Rendezvous auf dem Champs-Élysées,
Verlasse Paris am Morgen mit dem T-E. E.
Het zou een collabo-weekend worden om nooit te vergeten. Een Raimu retrospectieve, de verkiezing van Sarah Knafo en de triangle d'or straalt als nooit tevoren. Onbetaalbaar, onbereikbaar en toch zo herkenbaar.
Natuurlijk moeten we ons vestigen rond de Champs-Elysées voor zo'n onderneming. Het epicentrum van de Franse collaboratie. We nemen er intrek in Hotel Phoenix – een zwart-wit afbeelding van het hotel uit vervlogen tijden in de inkomhal. Een met smeedijzeren tralies versierde smalle liftkoker die gelukkig niet voorzien is voor de embonpoint van de gemiddelde Amerikaanse toerist. Eén van de laatste tweesterrenhotels met nog een authentiek tapis plein – haast een wandkleed van decennia aan herinneringen en lichaamsvochten.
WWII is gedomineerd door nerdy mannelijke obsessies: veldslagen, wapens, rangen, strategie. Veel interessanter is net de mondaine kant van de bezetting. Hoe intellectuelen, artiesten, sterren het Parijse leven voortzetten in het bijzijn van de Duitse bezetter. Precies hierover handelt Les Rayons et Les Ombres. Hoe een centrumlinkse pacifistische journalist zich voor de kar van de nazi’s liet spannen uit opportunisme en hebberigheid. Elke avond in Maxim’s kunnen gaan dineren, daarvoor is wat landverraad toch klein bier?
Het Raimu retrospectieve gaat door in de cinema Mac-Mahon – ook een berucht oord. Het was de uitvalsbasis van de ‘mac-mahoniens’ – cinefielen die te rechts werden geacht voor Cahiers. In hun gevoel voor esthetiek, verering van de Klassieke Oudheid en resoluut afwijzen van elke vorm van moderniteit – zou je met wat slechte wil inderdaad een geüpdate versie van de nazi’s hun concept van Kulturbolschewismus kunnen zien. Vandaag is de Mac-Mahon in handen van Vincent Bolloré, de mediamagnaat achter CNews die Sarah Knafo naar het burgemeesterschap wil stuwen. Of minstens naar de tweede ronde.
Paris: une ville heureuse. Une ville heureuse, une ville occupée?
Veel Parijzenaars waren inderdaad gelukkig tijdens de bezetting. “We zijn dan misschien bezet, maar ik heb mezelf nog nooit zo vrij gevoeld,” verkondigt Corinne Luchaire op een gegeven moment in Les Rayons et Les Ombres, terwijl ze een biseksueel trio met een cabaretière en een bandiet aangaat. Corinne Luchaire – de dochter van hoofdpersonage Jean – was een jonge Franse starlet die van een bevoorrecht luxeleventje genoot tijdens de bezetting. Bij de bevrijding is het zulke vrouwen niet goed afgegaan, dan werden ze kaalgeschoren, gebrandmerkt en voor ‘moffenhoer’ uitgemaakt. “On n’a pas libéré la France pour ça.” zegt een Franse soldaat wanneer hij ziet hoe een bende dronken verzetsstrijders Corinne vernedert.
Auteur Patrick Modiano noemde Corinne Luchaire “ma petite soeur”. Modiano heeft zelf aan levende lijven de ambivalentie van de Duitse bezetting meegemaakt. Zoon van een Joodse sjacheraar en de Antwerpse starlet Louisa Colpeyn – die meespeelde in enkele collaboratieclassics van Jan Vanderheyden en Edith Kiel en uiteindelijk wilde doorbreken in Continental Films, maar slechts werk vond als doublage artiest.
Ha, la Continental…
De Franse filmmaatschappij die onder strikte controle stond van de Gestapo. In tegenstelling tot wat je zou verwachten, maakte Continental geen nazipropaganda. Er werd overigens maar één Franse nazipropaganda gemaakt en dat is het 29 minuten durende Les Corrupteurs van Pierre Ramelot dat ik ooit eens op een ander collabo-weekend in de Cinematheque van Lisboa zag. Eén van de actrices in Les Corrupteurs was Hélène ‘Ellen’ Navachine – over wie Modiano ook heel vaak geschreven heeft, en stuitte zo op de herinnering van Joods auteur Serge Rezvani. Hélène was zijn eerste kalverliefde als adolescent en hij was verbolgen, maar ook nieuwsgierig en bezorgd dat ze tijdens de oorlog op één of andere manier in de greep van het kwaad is geraakt, zich verloren heeft in mondaine decadentie en na de oorlog, zoals zoveel collaborateurs, zonder enig spoor verdwenen is. De dubbelzinnige romantiek van de collaboratie.
