Fellini in zijn decadente fase maakt tijdens de decadente fase van het hippiedom een film over de decadente fase van het Romeinse Rijk. Het resultaat is een puinhoop. Een fascinerende puinhoop, maar toch: een puinhoop. Karakters die slaande ruzie hebben, zijn de volgende scene ineens dikke vrienden (en geliefden) en vice versa, karakters die belangrijk lijken verdwijnen in het niets, karakters die er totaal niet toe doen krijgen uitgebreide introducties. Dan zijn we hier, de volgende scene zijn we daar en wat er tussen gebeurd is: weggeknipt? geen budget meer voor? Andere scenes gaan maar door en door en door... Oh, en Fellini mag een geweldige filmmaker zijn, vechtscenes zijn duidelijk niet zijn kracht. Uiteraard ook een echte Italiaanse dub om alles nog net iets afstandelijker te maken.
Maar net als bij Jodorowsky is het veel irritant gedoe, totdat het klikt en het ineens briljant visueel spektakel wordt. Omdat Fellini de geniale filmmaker Fellini was, gebeurt dat net wat vaker dan bij Jodorowsky, die meer een rommelaar met megalomane ideeën was. Meer budget ook.
Naar mijn idee is dit vreemd genoeg in al zijn psychedelische decadentie wel één van de meer accurate films over het Romeinse Rijk. Er is een eindeloos banket waar geldt: hoe raarder het gerecht, hoe meer status (beer!) Vrije seksuele moraal. En een echte man gaat voor jonge jongetjes, want die zijn beter dan vrouwen. Instortende woonkazernes. Constante staatsgrepen en grof geweld. Veel waarzeggerij en orakels. De boodschap over vulgaire ultrarijken die ineens rare fascinaties met de dood ontwikkelen en artistieke pretenties gaan hebben, kan je ook zo op het heden plakken.
Maar zelfs op zijn best - 8½, La Dolce Vita - is een Fellini film véél film en hier is het gewoon te veel, ondanks de redelijke speelduur van net over twee uur.
Na Kabul, between Prayers weer een absolute topdocumentaire van een naar Nederland gevluchte filmmaker die terugging. Dat 'documentaire' wekt waarschijnlijk wel andere andere verwachtingen dan de film die je te zien krijgt. Pamyat' zijn de verfilmde jeugdherinneringen van Vladlena Sandu over opgroeien in Grozny als kind van Russische afkomst tijdens de Tsjetsjeense oorlog. Die vertelt ze in voiceover en daar zitten dan poëtische beelden bij. Amina Taisumova en Selima Agamirzaeva spelen de jonge Vladlena, maar veel scenes zijn ook gemaakt met kinderspeelgoed. De beeldtaal is nogal geïnspireerd zijn door filmmakers als Tarkovsky en Parajanov. Nou vind ik die twee vaak visueel indrukwekkend, maar te zweverig in hun vertelstijl, maar Sandu's verteller blijft dicht bij de gruwelijke waarheid, wat juist goed werkt in contrast met de wat meer abstracte beelden. Wat dat betreft zit ze eigenlijk dichter bij Idi i Smotri of Bergman, die, hoewel minder gruwelijk, ook heel concrete verhalen met meer abstracte beeldtaal mengde. Af en toe een goede 90s europopbanger op de soundtrack helpt ook om het verhaal in de tijd te gronden; de film opent met Dr. Albans 'It's My Life'. Het einde was me dan weer net iets te Socutera; dat had abstracter kunnen blijven.
De film is trouwens echt opgenomen in Tsjetsjenië. Daarvoor was wel een list nodig: Sandu zei dat ze een film ging maken over haar grootvader, een veteraan uit Tweede Wereldoorlog, en maakte een nepscript. Om controle te voorkomen, filmde ze op 16mm film, dat niet ontwikkeld kan worden in Tsjetsjenië. (via Het Parool)
Wat nog het vermelden waard is: Sandu's liefde voor oude films en dan specifiek King Kong speelt een rol in de documentaire. Ze kiest er ook voor om de film ouderwets te openen met alle credits en te eindigen met groot 'Fin' op het scherm, iets waarvan ik al tijden roep dat het terug moet komen, dus bonuspunten daarvoor.
Vanwege The Odyssey had Eye deze klassieker ook maar weer eens uit de kast getrokken. De film is vooral beroemd wegens de stop motion special effects van grootmeester Ray Harryhausen. Volkomen terecht, want zeker het gevecht met de skeletten hoort in de canon van beste specialeffectsscenes ooit.
Ook wel leuk hoe in vergelijking met The Odyssey het scenario hier veel meer vasthoudt aan hoe zo een Griekse mythe werkt, met goden die continu actief in het verhaal ingrijpen om te helpen of tegen te werken.
Verder is het heel erg typisch een avonturenfilm uit deze tijd. Dat heeft zijn voordelen, zoals het gebruik van kleur, iets wat tegenwoordig niet meer schijnt te mogen. Het is niet eens Technicolor, maar het knalt echt van het scherm af in vergelijking met wat ze tegenwoordig doen, ook bij de geweldige semi-psychedelische look van Medea. Er zijn ook wat Engelse karakteracteurs die alle remmen los gooien. Jack Gwillim als Aietes zie je even heerlijk schmieren aan het begin van de skelettenscene en ook Douglas Wilmer als Pelias is prima, maar Nigel Green als Hercules is mijn favoriet. Tenslotte is er ook de lekker tetterende score van de legendarische Bernard Herrmann. En de hele trip wordt afgewikkeld in 104 minuten. "Oude films zijn zo traag" hoor je dan vaak in deze tijd, waar de meest pretentieloze horrorfilms al 2,5 uur duren.
Daar staat tegenover dat het net zo vaak behoorlijk knullig en/of houterig is. Man-tot-man zwaargevechten konden ze ook toen al veel beter (denk de klassieke Robin Hood uit 1938). De bleke Amerikaan Todd Armstrong als Jason is wel echt de zwakste schakel, zeker als de Engelse veteranen om hem heen flink los gaan.
Clark (Chiwetel Ejiofor), een in in het leven teleurgestelde architect die onsuccesvol manager van een meubelzaak met alleen maar heel lelijke meubels is geworden, vindt een oneindig labyrinth in de kelder van zijn zaak. Hij vertelt zijn therapeut Mary (Renate Reinsve), die zelf de nodige bagage heeft, erover. Als Clark verdwijnt, gaat ze naar hem op zoek.
