Meningen
Hier kun je zien welke berichten yeyo als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Jamaica Inn (1939)
Alternatieve titel: In de Jamaica
Nog geen opmerkingen over Laughton's wenkbrauwen?
Toch wel de kern van de zaak als we de vele oneliners van YouTube commentatoren, Letterboxd wijsneuzen en ander millenial gespuis mogen geloven. Nu goed, de bescheiden berichtjes hier doen vermoeden dat jullie evenmin veel te melden hadden en dus misschien ook niet zo van de film hebben genoten. Ligt dat aan de Britse koddigheid? Of zagen jullie allemaal de vreselijke public domain versie (de hier eerder genoemde Nederlandse uitgave zou ik nog niet aan mijn ergste vijand cadeau doen) waar we het tot voor kort mee moesten stellen? De Cannes 2014 restauratie heeft de film in al zijn weelde hersteld en voor het eerst zijn de prachtig gedetailleerde Elstree Studio sets in volle glorie te bewonderen (Laughton's barokke versierde eetzaal, de rotsige kustlijn en natuurlijk de herberg zelf met zijn schimmige hoekjes en kijkgaten). Bovendien lijkt Hitchcock een soort parodie te hebben gemaakt van het bronmateriaal en drijft hij de spot met de 19de eeuwse Britse machtsverhoudingen: het gepeupel (boomlange herbergiers met berenklauwen van handen die reiskoffers met één welgemikte zwaai de trappen op smijten, oudere dames die eenden in mandjes vervoeren..) versus de aristocratie (hier voorgesteld door een machtsgeile vrederechter met een driedubbele kin die eloquente scheldtirades voert tegen zijne majesteit terwijl hij opzichtig aardappelen kauwt). Centraal staat echter een extreem bemoeiziek meisje dat niet op haar mondje gevallen is (Maureen O'Hara, altijd gevonden dat die wat de uitstraling van een belerende schooljuffrouw had) en terechtkomt in een berucht rovershol. Er zit een soort sadistisch genot in de manier waarop dit beschaafd juffertje steeds verder in de penarie geraakt, alsof ze het ergens ‘zelf gezocht' heeft. Hitchock had natuurlijk een ambigue relatie met assertieve dames: gecharmeerd door hun vuur en passie, iets minder gecharmeerd wanneer ze vroegen om z’n worstenvingers thuis te houden (daarover gesproken: wisten jullie dat Laughton, tevens co-producer, er op stond dat O'Hara de hoofdrol kreeg en haar vervolgens meenam naar Hollywood, een beetje vergelijkbaar met de ontvoering aan het eind van deze film? Maar als we het naslagwerk van Scotty Bowers mogen geloven was Laughton een homoseksuele scatofiel en had lieve Maureen dus niets te vrezen). De beproeving lijkt hier dan ook een soort straf: wie geëmancipeerd wil zijn moet lijden en zal blootgesteld worden aan de grootst mogelijke vernederingen zoals.. in mannelijk gezelschap moeten strippen tot je onderrok! 
Jeanne du Barry (2023)
Blijkbaar was jij in Cannes.
Il y a bien du monde à Cannes aujourd'hui.
Toen ik ontdekte dat Jeanne du Barry een Saoedi-Arabische co-productie betrof, was ik gerustgesteld. Welke natie anno nu heeft immers meer voeling met de elegantie van het ancien régime? De met wolkenkrabbers bezaaide woestijn van Al Riyad is werkelijk het het hedandaagse antwoord op het hof van Versailles. Ik moest de film dan ook absoluut in de weelde van de UGC zien, bij voorkeur in de majestueuze zaal 1, om dat bloedgeld echt van het scherm te zien rollen. Nog liever was ik natuurlijk in Cannes zelf geweest, bij de openingsfilm, om na de vertoning mee in de staande ovatie te applaudiseren. Niet alleen als hommage aan cast en crew, maar evenzeer om onze nieuwe Arabische heersers te verwelkomen. Aangezien de Saoedi's toch al half Parijs opgekocht hebben, waarom ook niet het filmfestival? Cannes vaut bien une messe.
Weltschmerz bespiegelingen daargelaten, ben ik ook niet teleurgesteld over de film zelf. Het is een opulent versierde, klassiek vertelde intrige over een courtisane die de sociale ladder van het hof opklimt tijdens een scharnierpunt van de Franse geschiedenis. De drijvende kracht van het verhaal is het protocol dat het leven in Versailles beheerst en hoe de opportunistische Jeanne sommige van die regels eigen maakt maar andere aan haar laars lapt, om zo haar vooruitgang te bewerkstelligen. Het orgelpunt hiervan is de gekende ontmoeting tussen Jeanne en Marie-Antoinette, waar één (laatdunkende) zinsnede van laatstgenoemde genoeg was om het bestaan van paria Jeanne te legitimeren. Dit delicaat web aan hoffelijkheden zorgt voor een boeiende intrige.
