Een schokgolf door de Franse filmwereld: in de Franse TF1 post-68 dramedy is de protagonist in 85% van de gevallen prof. En dan liefst nog één die philo, poésie of histoire-geo geeft. Maar wat als dat cinematografisch archetype plots... onthoofd wordt?! In deze biografische film zien we Samuel Paty als de ultieme Franse pedagoog. Les lumières, la république, la laïcité. Dit is de laatste beschaafde achterblijver in la cité, de laatste die nog La Fontaine gelezen heeft. Die niet weet wie Juul is en nog nooit een Tasty Crousty gegeten heeft. Op de laatste dag van het schooljaar neemt hij een aanloop naar de Franse revolutie: "...daar waren de monarchen niet blij mee! Maarrrrr de rest horen jullie bij la rentrée!" Steeds zien we Paty met hetzelfde sjaaltje om zijn nek, hij draagt het zelfs thuis. Het is zo'n bruinkleurig exemplaar met een combinatie van smalle kleurrijke streeptjes – dat kennen jullie vast wel. Op zijn hommageprentje op het einde draagt hij het uitzonderlijk in een dubbele knoop. Op de noodlottige dag droeg hij echter een hoodie en dus geen sjaaltje – een Fransman heeft (in tegenstelling tot pakweg een Brit of een Nederlander) automatisch genoeg modebewustzijn om te weten dat je een hoodie en een sjaaltje niet combineert – zelfs un paumé qui vit au SMIC. Ik heb ook ooit kortstondig zo'n sjaaltje gehad, meegegrist aan de kapstokken van café Weirdos op een koude januarinacht in 2007. Dat was me ook nog al eens microcosmos toen, die hoek van de Naamsestraat in 2007. Je had de alternativo's die naar de Machine gingen. De johnny's naar de Weirdo's en die rosten de alternativo's stelselmatig af. De Albanese pizzakeet Amici Miei of all-night kebab de Pyramid om de magen te vullen met dubieus voer. En dan had je shishabar Patos – die met een stille grimmigheid over de wijk waakte. Eén keer bonkten we te hard op de venster en toen verscheen er meteen een wagen met gierende banden en iets later werden we met een wapen bedreigd. Dat sjaaltje heb ik niet lang bijgehouden, hoewel warm vond ik het er echt sullig uitzien.
In L'Abandon zien we wat er gebeurt wanneer een rigide bureaucratiestaat als Frankrijk plots geconfronteerd wordt met vurige samenlevingsproblemen. Wanneer de eerste dreiging ontstaat, moet de directrice van de school één of andere archaïsche handleiding raadplegen om na te gaan welke administratieve procedure ze moeten volgen. En tussen de 7 en 12 werkdagen nadien ontvangt ze dan een oproep van een kalende kerel met een gestreepte das van een nationaal ministerie van la République. De verfilming zelf is zeker bekwaam gemaakt en meeslepend, maar niet echt opzienbarend, meer téléfilm niveau. La gauche schiet natuurlijk in een kramp en zoekt halsstarrig een reden om de film te veroordelen. "Ze hebben nog niet eens het einde van het proces afgewacht" klaagt er iemand op Letterboxd. Blijkbaar is er enkel nog een Cassatieprocedure lopende op verzoek van één van de haatimams, dat is een procedure die puur naar vormfouten kijkt. Ze zouden dat hele Hof van Cassatie beter opdoeken, tempel van logge Franse bureaucratie.
Dit mag dan ook choquerend klinken, maar het is niet meer democratie en pedagogie dat dit conflict zal voorkomen en een Franse burgeroorlog zal vermijden – zoals de boomers lijken te denken. Wat we nodig hebben is een virilistische doch eenmakende figuur die de gemeenschappen verbindt. Als het iets te rumoerig werd op een vrijdagavond in de Naamsestraat anno 2007, kwam dikke Hakim de Patos buiten, nam een losliggende straatsteen in de hand en herwon de straat haar sereniteit.
