Meningen
Hier kun je zien welke berichten yeyo als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Half Past Dead 2 (2007)
Na een bijna drie uur durende Franse filmkroniek had ik zin in iets totaal anders. "Een film waarin dikke, zweterige, stupide kerels elkaar tot gort slaan" bijvoorbeeld. Het is altijd belangrijk om de kijkgewoontes in balans te houden. Zo besloot ik eindelijk deze Half Past Dead 2 een kans te geven, een film die me al jaren fascineert. Dit DTV-werkje was gedurende de donkere jaren van mijn adolescentie een immer aanwezig dwaallicht en de esthetiek van de hoes drukt uit hoe ik mij toen voelde: impulsief en gedetermineerd (vooral in het tot gort slaan van anderen). Ik denk terug aan al die verloren avonden, zonder Half Past Dead 2. Ik wandel langs de rayons van mijn herinneringen, al die vervlogen videotheekbezoekjes tijdens dewelke ik Half Past Dead 2 niet huurde. Maar wel, Urban Justice bijvoorbeeld. Of Wrong Turn 2. Toch bijzonder hoe een speelfilm je hele jeugd kan markeren, je hoeft 'm er zelfs niet voor gezien te hebben.
Enfin, na het kijken van Half Past Dead 2 realiseerde ik mij dat ik vergeten was hoe slecht films wel niet kunnen zijn. Slechte films moeten nu eenmaal ook gekeken worden, maar dit was van een slechtheid waar ik normaal gezien niet in aanraking mee kom. Het personage van Kurupt speelt een ongeloofwaardig kneusje dat zelfs tot bitch gemaakt wordt van de jail-bibliothecaris. Er is een subplot met 160 miljoen aan goudstaven. Kurupt & z'n vriendinnetje vinden de staven op het einde. Kurupt verkleedt zich als jaren '70 pooier - wat zijn plotse rijkdom moet illustreren. Dan zit hij wat te bekvechten met z'n vriendinnetje, terwijl Goldberg eens met z'n ogen rolt. Zo eindigt de film. Ik had mij nooit zo'n anti-climax kunnen inbeelden. Zelfs indien je mij had gevraagd "bedenk nu eens het meest ridicule einde wat je kunt verzinnen" had ik wel iets minder ridicuul bedacht. Een laatste vechtpartij met het booswicht bijvoorbeeld. Of een ontroerend weerzien tussen Goldberg & z'n dochter. Langs de andere kant is de soundtrack wel lekker gangsta, ik hou van het soort rap (à la Ice T en Schoolly D) waar de rappers zo maar wat zitten te lispelen op een schijnbaar veel sneller tempo dan dat van de beat. Op die soundtrack zien we dan bovendien beelden van dikke, zweterige, stupide kerels die elkaar tot gort slaan. Dat verdient minstens een 2!
Hand That Rocks the Cradle, The (1992)
Tss, zo'n backstory: nergens goed voor. Nefast voor de mythische aura die de 'binnendringer' om zich heeft en dus veel efficiënter wanneer zijn / haar beweegredenen onduidelijk blijven (zie: Poison Ivy
). Bovendien is het motief in casu nog eens te ridicuul voor woorden. Hoe dan ook, ik kijk de laatste tijd wel vaker vroege jaren '90 'huishouden in nood' thrillers en vond dat The Hand That Rocks veel te weinig aanvangt met zijn setting. In films al deze moet het huis where evil lurks opgewaardeerd worden tot een volwaardige antagonist, een soort idyllische gevangenis waarvan de tralies gemarkeerd staan op de gezichten van de geplaagde personages. Enfin, hier is het maar een plaats die toevallig bewoond wordt. Wat ook niet helpt is de (mis)casting: Sciorra heeft een veel te New Yorkse kop (check die wenkbrauwen) om geloofwaardig te zijn als suburbia queen met een neus voor tuinieren. Dat verwacht je ergens aan een ongure metrohalte in Brooklyn, niet in een parelwitte mansion. Matt McCoy (who ever that may be): lamzak eerste klas. Zelfs voor de categorie 'argeloze echtgenoot van de prooi van de zwarte weduwe' is hij buitengewoon gedesinteresseerd (er zijn een vijftal scènes waar hij gejaagd dassen knoopt terwijl vrouwlief weer allerlei ideetjes aan het verkondigen is) en ook teleurstellend: geen moment gaat hij in op de avances van de boosaardige verleidster. Kan je hem natuurlijk niet kwalijk nemen, Rebecca De Mornay heeft zowat de sex appeal van een alpine geit. Echt zo'n film waarvan je achteraf gaat denken: wat werd er toch veel shit gemaakt in de nineties. Toch is het een tijdperk dat ik grondig mis: toen kon je nog wegkomen met politiek incorrecte subplots, zoals een mentaal gehandicapte zwarte die fungeert als substituut voor de blaffende gezinslabrador die 'het kwade aanvoelt'. 