Maïwenn is echt de luis in de pels weldenkend Frankrijk. Mooie herinneringen aanhalen aan haar romance met Luc Besson toen ze 13 jaar was en nu warempel een film maken die de schoonheid van de rituelen en tradities van de Lodewijkse dynastie op ondubbelzinnige wijze etaleert - met persona non grata Depp als vorst. Frankrijk is gelukkig nog steeds het land waar in schande gevallen artiesten ballingschap vinden. Het is dan ook grappig hoe (een gedeelte van) de Franse filmkritiek haar aversie tegen de persoon van Maïwenn niet onder stoelen of banken steekt, maar toch vanuit een cinematografisch-hoogwaardige wijze de film probeert neer te halen. Maïwenn lijkt de criticasters voor te zijn en verwijst in de epiloog van de film naar de Franse revolutie als 'turbulente tijden', een eufemisme waardoor Cahiers du Cinéma in een kramp schoot en met een hyperbool stelt dat L'Anglaise et le Duc van Eric Rohmer in vergelijking zelfs jacobijns is. Geheel trouw aan de thematiek van de film incarneert Maïwenn het aristocratisch plezier om te mishagen.
Jeune Ahmed, Le (2019)
Alternatieve titel: Young Ahmed
De Dardennes zouden moeten weten dat een film draaien over de islam niet zonder risico is. Dat bedoel ik helemaal niet moraliserend, maar we worden zo om de oren gegooid met allerlei mediatieke moslimhetzes, dat de kijker ook veel aandachtiger en gevoeliger zal zijn bij de fictieve uitbeelding ervan. En dan stelt het teleur dat de broers, met tonnen misplaatst boomer zelfvertrouwen, wel denken dat ze dit fenomeen kunnen framen in de gekende Dardenne huisstijl. Helaas vallen ze genadeloos door de mand wanneer ze trachten hun etatistische tunnelvisie proberen te projecteren op een wereld die duidelijk de hunne niet is. Ik denk bijvoorbeeld aan de 'debatavond' over de 'modernisering' van de islam, wat haast een colloquium van de links-intellectualistische vrienden van de Dardennes over het syndicalisme of zo lijkt. Of nog erger, de moeder van het personage, het stereotype van de geseculariseerde, vrijgevochten, aandoenlijk in haar lichte onbeholpenheid Dardenne arbeidsmoeder. Die ene scène in de pizzeria van de ex-jihadi in Les Misérables (van Ladj Ly) bood mij meer inzichten over de hedendaagse, verwesterde islam dan heel deze lijzige wandeling door de overheidsinstellingen. De flauwe behandeling van het actuele thema geeft het geheel de allure van een after school special, waar de kijker de spot drijft met de gezwollen dramatiek en bijna in suspense zit af te wachten wat voor ongein dat moslimgekkie nu weer gaat uithalen. De Dardennes hadden beter deze Hitchcockiaanse lijn doorgetrokken, want ergens onder zijn dikke laag van arthouse pedagogie zit er wel een interessant filmpje verscholen in Le Jeune Ahmed. Het titulair hoofdpersonage, kwezel pur sang, zit als een maghrebijnse variant van Norman Bates junior gevangen tussen een streng moreel kader en zijn vleselijke lusten. Een ingebouwde psychologische kastijdiging tot gevolg. Wat had ik graag gezien hoe de perikelen tussen Ahmed en het vlot boerenmeisje zouden evolueren. Tussen het helmgras lag een Catherine Breillat-achtig huzarenstukje verborgen, maar het heeft niet mogen zijn.