In Frankrijk heet Goodfellas 'Les Affranchis'. En The Departed 'Les Infiltrés'. Er een hele Franse traditie om gevat klinkende auteursfilms te vertalen naar één of ander generisch gangstercliché, alsof het maar een derderangs misdaadroman was. De Fransen – zelfs de cinefielen – weigeren het ook resoluut om ooit een titel als 'Goodfellas' te normaliseren en blijven maar pompeus affranchis-affranchis-affranchis herhalen tot het alweer tijd is voor de apéro. Het grappige is dat je ook het gevoel krijgt dat de Fransen het universum van een film als Goodfellas of The Departed helemaal niet begrijpen, dat ze bij uitbreiding ook Scorsèèèèse helemaal niet snappen – aangezien ze de films gedubbed kijken of gewoon niet genoeg Engels snappen om de dialogen te volgen, laat staan het soort wise guy Engels bij een Scorsese ("wise guy?? Ca veut dire quoi, c'est comme un vieux sage?). Heb je wel eens een gedubbed fragment uit die zogenaamde 'Affranchis' gehoord? De Niro spreekt daar met een oer-Frans hees stemgeluid, doorspekt met Parijs argot van de jaren '60 – meer Dédé le Caïd of Prosper Youpla Boum dan Jimmy Conway.
De vraag is wat er dan gebeurt als een – niet als te getalenteerde – Franse cinéast als would be-nepo baby Frédéric Schoendoerffer zich waagt aan een authentiek Franse versie van Les Affranchis en dat een gelijkaardige generische titel geeft: 'Truands'. Zal Schoendoerffer trachten om de audiovisuele virtuositeit van Scorsese te evenaren, een weelderig period piece in scène zetten en een gangsterepos met fascinerende personages maken; of simpelweg stuurloze scènes aaneenrijgen waar kemphaantjes elkaar de huid vol schelden? Truands is samen met 'La Mentale' eigenlijk een prachtig voorbeeld van de Franse post-polar, een laatste doodsreutel van niet alleen een geliefkoosd genre, maar ook van een heuse art de vivre. La pègre. Les derniers seigneurs de Paris. Net als in La Mentale is de intrige eerder onbestaand en krijgen we vooral woedeuitbarstingen te zien. Je ziet zo dat Parijse mooiboys als Naceri en Magimel zich voorbereiden om 'un plan à la Brando' te doen. En dan 'un reverse plan Brando'. 'Tkt j'vais le faire à la Brando.' Vaak betekent dat in hun register gewoon dik en onuitstaanbaar zijn. Ergens in de luwte van 2009 huurde ik de DVD al eens, maar ik had verkeerdelijk onthouden dat Magimel hier de caïd speelde, terwijl dat eigenlijk ene Philippe Caubère blijkt te zijn. Claude Corti, cinquante deux ans. Corsicaanse vader, Siciliaanse moeder. Irritante opdonder met een permanente five o'clock shadow. Grappig is ook dat zelfs een alom verguisde Franse film door de lokale vakpers altijd wel van ergens lofuitingen zal ontvangen – waarschijnlijk omdat ze omgekocht werden door de producer. Zo noemt een vakblad op Allocine de prestatie van Caubère survolté, démentiel, immense.
De ironie wil dat Schoendoerffer zich minitieus voorbereid heeft voor deze prent om een echte inkijk te krijgen in le grand banditisme parisien: hij las elke Nouvel Détéctive tussen 1982 en 1997, interviewde gepesioneerde pooiers en prostiuées van de triangle d'ôr en probeerde de dialogen aan de hand van Le Petit Simonin zo authentiek mogelijk te laten klinken. Het jammere is dat dit nergens van het scherm spat; in de verwarrende beeldvoering die er een poging tot Massive Attack videoclip uitziet, krijgen we zelfs zelden een stukje Parijs couleur locale te zien. De truands slijten hun dagen in stripclubs, was dat nu zoveel gevraagd om eens wat neonovergoten boulevards in beeld te brengen? Nochtans werd er gefilmd in een bestaande stripclub gevestigd te 27 Rue d'Artois – toen la 4ème Dimension, ondertussen de G-Spot, où j'ai mes habitudes. Ik vraag me af of Luciano toen ook al aan het roer stond.