Ook Raimu – één van de grootste Franse vedettes destijds – deelde wel het bed van la Continental. Was dat om dagelijks te kunnen gaan dineren bij Fouquet’s op de Champs Elysées? Raimu draaide voornamelijk Les Inconnus dans la Maison, een behoorlijk antisemitische Simenon verfilming die volgens de grootste Belg jammerlijk niet trouw het virulente antisemitisme van de roman zelf vertaald heeft. Terwijl het booswicht in het boek ‘Ephraïm Luska’, heeft Henri Decoin dat in de film afgezwakt tot ‘Justin’. Desondanks ontsteekt Raimu in het slotpleidooi wel in een ultra-petainistische rant waarbij het de kwalijke invloed van cafés aankaart en jongeren aanmoedigt om collectief aan sport te doen. Na Les Inconnus dans la Maison heeft Raimu echter blijkbaar de banden met Continental en Alfred Greven verbroken. Tijdens de rest van de oorlog draaide hij met Franse maatschappijen, in films die ook in het retrospectieve te zien waren: l’Arlésienne, le Bienfaiteur, Untel Père Untel Fils en Monsieur la Souris. De films tijdens de bezetting waren vaak escapistisch voer, romantische komedies, kostuumdrama’s. Enkel in Untel Père Untel Fils merken we wel een wat wrang gevoel van Frans patriottisme en een hoop voor wederopstanding.
Na de vertoning dwaal ik rond op de Avenue Mac-Mahon. Alle avenues rond de Champs-Elysées hebben militaristische namen, hen opsommen klinkt bijna als een oorlogstrompet. Avenue de le Grande Armée, Avenue Wagram, Avenue de Friedland, Avenue Carnot. Om allemaal austère en strak evenwijdig neer te komen op Place d’Etoile – een Davidster?
Eigenlijk is er niet veel veranderd in de buurt sinds de bevrijding. Destijds vermaakten de Duitse officieren zich met kaviaar, oesters en champagne in Parijse cancan-cabarets, maar dit vertier heeft ondertussen plaats gemaakt voor andere vormen van collaboratie. Neem nu de Rue du Ponthieu – al sinds jaar en dag een oord van verderf. Tijdens de oorlog baatte Continental vedette Ginette Leclerc er de Baccara Club uit – een cabaret geliefd bij de Gestapo. Na de oorlog was de buurt jarenlang in handen van de Corsicaanse maffia die er schimmige afzuipkroegen en gokkantoren hielden. Vandaag zijn er dure lounges en after hours bars waar voetballers en drugsdealers met geld komen smijten en ‘promotors’ gezelschapsdames aanbieden – eufemistisch verscholen vormen van prostitutie. In Café Zaman werden in 2012 nog minderjarige hoertjes aan topvoetballers zoals Evra en Benzema verpatst. “Vivre, c'est se compromettre” zou Jean Luchaire zeggen Ondertussen is half de buurt al opgekocht door de Qatari en de Saudi’s. Na de overwinning van Paris-Saint-Germain in de Champions League staken afgezakte banlieuejongeren de Arc de Triomphe nog in brand. Paris: sponsored by Qatar.
Ik begeef mij naar de Rue d’Artois – een straat die mij een toeristische brochure aanbevolen voor Belgen werd. In het jaar 2000 werd de beruchte pooier ‘Francis le Belge’ er immers neergekogeld toen hij een PMU wandelde. Afspraak in de G-Spot Club. Naar goede gewoonte deel ik een madeleine uit aan de vestiairedame. Cranberry juice à vingt balles, au zinc. Het is een soort mistroostige lounge waar de jaren 2000 rnb altijd veel te stil staat. De Siciliaanse uitbater paradeert er rond met de bravoure van een potentaat.
“Qu’est-ce qui ne va pas, choupinette?”
“Cache ton sac, il est trop moche.”
Hier proberen de meisjes het klandizie van timide Franse intello’s te charmeren met hun liefde voor Wong Kar Wai. Ik neem een ‘danse royale’ met een zeer jong uitziend Oekraïens meisje. Of ik haar een fooi in cash kan geven? Daarvoor zal ik mijn leven moeten riskeren bij de dichtstbijzijnde ATM aan Rue du Ponthieu – waar tegen dit uur gefrustreerde cokeheads de straten onveilig maken. Op straat stopt er plots een BMW naast mij, Magherbijnse vrouw aan het stuur.