Hanna D. - La Ragazza del Vondel Park (1984)
Alternatieve titel: Hanna D.: The Girl from Vondel Park
Als er in de openingsgeneriek van een film expliciet een dankwoordje uitgaat naar de kleermaker die al het leer en bont verschafte, weet je waar je aan begonnen bent!
Hanna D is zoals de titel doet vermoeden een enorm sleazy rip-off van het Duitse inner city-drama Christiane F. Zelfs binnen het exploitation-genre is dit gewoon een erg foute film, waar ongeveer elke scène iemand uit de kleren gaat en er ook meermaals een schepje bovenop gedaan wordt omtrent de drugsproblematiek. Zo is dit de eerste (en waarschijnlijk enige) film die ik zag waar heroïne onder de tong en onder het ooglid wordt gespoten. 
Op narratief vlak is het een totale ramp. Het scenario is bij momenten onnavolgbaar en ook de karakterisering zit er volledig naast. Toch kent de film enkele memorabele scènes en wordt er een leuk contrast opgeroepen door enkele cheesy romantische fragmenten met de daarbij horende 80's soft rock.
Op een Severin uitgave staat er een uitgebreid interview met regisseur/scriptschrijver Rino Di Silvestro, die zich blijkbaar niet bewust was van de vele gebreken die zijn film had.
Hard, Fast and Beautiful (1951)
Alternatieve titel: Mother of a Champion
Ida...drôle de môme... elle me rend dingue, cette petite
Een tennisfilm, godbetert, daar zouden we ons nu niet meteen aan verwachten in 1951. Hard, Fast and Beautiful toont zich wel een tikje naïef over de raketsport: zo worden we geacht te geloven dat een jonge speelster die eigenlijk maar een potje speelde op Santa Monica High, wel eens tegen haar garagepoort oefende en eigenlijk geen backhand kan, misschien wel eens Wimbledon zou winnen. Ach ja, die goeie ouwe suspension of disbelief. Het geheel voelt aan als een snelle B-film met een hapklare speelduur van 78 minuten, zoals de mensen van 1951 graag hadden. Toen viel er geen tijd te verliezen, hup hup, een matinee screening of drie en dan gaan genieten van de consumptiemaatschappij. Ondanks het wat voorspelbaar plotje over een stage mom en een voor de hand liggende opbouw, toont la Lupino zich alsnog la reine de la mise en scène. Vooral tijdens het eerste kwartier haalt ze echt alles uit de kast, wellicht omdat de mensen van 1951 een film maar vijftien minuten een kans gunden. The quarter of truth, noemde Paramount mogul Irving Hershenmeyer dat ook. Dat ze in het Engels helemaal niet ‘quarter’ voor een kwartier zeggen, vertelde ouwe Irving je er natuurlijk niet bij. Tijdens dat goddelijk kwartier krijgen we o.a. te zien: een gigantische zonnebloem die het zicht tussen twee tortelduifjes belemmert tijdens hun eerste ontmoeting. Drukt dit een verliefde aarzeling uit, of symboliseert het net de intrinsieke afstand die tussen hen zal blijken? Een veelbetekende zoom op een karaf water. Het tennis partijtje kan ons gestolen worden, onze ogen zijn gericht op die karaf. Het meisje neemt een voorzichtige slok, de jongen kapt de hele karaf over zich uit. De meest originele lits jumeaux uit de geschiedenis: ze staan niet naast elkaar, maar zijn tegen over elkaar opgesteld. Met dit soort treffende mise en scène begrijp je wel waarom Lupino ei zo na in het panthéon van de mac-mahonisten werd opgenomen. Aan het regietalent van Lupino wordt dus zeker niet getwijfeld en ik zou haar zelfs enkele auteuristische eigenschappen gunnen. Zoals Scorsese in haar grafrede in de NYT in 1996 schreef, dragen haar protagonistes inderdaad steeds een grote waardigheid uit.