Ik was in 2009 wel al pienter genoeg om te begrijpen dat het personage Corti alle flair mist, maar ondertussen zie ik er wel de post-moderne humor van in. In de jaren 2000 deed de Franse filmindustrie een nobele poging om de werkelijk uitstervende pègre een laatste filmisch eerbetoon te gunnen. Natuurlijk is er nog steeds georganiseerde misdaad in Frankrijk, maar die is ondertussen paradoxaal provincialistisch geworden. Rappersbendes uit de 93 of gewoon Marseille, die liever een Master Poulet avec extra sauce samurai, chef verorberen dan oesters en niet eens de aspiratie hebben om un immeuble cossu dans le 8ème te kopen. Je kan je de quad immers nergens parkeren. Beter gewoon Dubaï, daar krijg je meer vierkante metes voor je geld. Het archetype van de goedgeklede, mondaine gentleman-braqueur, is morsdood. 2007 lijkt in die zin ook een verre echo. Rond die tijd sloten bijna afzuipbars in de Triangle d'Or: de First, le Diam's, le Japan Bar, le Franky's, le My Way.
Het is het einde van een tijdperk in verval dat ook voor eeuwig de openbare ruimte veranderde. Eigenlijk was het misdaadmilieu toen een bastion van verzet tegen het kapitalisme, een schemerzone binnen een grootstad die zich weigert aan te passen aan de goede consumentenzeden. In retrospect heb ik dan ook enkel sympathie voor Truands – hoewel totaal mislukt als film – aangezien het weemoedig het sluitstuk van een tijdperk neerzet. 2007 lijkt ondertussen al duizend jaar geleden, een tijdperk waarin een gangster nog zijn vrouw afrost louter voor dramatic effect. En een andere gangster een prostituée-in-spe half molesteert in de toiletten om enkel te besluiten dat ze "niet genoeg is voor de Rue Blondel." Des vrais bonhommes, het moet wel, hoeveel ze roepen en spuwen. "Je suis Claude Corti! Je suis un homme! On me baise pas moi!!!" In een soort verlopen, middelbare leeftijd, wallen, ongeschoren, Ricard-roes is een film als Truands misschien dan zelfs meer aangrijpend in zijn absolute leegte als een Goodfellas? Misschien is dat maniëristisch zoeken naar een juiste beeldvoering en perfecte decoupage ook wel wat verwijfd? Ik probeer deze waangedachten te verdringen, terwijl het nietszeggende eindshot van een door de straten van Dakar kuierende Magimel langzaam oplost.
“FIND YOUR BUNNY INSIDE.”
De slogan van de vroegere Bunnies Night Club hangt nog half zichtbaar boven de ingang, nonchalant afgeplakt met tape. Het is zo’n keet die vaak van naam verandert. Ooit vond de politie er een vuilniszak met 70 miljoen forint – afhandig gemaakt van goedgelovige toeristen.
Het is maar één van de vele valstrikken die Budapest rijk is. De honey pot is hier zowat hun fierste nationaal product. Wanneer Eddie Murphy en Owen Wilson in de spionagefarce I Spy in Budapest arriveren, wordt Murphy vrijwel meteen in zo’n hinderlaag gelokt. Champagne, vrouwen, achterkamers, Oost-Europese gastvrijheid met verborgen toeslagen. Tot nog een paar jaar geleden benaderden vrouwen nietsvermoedende toeristen om de hoek van het Operagebouw om hen mee te lokken naar het beruchte Hajos Café. Maar de zaak is ondertussen opgedoekt, net als de Queens Nightclub. Igen, igen.
Naast vrouwelijke verleidingskracht voel je dat Budapest overkookt van politieke intrige. Het is een plek waar fixers samenkomen om te netwerken en iedereen er een verborgen agenda op nahoudt. Dat maakt het contrast met I Spy zo vreemd. De oorspronkelijke I Spy baadde nog in sixties-paranoia, overlopers en dubbelagenten, maar deze remake speelt zich af in een compleet geopolitiek vacuüm. Misschien wel het laatste voorbeeld van leeg Amerikaans hubris na de val de Berlijnse Muur. Het vroegere schrikbeeld van de Sovjetunie werd vervangen door gadgets, stealth technologie en buddy-comedycapriolen op exotische locaties.
Budapest oogt nochtans mysterieus en gesofisticeerd in de film. Het geeft de hele onderneming een grauwe elegantie die ze eigenlijk niet verdient. De non-intrige draait rond één of andere booswicht, een drugsdealer of wapenhandelaar of zoiets, die om onduidelijke redenen een stealth bomber wil verkopen aan de hoogste bieder. Waarom precies? Geen idee. Aan wie? Ook niet duidelijk. Het is alsof de film koste wat kost wil vermijden dat iets nog ideologisch of historisch zou aanvoelen.