“Tu veux faire la fête avec moi ? Vas-y, monte.”
Les Rayons et Les Ombres gaat over de tongen bij de Parijzenaars. Met zijn budget van 30 miljoen is het één van de duurste Franse films aller tijden. In de Mac-Mahon ben ik omringd door Parijzenaars die oud genoeg zijn om de bezetting nog te hebben meegemaakt. Ce drôle de guerre. Misschien was er gewoon wat tijd nodig voordat de Parijzenaars in het reine konden komen met hun collaboratieverleden.
Het filmdoek valt, het fluwelen gordijntje sluit. Ondertussen zit Camilla op mijn schoot in de krapste VIP-kamer van de drie. Ze glijdt sensueel over mij heen, terwijl ze zachte neuriegeluidjes maakt. “En dan heb ik mijn string zelfs nog niet uitgedaan.” fluistert ze. Maar ik ben in beslag genomen door het troebel raampje naast mij – waar de afdruk van een gigantische spin op staat. Ik zie enkel flikkeringen van neon en glazen.
5u30, de wandeltocht terug naar Hotel Phoenix. ’s Nachts door Parijs lopen heeft iets rustgevend, bijna contemplatief. Het is dat spaarzame uur dat het openbare leven echt leven stilvalt. In sommige brasseries brandt er nog een discreet lampje achter de gesloten gordijnen, de kassa wordt opgeborgen. In andere worden de terrasstoelen dan weer net opengebroken voor de ochtendshift.
De rode gloed van een nog geopende bar. Het ziet er een soort shisha uit. ‘Café de l’Étoile’. Tegen de gevel staat een potige kerel. ‘Mr. Ben’. Hij kent nog wel een bar met wat meisjes. “Comme le G-Spot, mais moins timide.” Plots stormt een vrouw de zaak buiten. Het is de chauffeur van de BMW van eerder op de avond. “Ah! Maar wij hebben elkaar daarnet gezien? Viens boire un verre, il n’y a que moi.”
De volgende dag heb ik een afspraak met een Franse starlet in café George V voor een lichte lunch. Croque-Monsieur aan 24 euro. Het voelt als collaboratie, alleen weet ik niet met wie. Ik help haar met juridische hand-en-spandiensten voor de oprichting van een vennootschap met micro-kapitaal voor haar productiemaatschappij. ‘Rosebud Cinematographic Pictures.’ Klinkt als een witwasoperatie en dat is het waarschijnlijk ook.
“In welke domeinen van het recht wordt er het meest fraude gepleegd?” Het is een leergierig meisje.
“Laten we nog maar een dessert bestellen.” stel ik voor. “De baba-au-rhum is hier uitmuntend.”
Rendez-vous à 15h au Pathé Palace. De avant-première in het bijzijn van Xavier Giannoli, Jean Durjardin en Nastya Golubeva Carax – de dochter van Leos Carax en de Oekraïnse actrice Yekaterina Golubeva die in mysterieuze omstandigheden om hen leven kwam.
Na de meer dan drie uur durende vertoning is het tijd voor een Q&A. In Parijs is dat niet gewoon wat complimentjes rondstrooien, maar vaak een arena van bitse discussies.
“Ik kon me niet herkennen in deze personages.” zegt een blonde boomeuse die eruit ziet alsof ze in het 16de arrondissement woont en op Rachida Dati stemt.
“De film toont teveel sympathie voor hen. Ik kan me gewoon niet inleven in zulke mensen.” dramt ze verder.
Regisseur Giannoli haalt aan dat kunst erin bestaat om empathie te tonen met moreel dubieuze figuren. De film wil gewoon tonen hoe het was, zonder te willen ophemelen, maar ook zonder te veroordelen.
Dujardin begint zich ook te moeien en maakt enkele kwinkslagen. Nastya is aan het knikkebollen, legt haar hoofd schuin op haar stoel – alsof ze uit traumaverwerking heeft geleerd om de wereld even uit te sluiten. Er stijgt een geroezemoes op van in de zaal – het gebekvecht wordt oorverdovend.
“Ja! Laakbare personen zijn nu eenmaal veel interessanter, eindeloos fascinerend zelfs!” vergaloppeert Giannoli zich.
Plots wordt het muisstil in de zaal. Op de Boulevard des Capucins is de avond ondertussen gevallen, de buurt plooit rustig terug in een ongewone zondagsluwte.