Er zaten behoorlijk wat dingen in Backrooms die ik goed vond. Ejiofor is goed in de hoofdrol, de praktische effecten, die af en toe een beetje houtje-touwtje zijn (waar ik van houd), de bewuste lelijkheid van alles.
Maar als geheel werkt het allemaal net niet. Het is allemaal een beetje halfbakken. Je kunt dingen open laten zodat het surrealistisch en raadselachtig blijft, maar ook omdat het niet goed is uitgewerkt. En hoewel Backrooms duidelijk in de categorie van films zit die voor het eerste gaat, had ik toch vaak meer het gevoel dat het het tweede was. Of je legt iets uit of je legt het niet uit, zodat het raadselachtig en droomachtig wordt. Backrooms eindigt voor mijn vaak in een niemandsland ergens halverwege. Dit is ook zo een horrorfilm waarin iedereen kiest voor de meest impulsieve, stupide manier van handelen.
De film wint ook niet echt de originaliteitsprijs. De hele esthetiek was me als liefhebber van een bepaald type computergame ook overbekend: stukje found footage met schuddende camera, eindeloze gangen die telkens veranderen met daarin lukraak geplaatste stapels identieke voorwerpen die soms door muren heen clippen. Oh, en er is ook een monster dat op geluid afkomt. En daar dan een existentieel verhaal waarbij de vorm van de horror wordt bepaald door trauma's. The Stanley Parable en vooral opvolger The Beginner's Guide kwamen bij me op als duidelijke inspiratiebronnen, maar ook meer standaard horror als Layers of Fear en zelfs Little Nightmares. Ook denk ook aan de romans House of Leaves en zelfs Alice in Wonderland.
De film had ook veel last van opvulling. Er zijn veel lang aanhouden overgangsshots van het Californische stadje waar het zich afspeelt en dat dwalen door het doolhof ging soms wel erg lang door. Dat was nog tot daar aan toe geweest als de film 80 of 90 minuten was geweest, maar hij is 111 minuten lang. Daar hadden voor mijn gevoel zo 20 minuten vanaf gekund.
David (David Naughton) en John (Griffin Dunne) worden, na eerst een vreemde ontmoeting te hebben gehad met een nogal vijandige lokale bevolking (maar die mop over de Amerikaan in het te zware vliegtuig is wel goed) tijdens het backpacken op de Engelse hei aangevallen door een monster. John overleeft het niet en David belandt in het ziekenhuis in Londen. Daar wordt hij verliefd op zuster Alex (Jenny Agutter), maar hij heeft ook rare nachtmerries. Binnenkort is het weer volle maan...
An American Werewolf in London is tegenwoordig vooral nog bekend van de praktische weerwolfeffecten van Rick Baker, die inderdaad nog steeds prima zijn. Ook de hoofdrolspelers zijn allemaal goed. Zowel Naughton, die uit de Kevin Bacon/Emma Stone school van "Naakt acteren? Ja, graag!" lijkt te komen, als de van tientallen Britse series en films bekende Agutter zijn charmant en losjes, maar Griffin Dunne steelt toch de show als steeds verder wegrottende verdoemde ziel.
Verder is het typisch, vaak nogal melig 80's tienervertier. Dat melige had ik trouwens kunnen zien aankomen, aangezien Landis ook de regisseur van Kentucky Fried Movie en Coming to America is. De kwaliteit van de grappen varieert ook nogal, maar er zitten wel een stel goed tussen. Het plot vertrouwt is verder een enorme stapel clichés, inclusief een paar enorme cringe-momenten in de romance tussen David en Alex, zoals je verwacht in een film uit die periode.
Normaal vind ik spoilers niet zo belangrijk - het gaat me er veel meer om hoe het verhaal verteld wordt, dan wat het plot is - maar The Swimmer is een zeldzaam geval waar ik ten zeerste aanraad om de film te gaan kijken met zo min mogelijk informatie vooraf. Oh, en ook blijven kijken als je in het begin denkt dat je het helemaal niets vindt.
Laat ik het zo zeggen: het is alle seizoenen Mad Men samengevat in één handzame film van 95 minuten. Een meedogenloze satire over het einde van het tijdperk van handtastelijke playboys in het kapitalistische wonderland van Amerika tussen 1945 en 1968. Als alle met drank overgoten tuinfeestjes zijn geëindigd met een kater, alle buitenechtelijke affaires zijn geëindigd met een schreeuwpartij in een restaurant en alle zwembaden zijn leeggepompt, dan volgt het zwarte gat. Erg goed geschreven, met een glansrol van Burt Lancaster. Af en toe misschien iets te dik aangezet, hoewel dat dik aanzetten ook de grappigste momenten oplevert.
Westchester, Connecticut is trouwens wel wonderschoon.
Tijdens de hypotheekcrisis van 2008, zet op de ochtend dat ze hun huis uitgezet zouden worden een recent weduwnaar geworden vader (John Magaro) zijn kinderen Ella (Molly Belle Wright) en Charlie (Wyatt Solis) en hond Rex in de oude rammelbak. Ze vertrekken uit Nevada naar Nebraska. Waarom Nebraska? Dat wordt pas helemaal aan het einde van de film duidelijk. Pa is sowieso geen prater en hulp vragen gaat hem al helemaal niet gemakkelijk af. Charlie is nog te jong om door te hebben wat er aan de hand is en houdt zich bezig met de grote vragen des levens, zoals of je liever een vieze wc schoon wilt likken of vijf plakken bedorven kaas wilt eten, maar Ella merkt steeds meer dat er iets helemaal mis is.
Sterke tranentrekkende roadmovie, ongeveer driekwart Aftersun en een kwart Hit the Road. Ook de grote hoofdrol voor John Magaro die hij al een tijdje verdiende en hij maakt het helemaal waar. Sterke support van Wright (die blijkt Engels!) en Wyatt Solis als zijn kinderen. Ook erg mooie cinematografie. De muziek was me soms net té.
Ik zal eerlijk zijn: deze film zette mijn aanvankelijk op het verkeerde been. Het begint als een heel standaard jaren 80 buddy cop actiefilm. In de proloog gaat Secret Service agent Richard Chance (William Petersen) samen met zijn partner Jim (Michael Greene) uiterst kordaat en professioneel te werk bij het vangen van een Arabische zelfmoordterrorist. Dan wordt Jim vermoord door valsemunter Rick Masters (Willem Defoe), uiteraard drie dagen voor zijn pensioen. Chance zweert dat hij Masters gaat pakken, ook al moet hij daarvoor onder protest van zijn nieuwe partner John Vukovich (John Pankow) wat suffe regeltjes breken.