En dan te bedenken dat Budapest zoveel rauw, ongefilterd mysterie bezit. Zoals het appartement van Jeffrey Epstein boven stripclub Király. Bij de aankoop kreeg hij er blijkbaar een Hongaars meisje met een opvallende neus bij. Wanneer ik tegenwoordig langs het pand wandel, staat het volledig onder massieve stellingen verborgen. Rendben.
I Spy is ook echt zo’n development hell-project waarvan je voelt dat er ooit iets anders onder verborgen zat. Eerst waren Will Smith en David Caruso eraan verbonden, ergens heeft David Koepp waarschijnlijk nog een veel cynischer scriptversie geschreven,en uiteindelijk zijn het Owen Wilson en Eddie Murphy geworden, beiden spelend alsof ze contractueel verplicht zijn om aanwezig te zijn.
Wilson doet zijn gebruikelijke charmante schlemielact, met als absoluut dieptepunt een scène waarin hij bloedserieus de lyrics van Sexual Healing begint af te dreunen als een soort pedante East Coast intellectueel die net één semester culturele antropologie heeft gevolgd. Murphy daarentegen lijkt haast bang van zijn eigen schaduw. Bang om in een vicieuze cirkel van flops terecht te komen – en dan moest Pluto Nash nog verschijnen. Zijn spel voelt bijna revisionistisch, alsof hij, à la Buddy Love, met walging een roast van zijn eigen persona opvoert. Alsof hij wil dat het publiek hem net zo hard veracht als hij zichzelf haat.
Ook in Budapest is revisionisme aan de gang. De kaarten verschuiven. De NATO? Misschien van in het begin gewoon een vergissing geweest. De Sovjet-Unie had uiteindelijk noch de mankracht noch de intentie om verder Europa binnen te rollen. Men had van NATO beter een soort tech hub gemaakt in plaats van een eeuwigdurende Koude Oorlog-re-enactment. Die defensie-uitgaven, dat zijn clichés voor boomers die nog altijd denken dat geschiedenis eruitziet als Tom Clancy-romans. Over tien jaar bestaat het misschien allemaal niet meer. De zoomers zijn niet meer bezig met democratie verspreiden of een moral high ground ophouden. Wat zij willen is authenticiteit.
En precies daarom voelt I Spy nu zo doods aan. Misschien wel één van de meest artificiële consumentenproducten van zijn tijd. Je leert werkelijk niets bij. Waarom kostte dit zeventig miljoen dollar? Eigenlijk had het toen al duidelijk moeten zijn dat het Amerikaanse rijk moe begon te worden, dat elders nieuwe grootmachten opstonden, glanzender, hongeriger, cynischer. Of ik een week op een jacht in Azerbaijan wil doorbrengen? Die Kaukasusstaat valt niet te onderschatten. Ze hebben de corridors en routes strak gezet, militaire successen geboekt zonder echt precedent in deze eeuw. Hun krijgsmacht staat altijd paraat. Een land dat zichzelf blijft herhalen als overwinning. Maar toch eerst nog liever even naar de Divina Club op Dob Utca, waar de prijzenlijst tegenwoordig gewoon buiten hangt. 70.000 forint voor een glas Hongaarse schuimwijn — ach, wat is dat uiteindelijk in een mensenleven. De zigeunerdame op de kruk naast de deur knikt me begripvol toe voor ik de kelder afdaal.
In I Spy krijgt Eddie Murphy belandt Eddie Murphy met zijn crew per vergissing in de kelderverdieping van een luxehotel. Bij mijn verblijf is het net omgekeerd. Ik bevind mij in een veredelde chambre de bonne die ze als superior room aan westerse toeristen proberen te slijten. Het verkeer van Blaha Lujza gonst tot diep in de nacht de gevels omhoog. Ik raak rusteloos en ik trek erop uit.