Op de Thalys terug consulteer ik de verkiezingsuitslagen in de Figaro. Sarah Knafo haalt 10,1 procent van de stemmen, net een percentiel genoeg om niet gediskwalificeerd te worden. Het hele noordwesten van Parijs heeft rechts tot uiterst rechts gestemd. Étoile kleur donkerbruin, Knafo gaat naar de tweede ronde.
“Je vous parle d’un temps que les moins de vingt ans ne peuvent pas connaître”: de jaren zestig.
Niet die van bloemen in het haar, maar van scheuren in het beton.
Met Liberty Belle maakte Pascal Kané een uitzonderlijk persoonlijk tijdsdocument over een periode die zelden zo is verfilmd in de Franse cinema. De jaren zestig worden steevast herleid tot beatniks, hippies en — natuurlijk — het vermaledijde mei ’68, dat achteraf tot Parigi Anno Zero werd uitgeroepen: tabula rasa, alles ervoor verdacht, alles erna noodzakelijk. Maar de echte aardverschuiving voltrok zich eerder, rond 1960, toen de Franse cultuur — en vooral de cinefilie — van binnenuit werd herschikt.
Cultuur, althans, is niet het juiste woord voor het personage van Gilles. Schoonheid komt dichterbij. Een gevaarlijke, reactionaire, maar onweerstaanbare schoonheid.
Kané kijkt onmiskenbaar subjectief terug. Wie zijn eigen éducation sentimentale verfilmt, verheft haar onvermijdelijk tot kosmos. Vingt ans en soixante: exact de leeftijd die Kané zelf had. Zijn alter ego Julien — gespeeld door Jérôme Zucca — is een weemoedige jongeman die net zijn vader verloor en zijn hypokhâgne begint in Parijs. De klas is verdeeld over Algerije; Julien niet. Hij zwerft, gehuld in een iets te grote visgraatjas waar zijn handen nauwelijks onderuit komen. Hij sluit zich aan bij de communistische jongeren, zonder overtuiging. Liever slijt hij zijn dagen bij de Liberty Belle-flipperkast of in het kielzog van meisjes — vooral Elise, de volkse serveuse.
Gaandeweg raakt Julien in de ban van Gilles: arendsblik, marmeren kaaklijn, rode cabriolet, dezelfde elegante doodsdrift als Roger Nimier. Gilles zou zonder aarzelen elke Antonioni en Bergman inruilen voor “un plan de Raoul Walsh”. Hij belichaamt de mac-mahonien-splinterbeweging, die zich afkeerde van de hitchco-hawksiens van Cahiers du Cinéma en haar carré d’as vond in Walsh, Losey, Preminger en Lang. Zelfs zijn clandestiene pokerclub draagt die naam.
Wanneer Julien verstrikt raakt in een politieke intrige, weigert Kané dit als activisme te filmen. Het engagement is geen overtuiging maar een jeugdig paroxysme: de adolescente drift om voortvluchtig te zijn. Vluchten met je geliefde richting Zwitserse grens. Onderduiken in een smoezelig hôtel de passe. De laatste trein missen om opnieuw in elkaars armen te vallen op het perron. Politiek als alibi voor erotiek — en geef hem eens ongelijk.
Kwatongen beweren dat Zucca zonder brio speelt: zijn gestes niet eloquent, zijn tekst lijzig. Ze missen dat zijn spel een expliciete hommage is aan Gary Cooper in Sergeant York: die aarzelende traagheid waarin existentiële twijfel uiteindelijk helderheid wordt. Ook een jonge André Dussollier duikt op — al is hij hier al mentorfiguur, zo oud dat hij zelfs in een film uit 1983 over 1960 geen leeftijdsgenoot meer kan spelen.
Want Liberty Belle is meer dan nostalgie. De film staat in symbiose met 1983. De desillusie van de personages vermengt zich met de leegte van het heden. Auteurs waren verdwenen. Jean Eustache had twee jaar eerder zelfmoord gepleegd. Een jaar later zou Le Père Noël est une ordure het grootste Franse kassucces ooit worden. Wat restte, waren post-post-Nouvelle-Vague-figuren — Luc Béraud, Pascal Bonitzer — die in de marge broddelden, vaak bevolkt door personages met een romantisch-suïcidale drift à la Patrick Dewaere.
De film eindigt met een genadeloze spiegeling. Julien en Gilles ontmoeten elkaar jaren later bij een vertoning van Pierrot le Fou.
“C’est du Nicholas Ray avec de la culture en plus."
Wat zij op hun twintigste visceraal beleefden — erotiek, politieke terreur, banditisme — is nu voor eeuwig gereduceerd tot een nerdy intellectuele pose.