Maar net toen ik dacht: "Dit is best wel cliché eighties actiemeuk", begon op te vallen dat Chance wel heel erg schijt aan de regels had. En daarbij ook nog blunder op blunder stapelde. To Live and Die in L.A. blijkt namelijk de spirituele opvolger te zijn van Friedkins The French Connection. Net als Gene Hackmans Popeye Doyle is Petersens Chance ongeveer een grotere psychopaat dan de boef. En dat wil wat zeggen, want Defoe gaat hier lekker los als sinistere slechterik. Maar zijn Masters is wel competent en lijkt echt van zijn vriendin te houden, wat meer is dan je van Chance kan zeggen. Dit is neo noir op zijn cynischt, waar iedereen iedereen bedriegt en niemand echt sympathiek is.
En het gaat van kwaad tot erger, tot het op het einde pure opera wordt. Ik moet zeggen: ik zag wel zo ongeveer waar het heenging, maar in de finale zitten toch wel een paar "WAT?!"-momenten.
De setting is verplaatst van het rauwe New York van de jaren zeventig voor The French Connection naar het glamoureuze Los Angeles van de jaren tachtig. Want qua jarentachtigvormgeving is To Live and to Die in L.A. een pareltje dat kan wedijveren met het beste werk van Michael Mann uit die tijd. De legendarische Nederlandse cameraman Robby Müller zorgt voor schitterende plaatjes van gelikte appartementen in die typische art deco revival stijl (in de beste Hollywood vastgoedfantasietraditie kan Chance zich met zijn ambtenarensalaris een groot modernistisch appartement aan het strand veroorloven), gouden licht van de zon die langzaam in de Grote Oceaan zakt, eindeloze asfaltwegen en strakke, magere fitness-en-cocaine lichamen in zwarte kleding. De band Wang Chun zorgt voor de bijbehorende opgepompte synthwave soundtrack. Perfect om mee te scheuren in je zwarte Ferrari.
Twee dingen die me verder opvielen:
- Jim zegt aan het begin van de film "I'm getting too old for this shit."To Live and Die in L.A. kwam twee jaar voor Lethal Weapon uit...
- Deze film voelt alsof alle karakters er in en iedereen die hem gemaakt heeft, gigantische hoeveelheden cocaïne heeft gebruikt. Dat past ook bij het tijdsbeeld. Maar typisch genoeg wordt er in de film juist geen enkel lijntje gesnoven.
(Gezien op Prime Video, in op zich een prima versie, zelfs een HDR remaster, zodat de stikstofoxide in de smog extra mooi oranje oplicht, maar wel zonder Nederlandse ondertiteling. Dat schijnt vaker te gebeuren.)
Je kan veel van Osgood Perkins zeggen, maar hij is lekker productief en houdt het ook gevarieerd. Eerst leverde hij in 2025 de hysterische splatterkomedie The Monkey af - een horrorfilm die als voornaamste inspiratiebron Roadrunner en Tom & Jerry cartoons leek te hebben - en in datzelfde jaar komt hij dan met Keeper, juist een ouderwetse slow burn van een "spoken in bosrijke omgeving"-film, die me nogal Japans geïnspireerd aanvoelde.
Campy zwarte humor is veel meer mijn smaak dan trage, atmosferische horror, dus ik geef de voorkeur aan The Monkey. En ik nu al weet dat veel horrorliefhebbers Keeper veel te traag en te tam zullen gaan vinden. De film is ook duidelijk voor een appel en een ei gemaakt. Maar met een mooie setting in de eindeloze Canadese bossen, een trippy vertelstijl - de rode draad is duidelijk, maar veel details worden aan de fantasie van de kijker overgelaten; geen saaie creativewritingcursusopbouw hier - en ook special effects en solide acteren, met name van hoofdrolspeler Tatiana Maslany, scoort Keeper bij mij nog een nette voldoende.
Alternatieve titel: Wat Is Er Toch van Baby Jane Terechtgekomen?, 16 juli, 19:43 uur
Zussen Jane (Bette Davis) en Blanche Hudson (Joan Crawford) hebben beiden een carrière in showbiz gehad. Jane was als 'Baby Jane' in de jaren 10 van de vorige eeuw een vaudeville kindstersensatie met een eigen lijn poppen. Blanche daarentegen werd een enorme filmster in de jaren 30. Jane bleek geen acteertalent te hebben - hoewel ze erg goed was in accenten en stemmen - en raakte aan de alcohol. Door haar zus dronken aan te rijden, waarna die in een rolstoel belandde, eindigde ze de carrière van Blanche. Nu wonen ze samen en Jane verzorgt Blanche. Hoewel, 'verzorgt' is misschien niet het goede woord: Blanche zit vast in haar rolstoel op de eerste verdieping (geen lift) en Jane, nog steeds aan de drank, terroriseert haar. Ze kan het vooral niet hebben dat Blanche weer populair is omdat haar films op televisie komen, terwijl haar vaudeville-act totaal in de vergetelheid is geraakt. Blanche probeert te ontsnappen met behulp van de sympathieke huishoudster Elvira (Maidie Norman), terwijl een door jaloezie steeds verder in waanzin wegglijdende Jane probeert een comeback te maken als Baby Jane met behulp van pianist Edwin Flagg (Victor Buono).
What Ever Happened to Baby Jane? is het equivalent van een moderne thriller/horrorfilm* die voor grotendeels drijft op een totaal losgeslagen performance van Nic Cage, alleen in dit geval moet je Cage dus vervangen door Bette Davis, die de laatste van haar 11 Oscar-nominatie voor deze film kreeg. Sterker nog, het uiterlijk van Cage in Longlegs uit 2024 is sterk gebaseerd op dat van Davis hier: een oudere alcoholiste die zich met veel makeup probeert terug te schminken naar haar tijd als kinderster. In beide films spelen poppen ook een rol, maar de uitwerking is totaal anders. Davis' uiterlijk en performance zijn ook een grote inspiratie voor veel dragartiesten (let op: spoilers voor het einde van de film!)
Crawford, Norman en Flagg zijn ook prima en ook dingen als cinematografie en muziek zijn dik in orde. Maar het is toch echt Davis' film.
