische toestanden, maar net onder de oppervlakte zit echte pijn.
En als je een stugge man nodigt heb, met de echte stuggemannennaam Gerrie, dan cast je vanzelf Ton Kas. Met "Opa was geen prater, ik was geen prater, als twee niet praten, wordt er niet gepraat" en "Ja, nee, was gezellig" voegen hij en Hoogendoorn twee nu al klassieke oneliners toe aan de Nederlandse filmgeschiedenis.
En Guido Pollemans als wanhopig contact zoekende, niet helemaal stabiele zoon Dick is gewoon net zo goed. Sterker nog: Dicks vrolijkheid bij het bezoek van het huis van oma is het meest ontroerende wat ik in lange tijd in een film gezien heb; een leven dat gepiekt heeft bij het houtje tegen het klapperende raam.
In mijn hoofd had ik altijd dat Christopher Nolans debuut Following één van zijn betere films is, maar ik had hem sinds de oorspronkelijke bioscooprelease nooit meer gezien en ik wil ook niet die "ik vind alleen de eerste in de garage opgenomen cassettedemo goed"-gast zijn. Dus maar eens opnieuw bekeken. En vastgesteld: Following is inderdaad één van Nolans beste films, waarbij ik wel moet aantekenen dat ik geen echte Nolan-fan ben, met als grote uitzondering Oppenheimer, want die combineert mijn grote liefdes van praterige politieke thrillers en een klassieke tragische held die zichzelf verdoemt.
De eerste indruk is al meteen goed: speelduur 70 minuten. Je kan het dus wel, Chris! Natuurlijk vanwege een beperkt budget ook nog geen grote actiescenes, wat mij betreft de achilleshiel van Nolan. En Hans Zimmer is er ook nog niet om de film te verpesten met zijn lelijke bombast, hoewel ik ook hier de soundtrack soms al iets te nadrukkelijk aanwezig vond, dus dat was al een veeg teken.
Deze film is ook al op zijn Nolans helemaal door elkaar gehusseld qua tijdlijn. Dat viel destijds alleen niet zo op, want na Pulp Fiction was dat erg in de mode. Een ander extreem jarennegentigding aan deze film is dat inbrekers vooral voor de cd's gaan, want die zijn klein, relatief waardevol en snel te verpatsen.
Following is vooral een fijne neo-noir. In zwart-wit, dus helemaal echt qua schaduw-en-licht cinematografie, nota bene van Nolan zelf. Goede locaties in Londen ook. En met een origineel gegeven voor het verhaal. Uiteindelijk wordt het wel wat vergezocht, maar een ingewikkelde plot met vijf lagen van bedrog op bedrog is ook een genreconventie.
Jonas (Robert Graf) vindt dat hij een hoed moet. Het zijn immers de jaren vijftig en de succesvolle jarenvijftigman heeft een hoed. Zegt de reclame. En de rest van die Umwelt. Dus koopt hij er één. Wel duur, maar hij is helemaal het mannetje met zijn Homburg en de verkoopster Nanni (Elisabeth Bohaty) vindt hem nog leuk ook. Date! Alleen wordt dan bij de eerste de beste lunchstop de hoed gestolen. Jonas flink over de zeik. Uit pure kinnesinne steelt hij er zelf één terug. Daar blijkt alleen het monogram 'MS' in te staan en dat triggert flashbacks naar der Krieg en zo komt Jonas in de duistere buik van de walvis die waanzin heet; de hoed is een boemerang van vilt.
Dit is echt helemaal mijn soort film: experimenteel en enorm origineel, maar wel met een duidelijk verhaal en met een mix van absurdistische humor en verontrustende kafkaëske scenes. Daarvoor kan je als Duitser ook heel mooi teruggrijpen op de beeldtaal van de expressionistische klassiekers, iets dat Jonas dan ook regelmatig doet. Het wordt afgemaakt met precies de goede nerveuze soundtrack van Schönberg-leerling Winfried Zillig (zo te lezen best wel fout in de oorlog, maar waarschijnlijk was de keuze marsdeuntjes maken voor nazi-propaganda of naar het oostfront), met wat Duke Ellington voor de afwisseling in de mix.