Jeune Fille Qui Va Bien, Une (2021)
Alternatieve titel: A Radiant Girl
Op zich heb ik er geen probleem mee dat Kiberlain de periode van de bezetting met de nodige anachronismen in beeld brengt, zoals contemporaine muziek. Niet elke film over WO II moet er immers als een lavish period piece uitzien, een cineast mag zich qua vormgeving met dichterlijke vrijheid wel eens aan een fantasietje wagen (ik denk bv. aan het kale minimalisme van Claude Chabrol in Une Affaire des Femmes). Een bewust anachronistische touch is echter nog wel iets anders dan totale geschiedvervalsing en daar bezondigt Kiberlain zich aan. Om opportunistische redenen bovendien. Het is een nobel uitgangspunt om de zorgeloosheid van een Joodse adolescente in het bezet Parijs te tonen, maar het wordt wel erg gemakzuchtig als je dit goevel accentueert door werkelijk elke verwijzing naar deze donkere periode te schrappen, met in begrip van alle ongemakken: de personages gaan rustig op café, drinken er champagne, elke dag is er een feestmaaltijd en van avondklok lijkt er geen sprake. Wie heeft Irène allemaal moeten verlinken om van dergelijke privileges te genieten? Dan is het stilistisch wel allemaal gemakkelijk om te insisteren op het 'abrupte' van de Jodenvervolging, waardoor het nazi-ex-machina einde als een goedkope gimmick aanvoelt, waar de regisseuse zichzelf ostentatief manifesteert en de sobere toon van de vertelling naar de vaantjes helpt. Het lijkt zich verdorie gewoon in het heden af te spelen, in een milieu van hippe, zelfbewuste toneelactrices. Zo is er zelfs een geitenwollensokken type avant-la-lettre dat haar toenadering naar het Joods gezin als toffe multi-culti ervaring ziet. "Ja, maar het ZOU even goed vandaag kunnen gebeuren" horen we de filmjournalisten al kirren, die recent nog een gelijkaardige pretext boden aan L'Evènement van Audrey Diwan, nog zo'n navelstaarderige film die met arrogante luiheid het verleden weigert te erkennen. Met Marine Le Pen en vooral Eric Zemmour (zelf van Joodse origine, nota bene) zou de geschiedenis zich vast kunnen herhalen. Dat er ondertussen in de Parijse buitenwijken een daadwerkelijke genocide plaatsgrijpt tegen Joodse lagere middenklasse, lijkt dit elitair clubje over het hoofd te zien.
Jeunes Loups, Les (1968)
Alternatieve titel: Young Wolves
Ha, de jaren '60. Vrijheid, avontuur, snelle wagens, rocamboleske toespelingen en natuurlijk de revolutie. Een maoïstische mag, maar toch liefst de seksuele als het even kan. De gebeurtenissen van Mei 68 zouden al snel roet in het eten gooien, daarna was het wel uit met de pret. Toen mochten we plots niet meer op avontuur naar Venezuela of Paraguay vertrekken, want dat was niet eerlijk jegens de arbeiders. Of zo. En veiligheidsgordels werden verplicht, bah. Men vroeg je identiteitskaart in een rendez-vous hotel. Van alle slachtoffers die deze dekselse culturele omwenteling gemaakt heeft, is het meest schrijnende geval toch... Les Jeunes Loups (1968) van Marcel Carné. Deze kleurrijke, wervelende prent blijft tot op de dag van vandaag in obscuriteit verzonken, aangezien de release voorzien was... in mei '68.
De prent is echt wel toe aan herontdekking ondertussen, want Carné heeft een onschatbare tijdscapsule afgeleverd van het beatnik tijdperk in Parijs. Een tijd van schelmen, vrijbuiters en praatjesmakers. Het hele vijfde arrondissement was overspoeld met schurftige beatniks van alle windstreken, die in de meeste gevallen nog eens gitaar speelden ook. Da's durven. Ze vertoefden in lang ter ziele gegane keten, zoals The Cage en Chez Popov in Rue de la Huchette - waar we een jonge Robert De Niro zien figureren als schurftige beatnik. Anno vandaag zou je het niet meer moeten proberen om in Rue de la Huchette schurftig en / of langharig te wezen, dan kieperen ze zonder pardon een overpriced flensje of gyros tegen je kanis. De sujetten van dienst zijn allemaal bourgeois kinderen die hun afkomst verloochenen, alsook één lage middenklasserszoon, die echter heel graag bourgeois zou zijn om zijn afkomst te kunnen verloochenen. Ze slijten hun dagen in bescheiden hotelletjes die nu wel door één of andere nutteloze overheidsdienst gesloten zouden worden wegens vermeend 'insalubre'. Betalen doe je wanneer je een schnabbel fikst, dat zijn de huisregels. Ik ben ooit eens naar één van die historische hotelletjes geweest (le Beat Hotel - inmiddels getransformeerd tot vier sterren boutique verderfelijkheid) en vroeg uitdrukkelijk om hun kamer met de meeste bedwantsen, maar dat viel toch dik tegen.