Maar je kunt ook een tikje te ver gaan in Lupino in de auteur theory te willen rammen. Zo kregen we na de voorstelling te horen dat het gebruik van documentaire beelden van een tennispubliek een hommage zou zijn naar Roberto Rossellini. Wil iemand de Fransen het concept ‘stock footage’ eens uitleggen? Daarnaast mag je ook niet uit het oog verliezen dat films als Hard, Fast and Beautiful met een zekere mercantilistische onverschilligheid werden gemaakt: niet elk shot zit doordrenkt van intentionele symboliek. Wanneer we zien hoe de vader zijn ogen sluit terwijl hij de match van zijn dochter op de radio beluistert, is dat niet omdat Lupino hier wil mee demonstreren dat hij ‘niet bijdraagt aan de collectieve male gaze gericht op het lichaam van zijn dochter’, maar wel om, ik zeg maar wat, een soort gemakkelijk melodramatisch effect toe te voegen. De kritiek op suburbia werd ook niet door American Beauty uitgevonden, ik vond de satirische elementen in Hard, Fast and Beautiful nogal belerend en flauw.
Op het einde begon er nog een dame te fulmineren over gevangenschap, de ouders als predators, het vreselijke onrecht dat zij hun dochter aandoen door haar voor een tennistornooi in te schrijven, beelden die bijna ondragelijk te kijken zouden zijn… En ik maar denken dat Parijse cinefielen reactionair waren. Waar zijn de mac-mahonisten als je ze nodig hebt.
Gezien in la Cinématheque française op 19 juli 2025.
Hardcore (1979)
Alternatieve titel: Spoorloos
Paul Schrader blijft een enigma voor mij. Langs de ene kant vind ik zijn films erg lomp, banaal, voorspelbaar, maar toch fascineren deze 'mislukkingen'. In Hardcore lijkt hij wederom een cinefiel correcte hommage te willen maken, met personages die rondwalen als Bresson-zombies, opnieuw een afdaling in een stedelijke hel à la Taxi Driver en natuurlijk The Searchers, een obligate verwijzing voor de flinkste leerling van de filmklas. Al deze punten falen grandioos: Schrader is veel te onbehouwen om de feilloze composities van Bresson te evenaren en mist diens jansenistische strengheid, aangezien hij niet kan weerstaan aan melodramatische bochten en allerlei broodje aap sensatie ("ken je die van de calvinist die een pornobioscoop binnenstapt?"). Helemaal erg zijn de bonding momentjes met die hoer waar snel alle morele dillemma's en generatieconflicten even worden afgewerkt, met de gezapige vlotheid van een Woody Allen komedie (deed me echt aan Mighty Aphrodite denken). Eigenlijk is het een klucht van een film, schmierend, grotesk 'after school special' niveau. Maar is dat zo erg? Die scène waar het hoofdpersonage door de muren van een pornoset dondert, dat is toch grandioze cinema? Bresson filmt met een fluwelen handschoen, Schrader eerder met een boksijzer. Dat kenmerkt ook de enggeestigheid van de film: nergens had ik het gevoel naar een interessant, waarachtig tijdsdocument te kijken, de rosse buurt van California is heel klinisch, steriel en zelfs anachronistisch in beeld gebracht. De dialogen lijken geschreven door een enorme square, beetje niveau de vader van Full House, die denkt dat hij wel door heeft hoe die jongelui spreken. Misschien is deze verwrongen kijk wel intentioneel, alsof we meegesleurd worden in de paranoïa van het hoofdpersonage, een Nixoniaanse driftkikker ("those damned hippies!") Dat zou ook de absurditeit van de ontknoping verklaren: ach, het arme kind wou gewoon wat aandacht, daarom werd ze een pornoster en zou ze zich voor de camera laten mollen door een kalende, 40-jarige latino. De Franse criticus Louis Delluc zei dat het filmisch universum de facto een soort droomwereld is, in dat geval kunnen we Hardcore met vlag en wimpel geslaagd noemen. Alleen vind ik dat een erg dwaze uitspraak van Delluc en behoud ik toch mijn reservaties. Maar iedereen die de film een meesterwerk noemt heeft waarschijnlijk wel gelijk.