De tone of voice en het gebruik van een constant aanwezige, subjectieve voice-over deden me een beetje The Cremator denken. Alleen daar hoor je één stem, terwijl Jonas wordt gebombardeerd door allerlei stemmen die aan hem trekken, van reclameslogans tot bijbelcitaten. Dat - en dit is een heel vreemde vergelijking, weet ik - deed me dan weer denken aan de videogame Hellblade: Senua's Sacrifice uit 2018, die alom werd geprezen om hoe hij psychose verbeeldde, vooral via de soundtrack. En dat deed Jonas' regisseur Ottomar Domnick dus al in 1957. Hij was eigenlijk dan ook psychiater en heeft verder niet veel films gemaakt.
Dat kwam ook omdat Domnick een beetje op de troepen vooruit liep. 1957 was weliswaar het jaar dat Bergman ook Wilde aardbeien en Het zevende zegel uitbracht (lekker bezig), maar nog net voor het begin van Nouvelle Vague. De Duitse variant daarop, met Herzog en Fassbinder en zo, begon eigenlijk pas in 1962 met het Oberhausener Manifest. Dat Domnick goed zijn vinger op de pols van de culturele scene in West-Duitsland had, blijkt ook wel uit dat het script mede werd geschreven door gigant van de Duitse literatuur Hans Magnus Enzensberger, die ook in 1957 zijn eerste boek uitbracht. Domnick kan dus met recht zeggen dat hij al fan van Enzensberger was voor hij beroemd werd.
Jonas was ondanks aanvankelijk goede ontvangst in Duitsland zelf, toch nog wat te raar voor veel mensen - The New York Times schijnt vernietigend te zijn geweest - en raakte daarom nogal in de vergetelheid. Maar nu kan je het gewoon weer kijken, in gerestaureerde vorm (zij het wel met nog wat beschadigingen.) Wat dat betreft is het toch wel een toptijd.
Sowieso een fascinerende man, die Domnick. Hij was ook een verzamelaar van kunst en er is nog steeds een Sammlung Domnick museum. Maar hij hield ook van snelle auto's en was de eerste die zijn Porsche persoonlijk kwam afhalen bij de fabriek, waarmee hij een traditie startte. Dus staat zijn foto ook prominent op de Porsche website.
Eerlijk gezegd had ik verwacht dat er iets van 5 tot 10 mensen op deze vertoning zouden afkomen, maar het was ondanks kou en gladheid gewoon vol. Nu kan er maar iets van 60 man in Filmhuis Cavia, maar dat is toch meer dan bij menige vertoning van meer mainstream moderne films. Er was ook een inleiding bij. Daar ben ik niet altijd fan van, maar deze was erg informatief; veel van wat je hier leest komt daar uit.
Louis Bloom (Jake Gyllenhaal), een scharrelende psychopaat die in Ben Shapiro-achtige cadans praat in citaten uit management- en zelfhulpboeken en zo overkomt als een huismerk Patrick Bateman, vindt zijn roeping als stringer. Hij ziet er namelijk geen been in een lijk even te verslepen als het een mooier plaatje oplevert of gewoon het huis waar de moorden zijn gepleegd binnen te gaan en heeft zo veel exclusieve bloederige plaatjes voor sensatiebeluste lokale televisie. Grenzen worden steeds verder overschreden.
Deze film heeft fijne LA-bij-nacht cinematografie, die wel duidelijk schatplichtig is aan Michael Mann. Maar goed, dat is nog een kwestie van "beter goed gestolen". Als het om de hoofdpersoon gaat is het een lastiger verhaal. Louis Bloom is een veel te eendimensionale schurk om een hele film te kunnen dragen, hoe zeer Gyllenhaal ook zijn best doet.
Maar dat is niet eens het zwakste punt van Nightcrawler. Dat is de veel te dik opgelegde thematiek. Zoals ik zei doet het karakter een beetje denken aan Patrick Bateman uit American Psycho als kleine scharrelaar en de thematiek neigt naar die van Network, maar het niet zoals die films satire, maar een vrij sec gebracht moralistisch verhaal. Dat de boodschap, die op zich al meer dan duidelijk genoeg is, dan ook nog een paar keer expliciet wordt uitgedragen in expositiescenes is er echt te veel aan.