Wel is de film met dik 2 uur aan de lange kant. Het had gemakkelijk wat korter gekund, want een aantal situaties worden een paar keer herhaald. Er zit ook een plottwist op het einde die wat mij betreft niet echt nodig was, maar ook geen afbreuk doet aan de film.
Na de film viel ik nog in een konijnenhol, omdat de grote hit van Baby Jane, 'I've Written a Letter to Daddy', nogal veel overeenkomsten vertoont met Hazes' 'De Vlieger'. Maar voor zover ik heb kunnen vinden zijn de overeenkomsten toeval. Het blijkt te gaan om een type sentimentele smartlap dat zowel qua muzikale stijl als liedtekst begin vorige eeuw populair was. Hazes' 'De Vlieger', dat is geschreven door Nico Haak, lijkt geïnspireerd door een 'De Vlieger' van Duo Hoffman uit 1928, dat later nog door andere levensliedzangers werd opgenomen. 'I've Written a Letter to Daddy' is speciaal voor de film geschreven.
*: Er zitten geen bovennatuurlijke zaken in de film, dus 'thriller' lijkt logisch, maar het gedrag van Jane is zo bizar en niet realistisch - wat geen kritiek is; daar gaat de film voor en met groot resultaat - dat deze film ook vaak als 'horror' wordt gekwalificeerd.
Theatersuperfan Eve Harrington (Anne Baxter) wordt in de regen voor de artiesteningang opgemerkt door Karen Richards (Celeste Holm), de vrouw van de schrijver van het stuk, Lloyd Richards (Hugh Marlowe). Ze raken aan de praat. Eve heeft alle voorstellingen gezien en is superfan van hoofdrolspeler Margo Channing (Bette Davis). Karen is gecharmeerd van Eve en neemt haar mee naar binnen om haar voor te stellen aan Margo, Lloyd en Bill Sampson (Gary Merrill), de regisseur en Margo's vriend (ongetrouwd stel in een Hays Code film!) Eve blijkt geen werk en woning te hebben en verdient zich met haar charmes een baantje als administratief assistent van de ongeorganiseerde diva Margo. Ze maakt zich al snel onmisbaar. Iedereen is weg van haar, behalve Margo's PA Birdie (Thelma Ritter), die het er allemaal iets te dik bovenop gelegd vindt. Ze krijgt Margo langzamerhand mee in haar twijfels: wil de jongere en knappere Eve de oude (wel 40!) Margo vervangen? Ook de invloedrijke theaterrecensent en -columnist Addison de Witt (George Sanders, de acteur met de fluwelen, maar tegelijkertijd van venijn druipende posh Engelse stem die hem ook de rol van Shere Khan in Jungle Book opleverde) heeft zijn vermoedens, maar die bekijkt het van een meer positieve kant: spannend nieuw talent dat hij kan claimen als ontdekking!
Klassiekers kunnen soms een beetje tegenvallen - toen revolutionair, nu saai - maar er zijn er ook die fier overeind blijven als gecertificeerde vijfsterrenklassiekers. The Third Man en Sunset Boulevard bijvoorbeeld. Laten dat nu de twee films zijn waar tegen All About Eve het opnam bij de Oscars van 1950. All About Eve won, eerst al door 14 nominaties op te halen (nog steeds een record, gedeeld met Titanic) en door er vervolgens 6 te winnen. Niet onterecht. Als het gaat om venijnige oneliners en scherpe dialogen, blijkt het werk van regisseur en schrijven Joseph Mankiewicz nog steeds onovertroffen. De 'quotes'-pagina op IMDb doorscrollen is een dagtaak. Echt bijna elke zin is een voltreffer in deze film over verbale psychologisch oorlogsvoering, met als hoogtepunt het verdoemde verjaardagsfeestje: "Fasten your seatbelts, it's going to be a bumpy night!"
Iedereen is in topvorm, maar het is terecht de vertolking van Bette Davis als Margo Channing die ronduit legendarisch geworden is. Heerlijk over de top en vilein. Dat leverde nog een beroemde Oscar-controverse op, want noch Baxter, noch Davis, noch de eveneens legendarische performance van Gloria Swanson in Sunset Boulevard - "Alright, mr. De Mille, I am ready for my close-up!" - won, maar Judy Holliday voor Born Yesterday. Die film ken ik niet, maar hij schijnt ook echt goed te zijn. Het werd Holliday wel nagedragen.
Net toen ik me echt in film begon te interesseren, had John Waters zijn mainstreamsuccessen met Hairspray, Cry Baby en mijn grote favoriet, Serial Mom. Ik was daarvoor al klaargestoomd voor het werk van 'the pope of trash' door VPRO kindertelevisie met erg aan John Waters verwante (en er door geïnspireerde?) programma's als Rembo & Rembo en Theo & Thea. De periode van Waters' mainstream succes overlapt ook met Arjan Ederveen en Tosca Niterinks overstap naar televisie voor volwassenen met Kreatief met Kurk en Borreltijd, waar ik als tiener ook enorme fan van was. John Waters en zijn invloed op kindertelevisie is trouwens wel een studie waard: Ursula in The Little Mermaid is gebaseerd op Divine en Waters zelf zit als gast in The Simpsons en een Alvin & The Chipmunks film, met de meest voor volwassenen grap voor volwassenen in een kinderfilm ooit tot gevolg. Al die weirde creatieve kids die grote Waters fan zijn worden natuurlijk schrijvers voor film- en televisie. Zo krijg je ook de konijnenmuts uit Gummo in Bob's Burgers.
Waters' grote doorbraak als cultfavoriet, het berucht Pink Flamingos uit 1972 had ik alleen nog nooit gezien. Dus meteen gegaan toen hij draaide. Ik kende de reputatie van de film, maar het bleek toch nog wat extremer dan ik had gedacht met de ongesimuleerde pijpbeurt in incestsetting en de seks met kippen als uitschieters. Vooral die laatste was minder, omdat de kippen het duidelijk niet overleefd hebben en ook krasten met hun poten op de actrice. Strafpunten daarvoor.
Dan is er de beruchte slotscène. Laat ik het zo zeggen: ik kan bijna alles hebben, behalve in handen snijden en coprofagie. Dat laatste niet eens bewust, maar ik kokhalsreflexen. Divine trouwens ook.