Hateful Eight, The (2015)
Alternatieve titel: The Hateful 8
Ik weet dat controlefreak Tarantino zich heeft opgelegd om na H8ful 8 nog maar twee films te maken, aangezien ‘10’ natuurlijk een monumentaal cijfer is waardig voor zo’n prachtig oeuvre, maar of Hollywoods grootste flapuit (ik wacht nog altijd op die Faster Pussycat remake met Britney Spears) zich ook aan dit nobel streven zal houden, is een andere vraag. Wat als hij nu eens drie films zou maken? Kan ie natuurlijk achteraf nog besluiten om à la Kill Bill twee films retroactief als één film te laten gelden. Of wat als hij nu eens helemaal geen films meer maakt? H8ful 8 voelt immers als een wrange zwanenzang, een grimmig zelfportret waarin QT’s nare, contrasterende eigenschappen werkelijk alle kanten uit schieten, als verdwaalde kogels tijdens een Mexican standoff.
Ondanks eerdere teleurstellingen (Inglorious Basterds en Django vond ik vrij abominabel) had ik wel stiekeme verwachtingen van The H8ful 8. Zo een hibernerende huit clos thriller volgens het gekende ‘And Then There Were None’ (al weten we allemaal welke alternatieve titel Tarantino prefereert) stramien leek me een verademing na films die verstikten in hun eigen opgezwollen grandeur. Ik hoopte op een Hawksiaanse (of, à la limite, Carpenteriaanse) hangout movie, maar kreeg in de plaats een vreselijk onaangenaam logement in het Bates Motel met 10 Kleine Tarantino’tjes.
Om te beginnen had te film gerust The Lovely Two en Nog Wat Andere Eikels mogen heten, want in se is het natuurlijk gewoon weer een buddy comedy, die evenwel zwaar uit de hand loopt vanwege scenaristische hubris (op het hoogtepunt van suspense wordt de plot onderbroken voor een vrij zinloze flashback – want die non-chronologische structuur was in Pulp Fiction toch ook zo leuk?). Russel & Jackson zijn de Vincent Vega en Jules Winfield van de Reconstruction Era, twee kemphaantjes die samen Jennifer Jason Leigh een sitcom ménage-a-trois vormen (er is zelfs een scène waar de Haberdashery à la I Love Lucy door een imaginaire lijn in twee wordt gedeeld). De running gag binnen dit olijk ensemble is een Honeymooners-achtige grap waar Jackson & Russel beurtelings de rol van Jackie Gleason aannemen en Leigh welverdiende pandoeringen geven, waarna het arme ding als een slapstickpersonage in het rond vliegt. De epische ‘POW- right in the kisser’ catchphrase is hier echter vervangen door een welklinkend BIIIIITCH – we moeten immers meegaan met de tijd. Het puberaal ‘epic fail’ doelpubliek smult er alleszins van en kunnen natuurlijk ook de verwijzingen naar Family Guy (hilarische kotssalvo's) en gebroeders Wayans humor (Jackson die plots even in slomo begint te rappen als T-Pain) best appreciëren.
En de overige vijf dan? Ja, dat zijn de échte rotzakken. Ook al doet Tarantino wel van die halfslachtige pogingen om iedereen ‘even verwerpelijk’ te laten lijken, zie je wel waar zijn sympathieën liggen. Dat is op zich niet zo problematisch, ware het niet dat Tarantino zijn minachting voor ‘ideologisch foute’ antagonisten sinds IB altijd op zo’n wanhopige manier etaleert en het zijn bad guys niet eens gunt om overtuigend intimiderende booswichten te zijn. Het zijn altijd aartslelijke, fysiek zwakke of verwijfde minkukels waar je zo over heen walst. Denk maar aan het gemak waarmee de zogenaamd gevreesde nazicommandant Landa in de luren wordt gelegd in IB – notabene door een Texaanse randdebiel. Het meest ‘hateful’ personage in deze film is een hoogbejaarde Confederate generaal die tijdens zijn korte screentime (want zo’n racistische vuillakken verdienen het niet om langer dan vijf minuten Tarantino’s prachtige 70mm pellicule te bedoezelen alvorens ze naar de verdoemenis geholpen worden) niet eens uit zijn zetel komt en eigenlijk maar naar de Haberdashery kwam om een potje te schaken. In de meest ‘hateful’ scène van de film verkondigt Jackson tegen deze verrimpelde zielenpoot dat hij zijn redneck zoon eens goed aan zijn – ik parafraseer – lange zwarte snikkel heeft laten zuigen in een monoloog die haast een verheerlijking van prison rape lijkt.