Alternatieve titel: Het China Syndroom, 8 januari, 12:06 uur
Het is een paranoiathriller uit de jaren 70 (geen rampenfilm!), met alle gebruikelijke ingrediënten. De cinematografie is vooral functioneel. Twee dingen maken de film echter bijzonder: de kwaliteit van het script en de cast.
Bijna elke film van dit genre bevat plotwendingen die een flinke suspension of disbelief vereisen. Maar hier betrapte ik mezelf er constant op dat ik dacht: "Ja, zo zou dat gaan" en "Natuurlijk doen ze dat zo". En het gaat niet alleen om de hoofdplot over een doofpotaffaire rond onveilige toestanden in een kerncentrale, maar ook om kleine details zoals al het dagelijkse seksisme dat het personage van Jane Fonda moet doorstaan (hierdoor was ik ervan overtuigd dat het verhaal minstens mede door een vrouw geschreven moest zijn, maar de drie scenarioschrijvers die op de aftiteling staan zijn mannen), de nutteloze protesten tijdens de hoorzitting over de nieuwe kerncentrale en het soort stupide nieuwsitems dat Fonda moet maken (de schrijvers hebben daar duidelijk veel plezier mee gehad). Het enige dat echt raar was, was dat Fonda's personage een enorme schildpad als huisdier had. Maar dat was ook duidelijk bedoeld als grappig detail.
En dan wordt dit geweldige script toevertrouwd aan een geweldige cast: Jane Fonda, Michael Douglas, Wilford Brimley, James Hampton en Daniel Valdez schitteren allemaal, maar het is Jack Lemmon die laat zien waarom hij wordt beschouwd als één van de grootste acteurs aller tijden.
Ik had weken van tevoren al gepland om deze film te gaan kijken - ik vermoed dat hij werd vertoond omdat de schrijver van de roman waarop de film gebaseerd is net de Nobelprijs voor Literatuur heeft gewonnen - en toen bleek de gekozen dag net de sterfdag van Béla Tarr te zijn. Een beetje griezelig, maar ook wel toepasselijk?
Omdat ik alleen The Man from London had gezien en gezien Tarrs reputatie, verwachtte ik dat deze film extreem traag zou zijn, maar het was standaard arthouse-drama traag; lang niet zo glaciaal als The Man from London en met veel meer standaard dialogen. Wel net zo prachtig gefilmd. Ik dacht wel dat er iets mis was met het geluid van onze vertoning, maar het bleek dat de meeste acteurs geen Hongaren waren en dat hun stemmen waren nagesynchroniseerd.
Ik vond de film meteen goed, maar het duurde even voordat ik doorhad waar het naartoe ging. Toen ze het over 'het schoonmaken van de stad' hadden, kreeg ik een eerste vermoeden en toen we eindelijk de Prins hoorden praten en het bleek dat hij Russisch sprak, dacht ik dat ik het begreep: het is een allegorie voor de Hongaarse geschiedenis rond de Tweede Wereldoorlog.
Meneer Eszter vertegenwoordigt de oude Oostenrijks-Hongaarse intellectuele elite, die zich heeft teruggetrokken uit de wereld in droge theorieën en geen interesse meer heeft in de wonderen van de walvis of zelfs maar de schoonheid van muziek. Tünde vertegenwoordigt de bourgeoisie, die is overgestapt naar het fascisme, vertegenwoordigd door de politiechef en de kinderen die niet naar bed willen (dat stukje vond ik geweldig). Wanneer meneer Eszter de lijst moet laten ondertekenen om de stad schoon te maken en wanneer hij steeds maar weer benadrukt hoe vreselijk dit in het verleden is misgegaan, moet hij het wel over de Eerste Wereldoorlog hebben. En nooit geziene De Prins, van wie we horen dat hij Russisch spreekt en een dwerg is, is beroemd onderdeurtje Stalin, die de hordes aanzet tot nihilistische vernietiging. Tenminste, zo heb ik het begrepen.