Het mooiste aan deze viering van vrijheid is wel dat Les Jeunes Loups ook met een gezonde dosis opportunisme gemaakt lijkt. Marcel Carné was eind de jaren '60 al lang niet meer de gerenommeerde dichter van fatalistische dokkenverhaaltjes, maar een verveelde oude nicht die hoofdzakelijk nog films maakte om in de buurt van jonge knaapjes te kunnen zijn. Christian Hay (die het gigolo-hoofdpersonage speelt) was helemaal het type van Carné: lang gezicht, geprononceerde jukbeenderen, penetrante donkere blik, houterige maniertjes... geen bijster goede acteur, maar daar werd hij ook hoegenaamd niet voor geselecteerd. Carné schold die arme knul naar verluidt de huid vol, dat ie er niks van bakte en geen talent had, wat in een soort cynisch sado-masochistisch machtsspel gekaderd moet hebben. Het soort waar de mooiste cinema uit ontstaat. Het slot waar de drie sleutelpersonages in een gestolen Alfa Romeo vertrekken naar het onbekende, is zeer cathartisch en kreeg een bijzondere epiloog: toen de producent van de film acteurs Yves Benyton en Haydée Politoff op een promotietoer naar Rome stuurden, besloten ze nooit meer terug te keren. Politoff vezilverde enkele rollen in B-cinema, waaronder de erotische avonturenfilm 'La Vergine di Bali' (1972).
Jeunesse Dorée, Une (2019)
Het is echt een soort update van de jaren 70 'ennui' film, waar verveelde bourgeois zich bezondigen aan allerlei uitspattingen. Dat zeg ik niet alleen omwille het tijdsbeeld, maar vooral vanwege de arrogante onwil van de makers om het geheel een echte vormgeving te bezorgen. Echt een goeie apathische Jesus Franco vibe (maar dan zonder de sleaze). Dit resulteert in een een nogal doelloze aaneenschakeling van statische scènes waar de personages in extravagante kostuums lamlendig liggen te wezen. En waarom ook niet? Vormgeving wordt vaak overschat en een 'wervelende' mise en scène is meestal erg irritant. Toch bleek dit een lange zit en heb me stierlijk verveeld (regisseuse Ionesco: "ja, maar, dat is de bedoeling!!!"). Toch maar een 2,5 dus, ik heb mij immers voorgenomen om films niet langer op louter ideologische gronden te prijzen.
Joker (2019)
Haha, wat een heerlijke warboel van een film. Wil zogezegd 'Scorsese evoceren', maar is gedrenkt in een soort kitscherige Max Payne esthetiek. Hoopt de ambigue ongemakkelijkheid van Rupert Pupkin op te roepen, maar stelt het hoofdpersonage voor als een eendimensionale Columbine creepo, vettige haarlokken gedrapeerd op het aangezicht incluis (tijdens het eerste halfuur werd ik zowaar herinnerd aan 'Ben X'
). Tracht een replica te creëren van een pre-gentrification New York, maar struikelt over zijn eigen anachronismen. Phillips is de ultieme millenial filmmaker, een sul die geen eigen herinneringen heeft, maar op het beeld van de herinneringen van vorige generaties parasiteert. Denk bijvoorbeeld maar aan de compleet onoprechte 'hommage' aan de Grote Amerikaanse Talkshow van Weleer, een fenomeen dat Phillips nooit gekend heeft (en dat terwijl hij de vinger aan de pols had bij de documentaire maudit 'Frat House' (1999)). Het is dan ook pijnlijk om de inconsistenties hieromtrent vast te stellen, zoals het moment waarop de comedy tape van Phoenix viral avant-la-lettre gaat (want het personage van De Niro zit elke avond uren amateurbeelden van onbeduidende stand up shows te doorploeteren?). Ook mooi is hoe prestige films anno nu qua muziekkeuze echt hun best doen om hun publiek van neck bearded, 'wake up sheeple' puberjongens op hun wenken te bedienen ("White Room van Cream, dat is tenminste nog eens muziek! Niet die overgeproduceerde gucci mane lil' pump crap of hoe het ook mag heten van 50 miljard views op youtube). Je merkt dan ook dat de hele teneur van de film gericht is op een sociaal aanvaarde vorm van adolescente rebellie 'het systeem', een beetje zoals... Suicide Squad dus. Alleen is het pijnlijk vast te stellen dat de goegemeente er ditmaal blindelings ingetrapt is! Als een volleerde Holden Caulfield heb ik met zelfgenoegzame minachting zitten grinniken wanneer er weer maar eens een opiniestuk van een beleidsmaker, politicus, socioloog verscheen die deze verontrustende, belangrijke en actuele film prees. Toch ben ik zelf ook behoorlijk tevreden met dit rommeltje, in al zijn mislukte aspiraties is het een toch een opmerkelijk curiosum geworden. Bovendien, wat een plezier om dit werkstukje te zien in een afgeladen Kinepolis, omringd door een homogene massa van gamer bro's! Ik vermoed dat 90% van de aanwezigen actieve gebruiker op 9lives.be is.
P.S., voor mijn Nederlandse vrienden: oprechte excuses voor alle flagrante Vlaamse verwijzingen in mijn stukje! Op algemeen verzoek ben ik gerust bereid om een verklarend glossarium aan mijn recensie te hechten.