Want seksualiteit neemt natuurlijk ook een nogal dubieuze plaats in binnen het oeuvre van Tarantino. De uitdrukking ‘the old ball and chain’ krijgt hier wel een heel letterlijke betekenis aangezien het personage van Russel (Tarantino’s alterego en wensdroom) vastgeketend zit aan het personage van Leigh en ze zich bij wijlen gedragen als een ruziënd getrouwd koppel uit de screwball traditie. Een koppel dat al veel te lang niet meer geneukt heeft. Voor Tarantino personages lijkt het celibatair bestaan inderdaad eerder een vanzelfsprekendheid dan een levenskeuze. Ja, er is die scène in Jackie Brown waar ex-bajesklant De Niro Bridget Fonda eventjes emotieloos tegen de gootsteen ramt (ook hier is de prison rape analogie niet ver weg). Maar seksuele spanning? Nada. Natuurlijk mogen we de iconische date tussen Travolta en Uma Thurman in Pulp Fiction niet vergeten, maar zelfs die scène is met een soort gehaastheid gefilmd, alsof Tarantino zich zo snel mogelijk uit de voeten wil maken om terug te keren naar de homo-erotische male bonding tussen Travolta en Jackson. Misschien is dat ook allemaal weer een soort impliciete verwijzing naar Hawks? (ik zag onlangs in Pretty White Lies dat Red River het tot de LGBT top 100 heeft geschopt – de arme man moest het eens weten) Of misschien speelt er toch iets wranger: een vrouw die seksuele avances maakt op Tarantino of zijn alter-ego, moet ‘gestraft’ worden en krijgt een overdosis gevolgd door een naald tussen de ribben. BIIIITCH! Moeder Bates zit instemmend achter haar raampje te knikken.
Havoc (2005)
Hoe is deze teensploitation parel aan mijn oog kunnen ontsnappen? Naïeve, maar goed bedoelende sletjes besluiten hun 'wannabe gangsta' vriendjes in te ruilen voor een ruiger exemplaar-latino drugsdealers uit East L.A.-met alle gevolgen van dien. Film is nogal karikaturaal, maar desondanks (of juist daarom?) nog wel leuk. De plot heeft wat weg van Spring Breakers, maar dan minder goed. Het is mij onduidelijk wat de regisseur precies wou overbrengen. Hier en daar wat voorzichtige pogingen om het isolement van bepaalde gemeenschappen aan te tonen, maar dat botst dan wel wat met het hoge Thirteen / shockvalue / Lifetime gehalte. De ontknoping is een beetje fout en lijkt te willen zeggen meisjes, als je het zelf zoekt, moet je achteraf niet komen bleiten wanneer je in je hol verkracht wordt, De interviewscènes waaruit zou moeten blijken dat het hoofdpersonage eigenlijk heel 'diep' is hadden voor mij niet gemoeten.
He Got Game (1998)
Onderschatte film waarin Spike Lee het conventionele sportdrama diepgang geeft door enkele treffende vaststellingen te maken over de Amerikaanse cultuur (m.n. het immense belang dat universiteiten aan hun sportclubs hechten). Daarnaast weet hij de turbulente vader-zoon relatie innemend te schetsen. De subplot met Jovovich is daarentegen nogal zinloos en oppervlakkig.
Heaven Can Wait (1943)
Wanneer je Lubitsch-volgelingen vraagt om hun liefde voor de Duitse grootmeester toe te lichten, verschuilen ze zich veelal achter de zogenaamde 'Lubitsch touch', een leeg begrip dat in te vullen is volgens de persoonlijke fascinaties van de spreker in kwestie: zo heeft eeuwige cultuurrelativist (met een beperkt geografisch besef) Rosenbaum het over "a specifically Eastern European capacity" en Billy Wilder benadrukt dan weer het gebruik van de 'Super joke', een welgekozen uitsmijter die alle eerdere mopjes moet overtreffen in hilariteit, een uitspraak waarmee Wilder bewijst dat hij beter vaudeville one-liners had geschreven dan langspeelfilms.