Maar goed, uiteindelijk toch vooral keihard gelachen. Het hele verjaardagsfeestje van Divine met het anale entertainment en de onfortuinlijke poging van de politie het te stoppen is één van de grappigste dingen die ooit heb gezien. Divine en de teksten van John Waters zijn sowieso een gouden combinatie. Dat die twee vlakbij elkaar in de buurt woorden, is toch een beetje het filmequivalent van de Van Halen broertjes en David Lee Roth die elkaar treffen in Pasadena. De beroemde monoloog met het politieke programma: ook goud. Het likken en daarmee beheksen van de meubels: goud. En dan is er Mink Stole, die minstens net zo is als Divine als de slechterik. Het sollicitatiegesprek dat ze voert: ook goud. Het hele Eggman-subplot: goud.
Dus ondanks wat, uh, ongemakkelijke momenten - gewoon even ogen dicht - uiteindelijk toch een topfilm. Lekkere soundtrack ook. En een beetje je grenzen opzoeken af en toe voor wat catharsis kan geen kwaad, hoewel ik toch zou aanraden bij Serial Mom te beginnen als je geïnteresseerd bent in Waters.
Nog een P.S.: ik zie de laatste tijd af en toe een meme opduiken van een vrouw die "I hate the Supreme Court!" schreeuwt als het Amerikaanse hooggerechtshof weer eens een controversiële uitspraak heeft gedaan, vooral als het gaat om transrechten. Omdat ik wat dingen heb opgezocht op YouTube over Pink Flamingos, krijg ik allemaal John Waters video's aangeraden en die meme blijkt ook uit één van zijn films te komen. Er zit vast een grote overlap tussen 'transgenderactivisten' en 'John Waters-kenners'. Het komt uit deze briljante tirade van Mink Stole uit Desperate Living uit 1977, die ik je niet wilde onthouden.
Eindelijk gezien en het blijkt gewoon een prima film? Wel campy melodrama, maar dat past prima bij het onderwerp en de locatie van wereldkitschhoofdstad Las Vegas. Qua humor en thematiek veel overeenkomsten met Robocop, maar dan met de feminien gecodeerde soap opera in plaats van de masculiene b-actiefilm als uitgangspunt. Het zou ook wel een goede double bill vorm met iets als Wild at Heart, met als verschil dat David Lynch. hoewel hij het absurde er wel van inziet, nog wel houdt van naïeve Americana kitsch, waar Verhoeven er alleen maar om kan lachen. Bloot en seks overal, maar o wee als er iemand 'Fuck' zegt.
Ook heel goed hoe Verhoeven, choreograaf Marguerite Pomerhn Derricks en het team verantwoordelijk voor licht, geluid en muziek werkelijk alle erotiek uit al dat naakt weten te halen. De muziek is één en al hard beats en koude synthesizers, het licht hard, de decors altijd dingen als bergen of oude fabrieken en de lichamen gestaalde perfectie die militaristisch in plaats van sensueel bewegen (wat op het einde nog van pas komt, waardoor het wel heel expliciet wordt, maar dat is Verhoeven.) Het heeft meer van doen met lijven zoals je ze ziet in fascistische propaganda dan met seks. Gezien Verhoevens obsessie met fascistische propaganda in het algemeen en Riefenstahl in het bijzonder, kan dat geen toeval zijn.
Ook heel Verhoevens hoe efficiënt alles wordt verteld. De openingsscene waarin Nomi Malone (Elizabeth Berkley) een agressieve man die haar een lift geeft op zijn plaats zet en de radio verandert van het geïdealiseerde Amerika van Garth Brooks naar de parodie van de excessen ervan door Sisters of Mercy, vertelt ons meteen alles over het karakter en haar motivaties en de bedoelingen van de film.
Maar vooral dus vaak heel grappig. Joe Eszterhas schreef scherp kattige, soms bijna John Waters-achtige dialogen, maar mijn favoriete moment is een visuele grap: als Kyle MacLachlans karakter de neon palmbomen aanzet. (Oh ja, Kyle MacLachlan zit in deze film, wat gezien de toon eigenlijk onvermijdelijk is.)
Raar dat dit aanvankelijk zo misbegrepen werd. Maar goed, bij Starship Troopers snap je dat ook niet.
Alternatieve titel: Land of the Minotaur, 12 juli, 00:15 uur
Altijd een beetje een gok, zo een oude exploitatiehorrorfilm kiezen op Netflix en deze keer was het dus helemaal mis. Dit ondanks de aanwezigheid van Peter Cushing (op de automatische piloot) en Donald Pleasance (speelt de hele rest van de cast weg.) Verder uiteraard veel aantrekkelijk kanonnenvoer, of in dit geval meer specifiek: minotaurusvoer, de dames daaronder uiteraard topless (hoewel minder dan verwacht, boe!). Verder een grote rol voor de incompetente Griekse acteur Kostas Karagiorgis als die ene gast in slechte horrorfilms die zelfs als de lijken zich opstapelen nog roept: "Je hebt te veel fantasie" en "Je moet niet zoveel drinken." De eveneens Griekse regisseur Kostas Karagiannis regisseerde meer dan 100 films, maar die ervaring zie je er niet aan af; het zit in het algemeen op het niveau van "amateuristisch, maar niet 'zo slecht, dat het goed is'". Het gaat een paar keer die kant op, maar in het algemeen is het vooral saai en matig allemaal.
De soundtrack van Brian Eno is ook al niet de moeite. Die lijkt hij gemaakt te hebben door een dutje te doen met zijn hand op het toetsenbord van een synthesizer. Wel goed is het liedje onder de aftiteling, maar dat is niet van Eno, maar van een andere muzikale legende: Paul Williams. Terecht dat het door mag gaan als de aftiteling als is afgelopen. Ik dacht eerst dat er nog een soort post-credits scène zou komen, maar nee: alleen zwart beeld met muziek.
Alternatieve titel: The Child of the Night, 11 juli, 16:58 uur
Ik kijk best veel Franse films, maar dit is wel zo een beetje de meest Franse film die ik jaren heb gezien. In plaats van labels als 'misdaadfilm', 'romantisch drama' of zelfs 'film noir' zou ik dit gewoon in het genre 'Franse film' stoppen.