Jouer avec le Feu (2024)
Alternatieve titel: The Quiet Son
Ha, het namiddagsmelodrama. In Frankrijk behoort dit soort veredelde tv-film nog tot het nec plus ultra van de box office, terwijl men in Hollywood enkel nog teert op overgebudgeteerde nonsens zoals Bridget Jones' menopauze of een musical met een groen geverfde meth junk. Jouer avec le Feu speelt met een idee dat de Franse intelligensia al decennia begeestert: de opkomst van extreem-rechts. Als we deze prent mogen geloven, is het Franse hinterland ondertussen verworden tot een soort Mad Max universum, waar dolende bendes skinheads naar lievelust kleurlingen bijeentuigen. Er is een scène waar Lindon zijn geradicaliseerde zoon volgt naar één of andere hangar waar een hele meute kaalkoppen een free fight spektakel aan het bewonderen zijn. Als een roedel primaten staan ze de vechtlustigen aan te moedigen. BLOED! GEWELD! VERDERF! Hun raaskallend schuim spat haast op de camera. En dat terwijl er zoveel constructievere manieren zijn om je masculiniteit te uiten, hoor je oud soixtante huitard Lindon zeggen. Zoals bijvoorbeeld, voetbal spelen. Of euhm... voetbal kijken!
Ik doe er wat lacherig over, maar punt is nu eenmaal dat Jouer avec le Feu erg schematisch is in zijn opzet. Vanaf de eerste scène waren ze mij eigenlijk al kwijt, wanneer je ziet hoe de 'rebellie' van de oudste zoon geïllustreerd wordt. Hij ligt maar gans de dag in zijn bed te suffen. Vervolgens grist hij snel een stuk baguette mee dat hij IN ZIJN MOND draagt, terwijl hij de wagen binnenstapt. Vervolgens weigert hij een jas te dragen, hoewel het erg koud is. Dit moet zowat de meest rudimentaire uitbeelding zijn van jeugdige opstandigheid, een archetype waar men in pop cultuur sinds de jaren '50 al aan vasthoudt. "Straks laten ze nog zien dat hij niet weet hoe een wasmachine werkt." Dacht ik bij mijzelf. En wonder bij wel, later is er effectief een scène waar notabene vader Lindon een hele trommel wasgoed roze heeft laten verworden. De moeder des huizes is al jaren overleden, maar dat dekselse manvolk kan nu eenmaal niet begrijpen hoe dat mysterieus instrument functioneert. Zoals ik in de eerste paragraaf al beargumenteer, is de fear mongering van de film ook iets te opzichtig. De oudste zoon heeft foute vrienden, een bende facho's. Wanneer ze elkaar ontmoeten, drukken ze hun voorhoofd bijeen en roepen ze WAZAAAA. Zoals in Scary Movie. De film voelt ook erg boomerachtig en verward op dit punt. Op een gegeven moment zit de dwalende zoon erg luide en erg 'kwade' muziek te luisteren. "Er zit niet eens een melodie, een leuk deuntje of een spetterende gitaarriff in" hoor je Lindon denken. Maar het is niet eens iets à la Rotterdam Terror Corps, meer een soort versnelde trance.
Er is ook nog een erg charmant naïve subplot waar Lindon met zijn jongere, bravere zoon naar Parijs trekt waar hij zich in de Sorbonne zal inschrijven. Na de opendeurdag eten ze samen een snack. De zoon eet een French Taco, Lindon houdt het bij een eenvoudige dürum. Dat is al gek genoeg!
Je vraagt je af waarom deze film zo nodig 110min moet duren. De plot verloopt niet echt lekker. Zo'n statement film heeft toch echt niet meer nodig dan een lean 90 minutes? In mijn cynisch geraaskaal zal ik nooit toegeven dat ik bij wijlen oprecht ontroerd was door de onvoorwaardelijke vaderliefde van Lindon.
Joyeuses Pâques (1984)
Alternatieve titel: De Bedrieger
Blijkbaar was ‘Joyeuses Pâques’ het laatste grote kassucces van Belmondo. Niets leuker dan zo’n film waar een vergane glorie nog eens stevig op de gaspedaal mag staan! Joyeuses Pâques (wat een titel ook! Al had ik het nog beter met een uitroepteken gevonden) heeft immers de magie van een late Sordi, Lewis of Gabin, je weet wel, zo één van die films waar het hen geen moer meer kon schelen en waar ze met een zichtbare minachting voor het medium onbehouwen door het frame walsen – een frame waarin ze krachtens contractuele verplichting weliswaar elke nanoseconde aanwezig moeten zijn. Een plot? Een intrige? Zelfs een betekenisvol intermezzo? Ho maar! In plaats daarvan zal Bebel wel enkele salto’s doen en incoherent staan wauwelen, j’aime les filles, les filles des magazines. Wat ook amusant is aan dit soort fin-de-carrière miskleunen is hoe de held in kwestie vaak al lang een wandelend anachronisme is, maar toch naarstig de heersende modetrends probeert te belichamen. Gevolg in deze Joyeuses Pâques is een ongemakkelijke lofzang op het Mitterand tijdperk, les années fric et frime, waar Belmondo op eletrcopop beatjes zijn acrobatieën mag demonstreren, opgeleukt met Tex Avery effectjes – waarschijnlijk state of the art in 1984, nu ziet het er houteriger uit dan een gemiddelde Ritz Brothers sketch. Ze noemen het overigens niet voor niets les années fric, want het personage van Belmondo is blijkbaar heel erg rijk. Waarom weten we niet goed, maar rijk is ie zeker! Hij slijt zijn dagen in Nice, bezit zonder het te beseffen enkele tableaus van de impressionistische meesters, raast rond in sportwagens en belooft jongedames oesters, kreeft, champagne, la totale, quoi.