De Népszínház utca, waar de Queens Nightclub lag. De zaak zou permanent gesloten zijn, maar vaak is dat gewoon een trucje van malafide uitbaters om slechte reviews te vermijden. De boulevard voelt unheimlich en uitgestorven aan; dit is misschien het laatste stukje onaangeroerd Budapest. Geen Stifler sportsbars of gourmet-lángos. Gewoon echte Sovjetstaat in verval: bedelaars, vrouwen met trolleys, winkels met kaas en hesp, halflege nachtwinkels, oude appartementsblokken die eruitzien alsof ze langzaam oplossen in de vochtigheid.
Ik kom aan het hoekpand van de Queens Nightclub, maar de zaak blijkt warempel echt verdwenen. Ik blijf nog even luisteren naar de stilte, wachtend op voetstappen, een meisjesstem, de duivel in een leren trench.
Wat als een wereld zou bestaan waarin schoonheid vanzelfsprekend is, elegantie een natuurlijke houding vormt en menselijk verlangen geen bron van schaamte maar van levensvreugde is? De filmografie van Blake Edwards komt wellicht het dichtst in de buurt van dit hemels ideaal.
De film waar ik het over heb is The Son of the Pink Panther. Edwards' cinema wordt vaak ten onrechte beoordeeld volgens de logica van de slapstick: hoe grappig is een valpartij? Hoe efficiënt is een gag? Maar Edwards behoort niet tot de puur mechanische traditie van de slapstick; zijn ware domein is het burleske.
Bij Edwards vertellen lichamen altijd iets over verlangen, vernedering, drift en menselijke zwakte. Mensen raken hopeloos in elkaar verstrikt — letterlijk — op een manier die tegelijk sensueel, hysterisch en vreemd teder aanvoelt. Zijn films hebben minder weg van een stand-upcomedyshow dan van een cocktailparty die langzaam ontspoort in collectieve roes. Chaos wordt bij hem choreografie.
Dat bereikt in Son of the Pink Panther een bijna ontroerende intensiteit wanneer Roberto Benigni, Claudia Cardinale en Herbert Lom verstrikt raken rond een ziekenhuisbed terwijl op de televisie Duck Soup speelt. Edwards brengt hier een laatste groet aan zijn grote meesters: de anarchistische lichamelijkheid van de Marx Brothers, de elegantie van klassieke Hollywoodfarce, de melancholie van entertainers die weten dat hun tijd voorbijgaat. Afternoon delight.
Dat er eindeloos wordt geklaagd over de casting van Roberto Benigni zegt uiteindelijk meer over de cultuur rond franchises dan over de film zelf. Rond Peter Sellers is een bijna toxische personencultus ontstaan: een soort fanboy-mentaliteit waarin “de franchise” als privébezit wordt behandeld. Hollywood heeft die reflex later alleen maar cynischer uitgebuit. Maar ironisch genoeg is Benigni juist perfect gecast binnen het universum van Edwards. Niet omdat hij Sellers imiteert, maar omdat hij een klassiek Edwards-archetype belichaamt: de romantische stoethaspel.
Dit is een man die nog bij zijn moeder woont, maar tegelijk beschikt over een grotesk barokke garçonnière vol portretten van Mozart en Voltaire, afgewisseld met beeldjes van Stan Laurel en Oliver Hardy. Een man die aarzelend Lord Byron citeert aan zijn geliefde, met hetzelfde romantische minderwaardigheidscomplex als de dichter zelf. Die stotterend maar bloedernstig verklaart dat ze ruikt naar honing en warme mango.
De helden van Edwards zijn nooit macho’s. Het zijn schlemielen, zenuwlijders, fantasten die voortdurend vernederd worden door alpha males en geopolitieke intriges die ze nauwelijks begrijpen. Maar precies door hun onbeschaamde romantiek en hun koppige heldenmoed blijken ze onweerstaanbaar — zelfs voor een Oosterse prinses uit een fictieve oliestaat die rechtstreeks uit een stripverhaal lijkt te komen. Hail Freedonia, land of the free.
Edwards omarmt in deze film volledig het artificiële avontuur: spionnen in zonnebrillen, roulette, buikdanscabarets, exotisme, jaloezie en seksuele rivaliteit. Op een bepaald moment blijven de parels van een bustier kleven aan de valse neus van Benigni — een gag die tegelijk infantiel, erotisch en surrealistisch is. Dat is Edwards ten voeten uit: lichamelijke chaos als erotische droomlogica.