Als iedereen zomaar zijn eigen dogma's mag projecteren op dit concept, doe ik graag mijn duit in het zakje en wil ik – om geheel binnen de kerstsfeer te blijven – de Lubitsch touch verklaren als een ondubelzinnige aanvaarding van magie in het dagelijks leven. 'Heaven Can Wait' is een pleidooi voor de waardering van het irreële, maar stelt eveneens dat het geloof in een fabeltje afhankelijk is van twee cumulatieve voorwaarden: een begeesterde verteller en een publiek dat bereid is om zijn blaasjes te geloven. "So he really DID got out of that barrel" zegt een Kansaanse vleesgigant over het vervolg van zijn lievelingsstripverhaal. Eerder aan de ontbijttafel had hij dit gegeven betwist toen zijn echtgenote het hem droogjes meedeelde: in de vorige editie stopten ze de held nog in een dichtgespijkerd vat en dumpten ze hem in het midden van de woestijn, hoe kon hij dan in godsnaam ontsnappen? Pas wanneer de vleesgigant zelf het stripverhaal onder ogen krijgt, laat hij zich gewillig in de luren leggen door een halfbakken verklaring (‘a friendly snake helped him escape’): een uitbeelding kan namelijk zo treffend zijn dat het de ratio even uitschakelt.
Daarbij aansluitend betwist ik met klem dat de film overspel zou goedpraten, zoals men hierboven stelt. Ook de liefde wordt namelijk voorgesteld als een hoger kader dat onvoorwaardelijk geloof vereist en niet gereduceerd kan worden tot een rationele kosten-baten analyse (zoals het personage Albert op een gegeven moment doet). Martha praat met genegenheid over de smoesjes die haar zoon verzint: “Je wilt zo graag dat zijn verhaaltjes waar zijn”. Niet omdat ze haar zoon zomaar alles vergeeft, maar omdat moederliefde geen loutere afweging is van ‘goede’ en ‘minder goede’ eigenschappen. Zelfs een onwenselijk kantje kan in dergelijk opzicht erg geapprecieerd worden, omdat het een uiting is van de eigenheid en onlosmakelijk verbonden is aan de rest van de persoon. Een gelijkaardig mechanisme werkt voor haar huwelijk dat zijn oorsprong vond in een onwerkelijk fantasietje en waarbij Henry’s amusante verdraaiingen van de werkelijkheid bijdragen aan het wederzijds gevoelde idee van een amoureuze lotsbestemming.
Dat deze verzinsels opportunisme overstijgen blijkt ook uit het gegeven dat Henry romantiseren nodig heeft bij de invulling van zijn eigen bestaan en de vertelling gebruikt als een vorm van zingeving. Met humor en lyriek trekt hij verbanden tussen schijnbaar toevallige gebeurtenissen, waardoor zijn geprivilegieerd leventje vol werkschuwheid, gokverslaving, buitenechtelijke affaires en onverbeterlijk narcisme haast grandeur krijgt. Ondanks duidelijke ergernissen, eert hij zijn familieleden met een schertsende, doch liefdevolle hommage. Tenslotte illustreert zijn relaas zelfs een gevoel van eeuwigheid, wanneer net na zijn overlijden de camera (in een veelzeggende opflakkering van dynamiek in deze jaren ’40 studiofilm) halt houdt voor de gesloten kamerdeur, zachtjes de trappen afglijdt en nog een laatste blik op het salon werpt, waarmee gesuggereerd wordt dat de ruimte die we bewonen ook na onze dood door onze aanwezigheid gemarkeerd blijft.
Hellhole (2019)
Alternatieve titel: Ascension
Aha, een film over ons collectief bewustzijn! Met dien verstande dat het collectief bewustzijn natuurlijk helemaal niet bestaat. Jedoch, een film die een historische gebeurtenis aankaart is al een prestatie op zich voor de Vlaemsche cinema, die meestal grossiert in een ontkenning van de werkelijkheid en plaatsneemt in een soort gezapig niemandsland, een tragikomisch voorgeborchte, een confituurpot-universum. Provocateur Devos laat op een gegeven moment het enige Vlaamstalige personage in het groot CONFITUUR op een white board schrijven. De toon is meteen gezet! Terzake: net als Violet een aangename verrassing voor iemand die normaal koude rillingen krijgt van termen als 'meditatief', 'impressie' en 'meanderend'. Devos zal hoogstwaarschijnlijk nooit een film maken die ik 100 keer of zo herkijk, maar afstoten doen zijn creaties al evenmin. Hij brengt zijn personages niet in beeld als afzichtelijke gedrochten, is niet bang van de schoonheid van een klassieke compositie en filmt met een jansenistische kuisheid - wat al meer is dan we kunnen zeggen van 99% van die handelaars in obsceniteiten die vandaag de dag als cineasten moeten doorgaan. Bovendien opmerkelijk dat de titel HELLHOLE nooit een overdreven contrast vormt met de contemplatieve toon van het werkje: het is een film die ondanks zijn wat weemoedige voorkomen een stille, trefzekere kracht uitdraagt en op een onbewaakt moment wel eens genadeloos zou kunnen toeslaan.