“Thuis hadden we het niet breed, jij bent het eerste cadeau dat ik van de paasklokken kreeg” horen we hem tegen zijn love interest, de toen 17-jarige Sophie Marceau, verkondigen. Ja, natuurlijk, want naast oppervlakkige weelde betekenden de jaren ’80 in Frankrijk natuurlijk ook: de genese van de urban-lolita! Charlotte Gainsbourg, Vanessa Paradis, Sandrine Bonnaire, wat lieten ze destijds de hoofden op til staan van mannen die hun vader hadden kunnen zijn (en in het geval van Gainsbourg, haar vader ook gewoon was). Erg leuke draai aan deze conventie dat Marceau moet veinzen de dochter van Belmondo te zijn, wat laatstgenoemde in een daad van matzneviaanse canaillerie aan zijn echtgenote verkondigt en tot enkele hilarische taferelen leidt, zoals het moment waar Belmondo en vrouwlief het puberende lichaampje van Marceau keuren: “ze heeft jouw ronde schouders!”
Enkele goede toespelingen ten spijt, is de humor van deze film over het algemeen ontzettend primitief en je begrijpt plots waarom de gemiddelde Fransman het kleuterniveau qua humor nooit overstijgt en niet de minste voeling heeft met superieure Angelsaksische gevatheid. Bovendien miskent Belmondo de belangrijkste stelregel van een komiek: eigenlijk is hij veel te ijdel om zichzelf écht belachelijk te maken, zoals het een slapstickheld betaamt. Elke blik, elke geste lijkt toch eerder een soort charmeoffensief dan een komisch optreden. En toch, ergens heeft het iets aandoenlijk, het nietsontziend spervuur van ‘zatte nonkel’ mopjes dat Belmondo op je loslaat. Dat het einde, waar men redelijkerwijze een ontknoping tussen Belmondo en zijn geldschieter zou verwachten, ontaardt in een stompzinnige knokpartij, is de kers op de taart. Moest ik leven in een wereld waar Joyeuses Pâques de norm uitmaakt, zou ik dit onding verfoeien. Maar de ‘politiek’ van deze film is inmiddels al zo ver verwijderd van een heersende mores, dat het kijken van deze Joyeuses Pâques eigenlijk als een daad van burgerlijke ongehoorzaamheid aanvoelde. Dat er maatschappelijke veranderingen op til waren, blijkt ook uit het laaste shot, waar we Bebel “salooooopes! saloooopes!” horen schreeuwen en zijn oerkreet in een freeze frame vereeuwigd wordt.
Junior (1985)
Alternatieve titel: Hot Water
Koortsdromen van een (Canadese) expeditie 3D
Céline and Julie go boating in hick country.. of de typische Canadese rural terror (ook Trapped en Skull: A Night of Terror staan hoog op mijn verlanglijstje) door een über-feministische Wendy O. Williams lens (er is zelfs een scène waar een bikinitopje wordt gebruikt voor een molotov cocktail: eat that, Dolle Mina's): twee dappere hoertjes die hun leven willen beteren door een jachthaven te renoveren en zich niet laten wegpesten uit een wel heel asociale buurt, waar zelfs de sheriff samenspant met de joelende moerasfreaks (gelukkig is er nog de lieve gitaarspelende botanicus). Heel empowering allemaal, vooral de eindeloze shots van hoogopgetrokken billenknijpers. Als horror inderdaad weinig overtuigend: van het personage 'Junior' gaat er weinig dreiging uit, hij is eerder een grote kleuter die zijn slachtoffers wormen laat eten en de meeste 'gruwelijke' scènes lijken eerder uit de hand gelopen Dukes of Hazzard taferelen, al doet het einde waar de meiden expliciet The Texas Chain Saw Massacre vermelden wel vermoeden dat we de film niet te serieus moeten nemen.