In de opening, ziet een jongetje, Justin (Julien Rivière), hoe zijn dode vader Ivan (Didier Bezace) door een aantal mannen wordt thuisgebracht. Yvan blijkt een nachtclubeigenaar annex leider van een bende autodieven te zijn. In die bende zit onder meer Jimmy (Benoît Magimel in zijn jongegodperiode). Jimmy heeft ook een zus, Juliette (Laurence Côte), die een beetje rond de bende hangt, maar dankzij de opbrengst van de misdaad ook kan studeren. Daarbij is ze een heftige affaire begonnen met haar filosofieprofessor Marie (Catherine Deneuve). Maar ze rommelt ook wat met Alex (Daniel Auteuil), de broer van Ivan, die om te ontsnappen aan zijn misdaadfamilie van weeromstuit politieagent is geworden en in contact is gekomen met Juliette toen ze werd opgepakt voor de diefstal van een fles parfum. Zowel Juliette als Alex zijn een beetje mentaal instabiel, hoewel dat bij zich bij Alex uit als smetvrees, terwijl het bij Juliette heftigere vormen aanneemt. Alex wordt wel heel jaloers op Marie als hij erachter komt dat Juliette helemaal hoteldebotel van haar is, maar zodra hij Marie ziet, gaat hij inzetten op een, laten we het modern zeggen, polycule van hun drieën (Catherine Deneuve heeft dat effect.) Hij probeert ook Justin een beetje bij te sturen. Maar om nou te zeggen dat Alex de held van het verhaal is, gaat ook weer veel te ver. Het is een gecompliceerde en vrij onsympathieke man.
Volgt u het nog? Dan heb ik nog niet eens verteld dat de film wordt met de nodige sprongen in de tijd, waarbij je ook van vertelperspectief wisselt. Het lijkt misschien een beetje rommelig, maar Téchiné weet volgens mij heel goed wat hij wil met deze film. Maar in de kern is het wel duidelijk een film over (familie)banden en daaraan ontsnappen.
Alles er omheen is dus vooral heel Frans. Zoals de misdaad wordt weergegeven, rauw, zonder opsmuk en beetje stuntelig: heel Frans. Biseksuele liefdesdriehoeken met grote leeftijdsverschillen: heel Frans. Een grote rol voor een nachtclub: heel Frans. Catherine Deneuve als filosofieprofessor die lange bespiegelingen houdt: heel Frans. Sowieso heel veel praten: heel Frans. Dat beetje onderkoelde acteren: heel Frans. Veel roken, drinken en nooit autogordels om: heel Frans. De outfits en locaties: heel Frans.
De vijf César nominaties waren dan ook onvermijdelijk, maar daar werd er maar één van verzilverd, die van Laurence Côte voor beste jonge actrice. Dat blijkt nu dan vreemd genoeg de enige persoon van de indrukwekkende cast die verder geen grote carrière heeft gemaakt.
Persoonlijk kon ik de film ook wel waarderen, maar het is wel een niet al te flitsende praatfilm die langer voelt die twee uur dan hij is. Hij staat ook in Netflix in een wat twijfelachtige staat; ik had sterk de indruk dat het de 720p standaard definitie dvd-versie was.
Alternatieve titel: The Wizard of the Kremlin, 10 juli, 14:49 uur
Boekverfilming op zijn boekverfilmingst. Niet alleen is er de vertelstem van Paul Dano, die hele stukken uit de roman van Giuliano da Empoli voorleest en dat om de een of andere reden met een soort ASMR-stem doet, ook alle dialogen zijn van die typische boekdialogen; mensen praten niet met elkaar in politiek-filosofische volzinnen. Daar trouwens ook weer die op den duur vrij irritante ASMR-stem van Paul Dano. Ook alles wordt uitgesproken; er zit totaal geen ruimte in de film om als kijker een eigen kijk op het verhaal te hebben.
Ik had verder niet echt het gevoel dat de film me een unieke, of in ieder geval op interessante manier afwijkende blik op de opkomst van Vladimir Poetin gaf. Hij gaat met vrij grote stappen door de bekende geschiedenis. Wel een redelijk goede Poetin van Jude Law. Verder ook technisch goed gemaakt, hoewel het dus wel een opeenvolging van heel veel scenes van mensen die met elkaar praten in een kantoor of chique bar is.
De titel vond ik ook niet helemaal terecht op basis van de karakterisering van Vladimir Vladimirovitsj in deze film. De Poetin in deze film weet precies wat hij wil. Dano's karakter Vadim Baranov is meer een uitvoerder van zijn wil, dan de tovenaar achter de schermen die door de titel gesuggereerd wordt.
Freelance Charlie Horman journalist in Chili (John Shea) wordt tijdens de coup van Pinochet opgepakt en verdwijnt. Zijn vader Ed (Jack Lemmon), een conservatieve zakenman die heilig gelooft in Amerika, gaat samen met Charlies vrouw Beth (Sissy Spacek), naar hem op zoek. Hij komt er achter dat zijn zoon niet de freaked out hippie was waar hij voor hield en ook dat zijn regering niet eerlijk tegen hem is.
Vier Oscar-nominaties voor deze film, waarvan die voor het op een waar gebeurd verhaal gebaseerde script verzilverd werd. Het is ook een sterk verhaal, dat goed de chaos in Chili laat zien en de meedogenloosheid van het Pinochet regime, maar vooral dat je aan grotere machten bent overgeleverd.
De opzet klinkt misschien wat schetsmatig, maar daar komen twee van die andere Oscar-nominaties om de hoek kijken. Spacek en Lemmon geven namelijk erg sterke en genuanceerde performances, waardoor dit naast een politieke thriller ook een karakterstudie. Lemmons nominatie was zijn 7e en laatste voor beste acteur (hij verzilverde er één) en hij laat inderdaad weer zien één van de allergrootste acteurs in de geschiedenis van Hollywood te zijn. De vierde nominatie was overigens voor beste film.
Verder is het door specialist in politieke thrillers Costas-Gavras gefilmd in een stijl die nooit opvallend is, maar stiekem bovengemiddeld goed. Goede locaties ook. Ik was vooral geïnteresseerd in het schitterende art deco hotel waar Ed Horman verblijft en dat blijkt het Grand Hotel van Mexico Stad te zijn. (Prima naam ook: "Wij zijn *het* Grand Hotel van Mexico Stad; geen verdere poespas nodig.) Dus een aanrader mocht je ooit daarheen moeten en goed in je slappe was zitten.
Wel grappig ook om te zien hoe die expat lifestyle, van "Vergeet de rat race; we gaan ergens wonen met een lekker klimaat en lage kosten van levensonderhoud en meer relaxt leven" waarvan ik in mijn hoofd had dat die vrij recent is, ook gewoon midden jaren 70 al bleek te bestaan. Als freelance journalist kon je prima digitale nomade zijn voor het digitale tijdperk, zeker omdat journalist pre-internet nog best goed betaalde.