Kwatongen beweren dat de film geen fraai beeld van Brussel zou schetsen. Nu ben ik zelf maar een nep-Brusselaar, maar ik vond het toch een heel aardige bedoeling, niet in het minst omdat op een gegeven moment zelfs café Het Gevaar eventjes in beeld komt (geloof me vrij, die sublieme vechtbarak verlaten jullie niet zonder kleerscheuren!). Toegeven, qua architectuur verwachtte ik ook wel wat meer gelet op de schromelijk overdreven sales pitch van Devos die aankondigde dat, ik parafraseer, "de film een ongeziene exploratie van het Brussels stedenbouwkundig weefsel zal worden, een wrange evocatie van de urbane littekens achtergelaten door de megalomane vernielzucht van Vanden Boeynants en Charley de Pauw" (nog zo een donkere episode uit ons 'collectief bewustzijn' waar dringend eens een film over gemaakt mag worden – maar dan liefst niet door Stijn Coninckx).
Na afloop keerde ik per trein terug naar mijn niet nader genoemd provinciegehucht: in Brussel-Noord vroeg een meisje in welk station we waren, niemand wist het en niemand leek één der landstalen machtig. Hij is zo gek nog niet, die Devos.
High Life (2018)
Ik heb een hekel aan sci-fi, zeker het 'filosofische' soort. Mijn mening mogen jullie dus buiten beschouwing laten, ik heb me immers voorgenomen om nooit of te nimmer naar 'Solarys' te kijken. Maar deze Denis dus wel. Ik mag haar best, die Denis, al heb ik maar vijf van haar films gezien en snap ik eigenlijk geen snars van haar oeuvre. Enkele personen van wie ik geen complete afkeer heb, noemen haar echter een groots cineaste en dat verdient toch wel een pluim wat mij betreft. Alleen jammer dat ze nu met zo'n arthouse sci-fi komt aanzetten. Waarom niet nog eens een leuke romantische komedie? Nu moeten we de voorspelbare reacties van het journaille ondergaan die ons komen 'waarschuwen' dat het popcornpubliek hier beter weg van blijft en dat ze geen tweede (of derde?) Independence Day moeten verwachten. Elke compleet legitieme kritiek à la "ik vond dit een oersaaie snertfilm" kan dan gepareerd worden met "ja, maar A Space Odyssey!" "ja, maar existentieel!" Kan allemaal best wel wezen, maar al die zwaarmoedige thema's en kosmologische bespiegelingen laten me saturnisch koud (en ik vermoed dat dat voor 95% van de cinefielen / arthouse bezoekers het geval is!). Maak snel gewoon weer eens een lieve film, beste Claire, dat bedoel ik heus niet seksistisch. Twee sterren voor de strakke deltoids van Binoche.
High Noon (1952)
Alternatieve titel: Klokslag 12
Het publiek bleek in 1952 nog niet klaar te zijn voor High Noon. John Wayne en Howard Hawks noemden de film on-Amerikaans en een ware schande voor het westerngenre. Anno 2011 wordt de film blijkbaar nog steeds niet gewaardeerd, als ik de commentaren hier zo lees. Wellicht omdat het qua toon de tegenpool is van de ongelofelijk populaire Leone westerns: larger-than-life vs. down-to-earth. Gary Cooper speelt geen onverslaanbare revolverheld, maar een man van vlees en bloed, met echte gevoelens en begrijpelijke angsten. Hierdoor komt de dramatiek op psychologisch vlak zeer goed tot zijn recht. Ook weet Zinneman door interessante shots en real time gebruik op een heel subtiele wijze spanning op te roepen.