Jurassic World (2015)
Misschien had ik gewoon even een zwak moment vandaag, maar ik heb tegen alle verwachtingen in enorm genoten van deze sequel. Ik was niet op de hoogte van de details van het het project, mede omdat ik van overtuiging ben dat het 'rebooten met uitstel' van grote franchises een heel gemakkelijke truc is om het publiek weer enthousiast te maken en ze te laten vergeten hoe kut de vorige delen wel niet waren, maar had wel al hier en daar verontwaardigde reacties gelezen van jonge dertigers die stelden dat Jurassic World de 'magie' van het eerste deel totaal verloochent. Zelf ben ik helaas net iets te jong om mij de collectieve zinsverbijstering van '93 te herinneren en koester ik geen diepe nostalgische gevoelens hieromtrent, wat er ook mee te maken heeft dat ik als kind helemaal niet zo geïnteresseerd was in de dinosaurussen en de dino-kids eerlijk gezegd altijd maar een stelletje nerds vond. In veel gevallen toonden ze akelig veel overeenkomsten met dat wereldvreemde knulletje uit het eerste deel, waar er in Jurassic World overigens een kloon van rondloopt. Het eigenaardige is dat het jongentje in deze film helemaal geen projectie is van de duidelijke jongensdroom van de regisseur. Ik bewonder Spielberg voor de kinderlijke fascinatie die hij in al zijn films verwerkt, maar feit is dat de hele notie van Jurassic Park in de eerste film een totaal naïef ideetje is: één of ander park waar je met de jeep kunt doortrekken en wat dino’s kunt bezichtigen. In Jurassic World daarentegen lijkt regisseur Colin Trevorrow (ook als kind geen fan van dino's vermoed ik) zich maar al te goed te beseffen hoe de werkelijkheid zou omgaan met een dergelijk park, namelijk dat het een strontvervelende tourist trap à la Pairi Daiza zou worden. Jurassic World is helemaal niet de 'magische plaats waar dromen werkelijkheid worden', maar een verderfelijk oord van platte commercie: er is een kinderboerderij, een toeristisch treintje dat rond het park rijdt en zélfs een tent om Margaritta's te drinken, met doorlopende happy hour. Eén scène evoceert perfect de horror van parken als Sea Life waar één of andere dino-amfibie (dinonerds die weten welke –saurus het betreft mogen me altijd aanvullen) allerlei kunstjes doet en vervolgens als klap op de vuurpijl het hele publiek natspettert, juichend en lachend als de oliedomme Amerikaanse proleten die ze zijn. Dit alles gebeurd onder het toeziend oog van een flamboyante, maar volstrekt incompetente CEO die geen verstand heeft noch van zaken noch van dino's, enkel goed is om wat vlotte promopraatjes te verkopen en een getikte wetenschapper de volmacht geeft om ‘coole’ nieuwe dino’s te ontwikkelen omdat ‘focusgroepen’ hebben aangetoond dat het publiek de traditionele dino’s kotsbeu is. “Groter en met meer tanden!” is het motto, niet alleen van de CEO, maar eveneens van de blockbustercultuur wat de film een eigenaardig meta-kantje geeft. Een sequel moet immers altijd in de overtreffende trap gebeuren en dat is wat er ook effectief aan de hand is met Jurassic World, een film die in eerste instantie gemaakt lijkt om nog meer en nog grotere dino’s te kunnen laten zien aan een publiek dat de CGI-verzadiging nabij is.
Het mag dan ook duidelijk zijn dat Jurassic World geen revisionistisch meesterwerk is en in se slechts een gewone blockbuster, maar met meer scherpte en humor dan gewoonlijk. En dan bedoel ik niet die verplichte comic relief nummertjes die je o.a. in de films van Bay terugvindt, maar een sfeer van voortdurende ironie die alle blockbuster clichés in het belachelijke trekt. Het personage van Bryce Dallas Howard bijvoorbeeld is haast een absurde uitvergroting van vrouwelijke protagonisten in dit soort films. Ze speelt een sassy zakenvrouw die enkel in hippe marketingtermen praat en in een onkreukbaar mantelpakje rondhost van de ene zakenlunch naar de andere, maar zelfs zij als sterke en onafhankelijke vrouw kan niet weerstaan aan de dierlijke charme van een opzichter in het park (goede rol van Chris Pratt), een ruige brok testosteron die altijd toevallig aan zijn moto zit te sleutelen wanneer bevallige dames hem komen bezoeken in zijn rustieke bungalow. Opposites attract, niet waar? Natuurlijk stelt ze zich als afweermechanisme overdreven vijandig op tegen Pratt, wat vrouwen in Hollywood films immers altijd doen als ze een man wel zien zitten, maar wanneer de hel plots losbreekt in het park is Howard natuurlijk maar al te blij dat haar lekker diertje er is om haar te beschermen, waarmee de film flink de draak steekt met de absurde retoriek die anti-feministen wel eens aanhalen “we zullen nog wel eens zien hoe vrijgevochten jij nog bent als we ooit in een jungle vol gevaarlijke roofdieren belanden ”. Vermeldenswaardig is ook dat Howard zich tijdens deze beproeving voortdurend op stiletto's voortbeweegt.