Het bleek een gouden greep Third Encounters of the Third Kind te kijken voor Disclosure Day, want de nieuwe film van Spielberg blijkt een semi-vervolg. Op het einde zien we zelfs nog wat flitsen van Devil's Tower.
Dat betekent ook voor een deel dezelfde zwakheden: vooral sentimentaliteit (het einde vooral), overgoten met een vagelijk spiritueel sausje. Deze keer zelfs merkwaardig genoeg voor de joodse Spielberg expliciet christelijk, inclusief zelfs citaten uit het Nieuwe Testament. Die spiritualiteit blijkt ook nog plek voor wat ouderwetse genderrollen: hij is van de computers en de wiskunde, zij van de taal en de emotie. We krijgen ook nog wat typische 2026 zwakheden voor de kiezen, zoals overduidelijke product placement, in dit geval de merkenportofolio van Stellantis, met specifieke aandacht voor het het lastig hebbende Alfa Romeo, en lelijke dieren uit de computer, waar ook getrainde echte dieren hadden gekund.
Maar Disclosure Day is voor mij toch net iets beter dan Close Encounters. De cast is veel beter; met Josh O'Connor en Emily Blunt zit je eigenlijk altijd wel goed. Het plot is meer gestroomlijnd, zonder overbodige uitstapjes, en met meer spannende actiescènes.
Eindelijk ook eens een Hollywood blockbuster die gewoon begint - met nota bene een showworstelscene - zonder eerst ellenlange uitleg van wie wie is en hoe het allemaal zit. Het is nog verre van een animéserie waar ze het aandurven je de eerste drie afleveringen geen idee te laten hebben wat er een de hand is, maar in vergelijking met hoe de meeste mainstreamfilms tegenwoordig bij elke stap je handje vasthouden wel een verademing. (Eigenlijk wel een raar iets: "de jeugd" kijkt tegenwoordig naar het schijnt massaal animé, waar ingewikkelde plots die zich met weinig expositie langzaam ontvouwen en een tikje psychedelisch vertellen heel geaccepteerd zijn, maar toch zijn mainstream films juist steeds uitleggeriger.)
Goede actiescènes ook. Gelukkig zijn die dieren het enige dat er te computer uit ziet. Er is fraaie cinematografie van Janusz Kaminiski, met uiteraard veel lensflares. De film voelde voor mij daardoor wel korter dan de 2,5 uur dat hij duurt. Ik moet zeggen dat Project Hail Mary er nog beter uit zag, maar die film had die extreem standaard en daardoor een beetje saaie familiefilmstructuur. Dan liever toch een toefje spiritualiteit op zijn Spielbergs. In deze tijd ben ik toch blij dat er nog iemand zo heerlijk positief over de mens kan denken.
The Salt Path is een enorme bestseller waarin Raynor Winn (echte naam Sally Walker) beschrijft hoe zij en haar man Moth (echt naam: Tim) gaan wandelen langs de Britse kust nadat ze hun huis kwijt geraakt zijn en Moth te horen heeft gekregen dat hij terminaal ziek is. Tijdens de barre omstandigheden leren ze zichzelf kennen en gaat Moths toestand ook vooruit door het in de natuur zijn en de beweging.
Alleen bleek dat dus helemaal niet waar te zijn. De Walkers raakten hun huis kwijt, omdat ze een lening met hun huis als onderpand, die ze hadden moet aangaan omdat Sally betrapt was op het stelen van geld van haar werkgever, niet konden terug betalen. En Tim is hoogstwaarschijnlijk helemaal niet ziek. Is hij het wel dan is hij het meest aparte geval van zijn ziekte CBD ooit en toch heeft geen behandeld arts in het VK ook maar een case study over dit zeer opmerkelijke, nooit eerder vertoonde ziekteverloop gepubliceerd.
Deze documentaire is de verfilming van de artikelen waarin onderzoeksjournalist Chloe Hadjimatheou van The Observer het schandaal onthulde, met Hadjimatheou zelf in de hoofdrol. Je krijgt precies de gedegen documentaire die je verwacht van de opbouw rond artikelen van een onderzoeksjournalist van een kwaliteitskrant: goede informatie zonder veel opsmuk. Wel goed voor journalistiekstudenten, want Hadjimatheou neemt je stap voor stap mee door hoe ze het schandaal heeft ontrafeld.
Het is natuurlijk vooral een sappig schandaal in de literaire wereld, vooral omdat de Walkers zo lekker kleingeestig naar blijken te zijn (de lasagne!) Maar een interview met iemand die ook CBD had, door het boek hoop had gekregen en zich schuldig voelde dat hij zelf niet aan zijn herstel had gewerkt door veel te wandelen, leert dat dit boek toch ook wel een vorm van schadelijke kwakzalverij te noemen valt.
Verder blijkt dat Penguin, één van de grootste uitgevers van de wereld, memoires inclusief medische claims publiceert zonder welke vorm van feitencontrole dan ook. En dan ook nog eens geen enkel commentaar willen geven, niets eens een gladde woordvoerder die er met veel woorden omheen lult. Dat is voor mij het echte schandaal.
De film die Spielberg na Jaws maakte, blijkt er helaas één van mijn minst favoriete versie van Spielberg: de sentimentele. Zijn opdracht aan componist John Williams lijkt een briefje te zijn geweest met daarop: "Most schmalz!" Het is ook de eerste lange speelfilm waarvoor Spielberg zelf het script schreef en dat is wel te merken ook, want wat betreft geloofwaardigheid en pacing is het al ook geen topper. Na het succes van Jaws kon Spielberg blijkbaar niet de verleiding te weerstaan even te flexen met zijn nieuwe budgettaire mogelijkheden met bijvoorbeeld een totaal overbodige scene met een schip in de woestijn. En dan is er ook nog een bijzonder matige performance van Terri Garr als Ronnie Neary. Hoofdrolspeler Richard Dreyfuss is ook niet altijd even sterk hier. Dat de karakters huwelijksproblemen hebben zou zich niet moeten vertalen in totaal gebrek aan chemie tussen de acteurs.
Maar goed, Spielberg blijft Spielberg, dus er zijn ook genoeg dingen die wel goed gaan. Bijvoorbeeld de opening in Mexico, waardoor je er meteen lekker in zit, het realistisch chaotische gezinsleven van de Nearys met drie etterende koters in een lekker realistisch rommelig huis, cinematografie van de grote Vilmos Zsigmond, charmante retro special effects, wat van die lichtvoetige humor tussendoor waar Spielberg zo goed in is, en, ondanks de daarmee gepaarde sentimentaliteit, toch ook wel het inspirerende humanisme van Spielberg.