Hitchcock (2012)
De figuur Hitchcock gedegradeerd tot een banale romantische komedie. Kluchtig, bijzonder zwak geschreven (vertrouw nooit een film waar iedereen in toffe kwinkslagen spreekt) en met de subtiliteit van een pletwals. Slechtste film die ik in maanden zag.
Homme Pressé, Un (2018)
Alternatieve titel: A Man in a Hurry
Niemand beter dan taalvirtuoos Luchini om spraakproblemen na een beroerte op te waarderen tot een nieuw soort verlan! Doe het hem maar eens na. Desalniettemin begint deze Homme Pressé snel te vervelen, en voelt de beperking van Luchini gauw als een gimmick aan. Ook wel heel suf en ongeïnspireerd van regisseur Mimran om uitgerekend 'Casablanca' als cinefiele referentie bij uitstek te kiezen. Van een cinefiel land als Frankrijk verwacht men toch meer - Casablanca is erg banaal als keuze, zo banaal dat zelfs de dorpskroeg in mijn geboortegehucht café Casablanca heette en er een afdruk van Bogart en Bergman op het raam te bewonderen viel. De tussenkomst van het personage van Leïla Bekhti is vrij zinloos, gaandeweg moet ook de band met een vervreemde dochter nog hersteld worden... naar het einde wordt de film stroperig sentimenteel en brengt het de zogenaamde 'camino' naar Santiago de Compostella (het bedevaartsoord voor mensen zonder ziel) met een ergerlijke 'Eat Pray Love' esthetiek. Toch kan deze film desondanks op mijn (ideologische) goedkeuring rekenen. In deze tijden van filmische brooklynization is het hoopgevend om te zien dat de Franse filmelité dapper stand houdt (ondanks bemoeienissen van woke bobo's zoals Adèle Haenel) en nobele deugden verdedigt: weelde, privilege, mooie kleren, elegantie, mooie mensen, dure drankjes op het terras van bistrot bestellen en vertrekken voor je er zelfs maar van geproefd hebt, eruditie, boekenkasten, enfin, the Parisian way of life, quoi.
Honey (2003)
Compleet zinloze avond met gedwongen dansfilm doublebill en bier deel 1:
Dit lichtverteerbaar feel good filmpje was een aangename verrassing. Kleine honeybee Alba is perfect gecast als verantwoordelijke meid uit de projects met een sterk moederinstinct. Met haar stralende glimlach en 'can do attitude' helpt ze de kleine bad boys op het rechte pad! De typische 'red ons jeugdhuis' plot is fijn gebracht met de gekende stereotypen (zal Honey op het einde kiezen voor de ruige barbershop hunk met een gouden hart of voor de gluiperige platenbaas met een terugwijkende haarlijn?) en door zijn kleurrijke, typische vroeg 2000 Nickelodeon look en luchtige pop rnb soundtrack lijkt de film zich af te spelen in een soort gezellig bubblegum-ghetto. De uplifting 'ik geloof in mijzelf!' finale als knipoog naar de betere musical van weleer is de kers op de taart.
House of Gucci (2021)
Je houdt het niet voor mogelijk, maar Ridley Scott is erin geslaagd om een heerlijk smeuïg tabloidverhaaltje met Borgia-allures als een gortdroog docudrama te filmen. De ondergang van het Gucci-imperium is met een tastbare tegenzin in beeld gebracht, alsof Scott er zich zo snel mogelijk vanaf wilde maken. De decadentie, de flair, de hubris, de marmeren neo-klassieke operette-kitsch, het is even fantasieloos gefilmd als ware het door de eerste de beste boekhouder. Ik snap voorts ook wel dat een Amerikaanse productie niet zomaar Italiaanse acteurs kan aanwerven, maar de film speelt zich hierdoor in een cultureel vacüum af, een gemetisseerd niemandsland. De personages lijken zeker geen Italianen, komen eerder als Italian-Americans over, maar dan saaier en minder luidruchtig. Vaagweg gesofisticeerd, zoals een Californische wijnbar. Als je toch zo'n loopje neemt met de werkelijkheid, had je het Gucci-imperium toch even goed in Bensonhurst, Brooklyn kunnen situeren? Konden we tenminste nog wat lachen. Ook al lijken ze elk in een andere film te spelen, toch doen de acteurs het naar behoren. Uitzondering is wel Jared Leto, wiens prestatie de meest ontspoorde egotrip uitmaakt sinds Brad Pitt in Snatch.