Zelfs als dat niet helemaal klopt, is het zeker een krachtige film over hoe bekrompen en door angst gedreven mensen niet langer bereid zijn de wonderen van de walvis en de zonsverduistering te zien. En dat is helaas een boodschap die in Europa in 2026 nog steeds nodig is.
Het mag dan wel over hoe letterlijke en figuurlijke spoken je achtervolgen gaan, uiteindelijk is toch niets enger dan een gammele steiger. Serieus: ik heb in geen tijden zo een zenuwslopende scene gezien.
Goede mix van een melancholiek Engels spookverhaal en Italiaanse visuele extravagantie. Met net die kleine details, zoals die rare rechercheur, die de beklijvende horror kenmerken.
Deze horrorfilm begint heel sterk: een patiënt van psycholoog Rose Cotter (Sosa Bacon, dochter van) pleegt op gruwelijke wijze zelfmoord in de spreekkamer. Ze zegt hiertoe te worden gedreven door een kwade geest, die zich manifesteert als mensen met een kwaadaardig verwrongen lach op hun gezicht. De vloek springt vervolgens over op Rose.
Het ziekenhuis waar zich dit afspeelt is een sterk staaltje uncanny valley interieur met zijn pastelroze en -blauwe kleurenschema en net te grote en net te kale spreekkamer. Het had zo uit een Dario Argento of David Lynch-film kunnen komen (specifiek Blue Velvet.) Maar de rest van de film is veel conventioneler en op een gegeven moment zitten we toch weer gewoon in een vervallen hut in het bos.
Dat blijft de hele film een beetje zo. Schrijver en regisseur Parker Finn doet af en toe echt heel goede dingen, maar lijkt zelf niet helemaal te beseffen wanneer hij goud in handen heeft en wanneer hij middelmaat produceert. Hij laat daarom ook kansen liggen. De beste gedeeltes van de film zijn de meer surrealistische psychologische horror, maar Finn gooit het net zo vaak liever over de boeg van een goedkoop schrikeffect.
Bijna vanzelfsprekend is de film met zijn bijna 2 uur ook te lang. Dat komt omdat Smile de fout van veel moderne horrorfilms maakt om te veel aandacht te geven aan de dramatische kant van het verhaal. Een film vol jumpscares en grand guignol leent zich simpelweg niet voor het vertellen van een goed onderbouwd drama over een traumatische jeugd. Het dramatische deel haalt de vaart uit de horror en het horrordeel maakt dat het dramatische deel groezelig voelt. Gewoon een setup maken en dan 90 minuten knallen met die horror. (Misschien dat een absolute topregisseur hier ooit in gaat slagen.)
Maar door een aantal ijzersterke momenten en een zeer overtuigende performance van Bacon, wiens bijna zwarte ogen (dat blijken geen contactlenzen, wat ik eerst dacht) ook perfect zijn voor deze op gezichten gefocuste horror, toch nog een dikke voldoende.
Het is dus zo lang geleden dat ik Die Hard gezien had, dat ik me niet kon herinneren of ik eigenlijk ooit wel de hele film gezien had of dat ik er een keer op televisie midden in was gevallen. Het begin zei me in ieder geval helemaal niets meer. Ik had ook een idee van John McClane die aan een vliegtuig hangt in deze film, maar dat moet dan een vervolg zijn geweest. Mooi, want ik heb echt een ontzettende hekel aan dingen herbekijken die ik me nog goed herinner. En zo krijg je ook toch ook weer wat frisse inzichten:
- Toch wel fraaie post-moderne architectuur, dat Nakatomi Plaza, met die soort herinterpretatie van de art deco.
- Maar de film is toch vooral een ode aan de filmische mogelijkheden van de technische ruimte.
- Goede ontploffingen ook. Een schaalmodel opblazen ziet er toch gewoon beter uit dan het in de computer doen. We moeten terug!
- Een aantal scenes in het begin leken me geïnspireerd door Michael Manns meesterwerk Thief (wat uiteindelijk toch wel een nog veel betere film is.)
- Alan Rickman had een prima Duitse uitspraak.
- In deze tijd zagen Amerikaanse politiemensen er nog uit als politiemensen in normale uniformen, met normale dienstpistolen en met normale politieauto's. Met die pantserwagen en helikopters zie je wel al de eerste stappen richting de huidige robocops. Die film is ook uit 1988, dus blijkbaar begon zat die vermilitarisering toen in de Zeitgeist (er toch even een Duits woord in gooien, net als de film.)