De climax mondt uit in een bijna apocalyptische cabaretuitbarsting vol explosies, kanonschoten en hysterie, alsof Edwards moedwillig het budget van zijn eigen film wil opblazen. Alsof hij weigert zijn afscheid waardig of commercieel beheersbaar te maken. Er zit iets heerlijk pervers in die houding. Zelfs de productiegeschiedenis van de reeks krijgt daardoor iets tragikomisch.
Edwards was de The Pink Panther-films al jaren moe en verlangde naar persoonlijkere projecten, maar werd na elke commerciële mislukking opnieuw richting Inspecteur Clouseau geduwd. Zelfs na de dood van Peter Sellers bleef de reeks als een spook voortleven: eerst Trail of the Pink Panther, samengesteld uit archiefbeelden en dubbelgangers, daarna Curse of the Pink Panther met Ted Wass, en uiteindelijk deze film, waarin de geest van Clouseau wederopstaat als diens buitenechtelijke zoon., een rol waar zowel Rowan Atkinson als Gérard Depardieu voor bedankten.
Het wrange en tegelijk ontroerende gevolg is dat Edwards’ verhouding tot Clouseau uiteindelijk volledig begint te lijken op die van inspecteur Dreyfuss zelf. Net als Dreyfuss wordt Edwards achtervolgd door zijn eigen creatie. En daarom voelt de prestatie van Herbert Lom hier zo onverwacht aangrijpend aan. Terwijl iedereen focust op Benigni, speelt Lom eigenlijk de ware hoofdrol: een vermoeide, neurotische man die zijn kwelgeest zelfs na diens dood niet kan ontvluchten. Onder alle farce en decadentie schuilt plots iets diep melancholisch: een filmmaker die afscheid probeert te nemen van een personage dat groter geworden is dan hijzelf.
Een uitgestorven zaal 5 in UGC De Brouckère, een zonnige zaterdagnamiddag. Tijdens de eindgeneriek slaat de verwarring toe. Wat heb ik zo juist precies gekeken? Het idee leek mij te pervers en daarom onweerstaanbaar. Cocorico 2. Een onverwachte sequel op een nu al vergeten film van 2024. Een film met zo weinig plot of intrige dat het laatste halfuur bestond uit gênante sketches, alsof Clavier&Bourdon bij gebrek aan enig scenario gewoon mochten improviseren. En nu volgt dus deel twee, met nog meer genealogische onthullingen. De nakende 'bruiloft' is maar een heel doorzichtige pretext. Eigenlijk zou je eindeloos veel sketches kunnen maken op deze formule. "Ah, Clavier ontdekt dat hij eigenlijk nog voor 23%, euhmm..., Oedmoerts is!" Volgens le Parisien – één van de weinige bladen die de film bespreekt – zou de film grappiger en minder racistisch dan het eerste deel zijn. Het gaat eigenlijk zelfs niet om racisme, maar eerder om een soort boomerachtige begoocheling over het voortbestaan van de natiestaten in een pre-geglobaliseerde wereld. Clavier ontpopt zich echt als de Monoprix variant van Sacha Guitry, met eeuwige trots over LA FRANCE. Omdat je er zo lekker kunt eten. Er is zelfs een scène waar Clavier en Bourdon likkebaardend over allerlei potten en pannen lopen ruiken. HOOOO le riz de veau, bœuf bourguignon, le coq au vin, andouillette de Troyes. Geintje, hoor, zelfs een verstokte franchouillard als Clavier zal niet beweren dat die laatste lekker ruikt. Ook voor andere culturen en nationaliteiten geldt de oorsprong dan als een soort rigide harnas, waar je simpelweg niet uit kunt. Hoewel het volgens papzakken Clavier en Bourdon toch uitsluitend om voedsel lijkt te draaien. "Ahja, iemand die Brits is wil enkel gelatine pudding als dessert, dagelijks." Het gaat zelfs zo ver dat de ober in een guinguette de aanwezigheid van Schnaps op het menu moet verantwoorden door de stelling dat 'de baas uit de Elzas komt". Ja ja, in de fabeltjeswereld van Cocorico 2 kent iedereen enkel de artisanale producten uit zijn eigen streek, culturele vermenging gebeurt nooit en is des duivels. Kunnen we Clavier en Bourdon voor Cocorico 3 niet eens naar O'Tacos of Crousty Chicken sturen – dat wordt smullen!