Maar uiteindelijk voelde dit toch vooral als een oefensessie voor E.T.
Ook ondervonden waarom ik de bioscoop op zaterdagavond eigenlijk altijd vermijd. Dan komen de doorheenpraters, de chipskrakers en de zwakkeblaashebbers uit hun krochten gekropen om naar de film te gaan.
Leuke horrorkomedie die een variatie is op de klassieke mythe van koning Midas.
Baron, die door iedereen Bear genoemd wordt (Michael Johnston), is smoorverliefd op zijn collega bij de muziekwinkel Nikki (Inde Navarette). Het lijkt niet echt wederzijds te zijn en Bear is ook niet echt een vlotte babbelaar, dus dat gaat helemaal nergens heen. Totdat Bear in een snuisterijenwinkeltje een magisch stokje vindt dat één wens in vervulling laat gaan. Uiteraard doet de verkoopster er raar over als hij het als grap koopt en staan er allerlei waarschuwingen op de verpakking, maar hij gebruikt het toch om Nikki verliefd op hem te laten worden. En zo raakt hij opgescheept met een totaal psychotische stalker...
Eerlijk gezegd begint de film begint nogal stroef. Er wordt vol op het A24 cringe-orgel gegaan en daar ben ik helemaal klaar mee. Bovendien lijkt er een belangrijke rol te gaan worden weggelegd voor één van mijn meest gehate clichékarakters: de beetje mollige gast met een honkbalpetje achterstevoren op die de hele tijd variaties op: "Hé, nog geneukt?" en "Waar is de drank?" roept (Cooper Tomlinson).
Maar als Nikki eenmaal behekst is, gaat het gelukkig helemaal los, dankzij een performance van Inde Navarette die rustig in het rijtje kan van Bruce Campbell in de Evil Dead-films of Nic Cage in, nou ja, zijn halve filmografie. Echt heel vet. De teksten zijn ook bovengemiddeld, met vooral de interacties met de verkopers en de klantenservice van de magie en de erotische horrorversie van Hans en Grietje als uitschieters. Maar dat laatste is eigenlijk ook weer vooral hoe Navarette het verkoopt. Petjegast wordt gelukkig met mate ingezet.
De structuur van de film en thematiek zijn verder wel overbekend. Wie af en toe een horrorfilm kijkt, zal wat dat betreft niet verrast worden en jammer genoeg ook veel dingen al van ver zien aankomen. 'Degelijk' is wat ik daar voor zou gebruiken. Dat geldt ook voor de cinematografie en overige technische elementen. Wat wel vermelding verdient is dat er slim uncanny valley-effect wordt gecreëerd door Bear in het volledig gemeubileerde geërfde huis van zijn oma te laten wonen, dus je hebt een jonge stel in een bejaardeninterieur. Als dat een diepere betekenis heeft, dan gaat die langs me heen, maar het is wel precies zo een raar randje dat net even iets extra's geeft.
Maar toch vooral onthouden: Inde Navarette is de nieuwe Bruce Campbell.
Alternatieve titel: Het Recht van de Zwakste, 1 juli, 11:41 uur
Oliver Twist, maar dan 140 jaar later in de tropen en ontdaan van de Victoriaanse moraal. Of de Braziliaanse Christiane F. Maar dan misschien andersom: Pixote: A Lei do Mais Fraco is namelijk net iets ouder dan zijn Duitse tegenhanger. Zou Pixote net als Christiane F. ook massaal op middelbare scholen als waarschuwingsfilm vertoond zijn? Dat is namelijk iets wat op een sociaal medium (ik ben vergeten welk) onlangs een vrij universele ervaring van Europese GenX'ers bleek te zijn, zelfs die uit het voormalige Oostblok.
Echt ook zo een film die je nu niet meer zou kunnen maken qua minderjarige naaktheid, seksueel expliciete scenes en drugsgebruik. Nu is dat misschien maar goed ook, want hoewel Héctor Babenco duidelijk oprecht gaat voor zo een rauw mogelijk realistische benadering van het leven van Braziliaanse straatkinderen, is het ethisch nogal twijfelachtig om echt arme kinderen wiens familie het geld goed kunnen gebruiken te laten debuteren in zo een film vol erg heftige scenes voor waarschijnlijk weinig geld. En ik denk niet dat er een team kinderpsychologen en pedagogen langs de zijlijn klaarstond.
Sowieso verbazingwekkend dat deze film gemaakt kon worden in 1980, toen Brazilië nog een militaire dictatuur was. Zeker een soort glasnost en perestrojka periode vlak voor de overgang naar de democratie in 1984.
Pixote (Fernando Ramos da Silva, de naam vertaalt naar 'pixel' en het is Portugees en dan nog de Braziliaanse variant met extra slis, dus je zegt iets als 'piesjosjtuh') is één van de jongste van een grote groep straatkinderen die wordt opgepakt bij een razzia nadat een oude man die een belangrijke rechter blijkt te zijn bij een straatroof onder een bus geduwd is. Dan volgen ellendige toestanden in de jeugdgevangenis. Pixote en een stel vrienden ontsnappen, waarna ellendige toestanden op straat volgen. Maar ze hebben ondertussen ook wel lol en momenten van geluk; het is gelukkig geen pure miserieporno als het door mij gehate Mouchette.
Op zich is Babenco een goede filmmaker, die een scene goed kan schieten. Hij maakt goed gebruik van licht en donker en heeft een goed oog voor locaties, specifiek extreem ranzige wc's. Als liefhebber van rauw drama, kon ik Pixote daarom best wel waarderen.
Maar Pixote is wel heel erg film als een chronologische reeks gebeurtenissen. De ontwikkeling van thema's en karakters is nogal zwak. Daardoor leek het verhaal een beetje stil komen te staan: er gebeurt heel veel aan de oppervlakte, maar daaronder vrij weinig. De van straat geplukte jongeren zijn ook niet bepaald acteersupertalenten, ook Ramos da Silva niet. Als ze veel tekst hebben of grote emotie moeten acteren, ga je daarom soms van 'rauw realisme' ineens naar 'telenovela'. Daardoor blijft Pixote ver weg van bijvoorbeeld Out of the Blue met de legendarisch performance van Linda Manz.