- Een tijd zat ik een beetje te puzzelen wat de politieke insteek van de film nu was. Meestal is in actiefilms de buitenlandse multinational toch wel het kwaad, zeker een Japanse; Japan was toen toch wat China nu is. Maar Nakatomi lijkt een keurig bedrijf, dat ook nog carrièrekansen aan een vrouw biedt. De slechteriken zijn ook nadrukkelijk geen terroristen, maar ordinaire boeven en de film heeft duidelijk niets op heeft met politiediensten als organisatie. Uiteindelijk is het eigenlijk simpel: het is een liberale film. Internationale handel is goed, kansen voor iedereen die hard (dat was per ongeluk!) werkt en risico's neemt en een sigaretje opsteken moet mogen. En een dikke middelvinger naar big government in welke vorm dan ook en hypocriete roddelaars in de pers.
- Ik denk dat dat ook wel een rol speelt in de voortdurende populariteit van de film. Veel actiefilms van eind jaren 70/begin jaren 80 hebben die nationalistische "Fuck yeah, America!" toon en zijn ook vaak erg seksistisch. En de slechteriken zijn geen goed geklede blonde Duitsers, maar 'street punks', vaak met een flink percentage van niet-Europese afkomst. Zelfs als het niet heel expliciet is, krijgen die films zo toch een een groezelige vibe die Die Hard gelukkig mist.
- En dan is de film ook nog zo slim de uitwassen van systeem wel te bekritiseren in de persoon van Ellis. Voor de moderne kijker extra leuk omdat de doorgesnoven arrogante baardmans sterke gelijkenissen vertoont met Donald Trump Jr.
Alternatieve titel: The Enigma of Kaspar Hauser, 16 december 2025, 12:51 uur
De film die officieel Jeder für sich und Gott gegen allen[i/] heet, maar die iedereen altijd gewoon [i]Kaspar Hauser noemt. Na afloop even opgezocht hoe het zat met dit waar gebeurde verhaal en de Nederlandse Wikipedia-pagina blijkt zeer uitgebreid. Ook echt heel vaak verfilmd, voor het eerst al in 1915!
Wat opvalt is dat Herzog eigenlijk heel dicht bij het verhaal blijft zoals Hauser dat zelf vertelde, terwijl dat niet kan kloppen, want als hij echt jaren in een donkere stal opgesloten had gezeten, dan had hij rachitis gekregen en had hij al zijn spiermassa in zijn benen verloren. Hauser was sowieso een notoire leugenaar, iets dat Herzog helemaal weglaat. Tegelijkertijd lijkt Hauser wel degelijk echt ontwikkelingsachterstand te hebben gehad.
Maar voor Herzog gaat het in deze film niet om het mysterie rond Hauser zelf, maar veel meer om hoe de maatschappij reageert. Het slechtste geval is de burgemeester, die hem in een freakshow zet, om de kosten voor zijn verzorging te zetten. Maar zelfs de mensen die aardig voor hem zijn, zoals herr Daumer en het gezin van de agent, zien hem dan nog als project om op te voeden naar de normen van de tijd. Deze kijk is natuurlijk wel heel typisch voor begin jaren 70, waarin de discussie over wat als normaal wordt gezien en wie dat bepaalt, heel sterk was. Maar ook een discussie die weer erg actueel is.
Dit alles wordt gebracht in Herzogs typische net-niet-naturalistische stijl, die altijd een beetje een vervreemdend effect heeft, dat ik zeer waardeer, maar waar veel mensen ook op afknappen.. Hij laat Hauser, die een tiener was, spelen door de veel oudere outsider artiest Bruno S., omdat die een beetje een vergelijkbare geschiedenis had. Ook die typische mise-en-scène waarin alles heel leeg en/of geposeerd is, alsof het een schilderij uit die tijd is. Veel natuurschoon, waar Beieren zich goed voor leent. Huis en vooral de tuin van herr Daumer, met blijkbaar permanente bewoning door een ooievaar, zijn echt een plaatje.