Er is ook nog een hilarische subplot met een achterlijke redneck (echt zo'n second amendment type) die het lumineuze idee heeft om velociraptors te gebruiken als wapen in oorlogsgebieden. Daarnaast zijn er heel veel van die ‘blink and you miss it’ momentjes die nauwelijks een functie hebben, maar Jurassic World toch onderscheiden van de gemiddelde blockbuster. De hand van een indie (mijn excuses voor het gebruik van dit lege begrip) regisseur is wel voelbaar. Zelfs de obligate eindeloze actiescènes zijn met een (soms zelfs lichtjes sadistisch) gevoel voor humor gebracht, zoals de scène waar Howard’s irritante posh assistente (ook in een onkreukbaar mantelpakje natuurlijk) door een zwerm vliegende dino’s (nogmaals, dinonerds, sta me bij) als een marionet heen en weer geslingerd wordt. Op sommige momenten is de film zelfs oprecht spannend, al neigt het opbouwen van suspense hier en daar een beetje naar copy paste werk van Spielberg's stijl. Onverwachte meevaller, al ben ik blij dat Trevorrow heeft bedankt voor mogelijke sequels.
Juror #2 (2024)
"I think Freddy Quimby should walk out here a FREE hotel"
Hoezo? Dit is niet de langverwachte sequel op The Juror (1996) van Brian Gibson? Wat doet Demi Moore dan plots weer in de schijnwerpers? Geintje, dat is natuurlijk frivole heiligschennis om op die manier over mogelijks de laatste langspeler van Clint Eastwood te spreken. Natuurlijk gun ik de man een eeuwig leven, maar als dit toch zijn allerlaatste prent zou blijken te worden, ben ik oprecht opgetogen met deze zwanenzang. Het zou ongemakkelijk zijn geweest als deze eer zou zijn toegekomen aan Cry Macho, natuurlijk een prima film, maar vanwege de cowboy thematiek en aanwezigheid van hoogbejaarde Clint een iets té opzichtige testamentaire afsluiting.
Juror #2 daarentegen is ideaal en omvat precies de ingetogen bescheidenheid die de laatste film van een groot oeuvre moet etaleren. De film deed me denken aan Family Plot van Alfred Hitchcock, zo'n film die een onclassificeerbaar object wordt door de mengeling van (i) de periode waarin hij gemaakt is (ii) de cineast die niet bepaald veel voeling of interesse in die periode heeft (iii) de nonchalance van de hele premisse. Hierdoor lijkt het alsof Juror #2 bestaat in een andere dimensie en geen enkel equivalent kan hebben.
Juror #2 werd opgenomen in Savannah, Georgia en Clint filmt de onopvallende setting vergoddelijkende schoonheid. Er gaat een enorme sympathie uit voor small town America, zonder dat het opzichtig of karikaturaal wordt. Het MAGA publiek zal de film mogelijks trachten te recupereren, maar Clint poneert net een totale politieke onverschilligheid - getuige het moment waar het hoofdpersonage een radiosegment over een lokale verkiezing uitzet. De Eastwoodiaanse personages willen liefst gewoon met rust gelaten worden. Zoals in elke film van Eastwood zijn er een aantal sekwensen maar verloren geliefden elkaar aan de toog van een dive bar treffen voor een glas bourbon. "Ale house tonight, you're buying." Ondanks deze meanderende momenten houdt Clint de regie wel strak: Het uitgangspunt met de vroege twist mag wat vergezocht overkomen, maar het is precies de soort meeslepende premisse van klassiek Hollywood (ik denk aan de noirs van Fritz Lang uit de jaren '50) die we al decennia jammerlijk verloren zijn. De dynamiek van de jury beraadslaging zorgt voor een aangename suspense en geeft een mooie weerspiegeling van het Amerika van vandaag. Sommige juryleden mogen als typetjes overkomen, maar Clint filmt iedereen met dezelfde waardigheid.
Naast mij in de zaal zat een vrouw uit - vermoedelijk - Waals-Brabant die steeds luidop haar verrassing uitte bij de minste wending. Toen ze na het open einde plots DIRECTED BY CLINT EASTWOOD zag verschijnen, slaakte ze een luide gil. Dat zijn naam tot het einde der tijden zo'n verstomming mag oproepen.
