• 15.735 nieuwsartikelen
  • 177.886 films
  • 12.199 series
  • 33.965 seizoenen
  • 646.802 acteurs
  • 198.946 gebruikers
  • 9.369.636 stemmen
Avatar
 

Meningen

Hier kun je zien welke berichten yeyo als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Rainy Day in New York, A (2019)

Hoewel het politiek correct spreekkoren ons zou doen geloven dat Allen een heel nare misogynist is, is het toch opmerkelijk dat verboden film Rainy Day in New York twee van de sterkste vrouwenrollen van het jaar bevat. Elle Fanning had zeker een Oscarnominatie verdiend, haar kirrend enthousiasme en tomeloze energie zijn van een ongekende screwball klasse. Ook Gomez is verrassend getalenteerd: een goed decennium geleden zou zo'n charmante starlet natuurlijk een heel resem rom com vehikels lanceren, maar dat brengt anno nu natuurlijk niet meer op. Qua mannenrollen valt het wat tegen. Ik vond Timothée Chalamet beduidend minder ergerlijk dan zijn naam en reputatie (LGBT twitter 'fan girls') doen vermoeden en de voorliefde van zijn personage voor 'Old New York' is wel enigszins aanstekelijk, toch blijft hij maar een slap uitgewerkt cliché. Bij momenten laat Allen ook echt steken vallen in de karakterisering van zijn alter-ego, de scene met de hoer en de bekentenis van de moeder kunnen op papier misschien erg geinig klinken, maar zijn lui en ongeïnspireerd voorgesteld. Mijn favoriete scene is dan ook die waar de nauwelijks bedreigende bullebak (de schrik van de Joodse eliteschool in upstate New York) die arrogante Chalamet heel eloquent op zijn plaats zet ("you milquetoast nerd!!!"). Al bij al aangenaam vermaak dus. Ook al is het een weinig flatterende endorsement die op niemand indruk zal maken, vond ik dit zelfs de beste Allen sinds Magic in the Moonlight. Als daad van verzet zag ik 'm zelfs tweemaal, waarvan één keer tijdens een vlucht tussen Rio de Janeiro en Zürich. Hou me maar eens tegen, goegemeente!

Raison d'État, La (1978)

Alternatieve titel: Ragione di Stato

Brussel, de Jacqmainlaan. Ooit het epicentrum van het Brussels banditisme, vandaag een desolate laan met anonieme gevels van kantoorgebouwen. "Nochtans werd de Bende van Nijvel hier bedacht!" roep ik naar een paar stamgasten van café Le Boulevard, op de hoek met de Circusstraat, die me vreemd bekijken. Hier zal ik niet vinden wat ik zoek. Nee, dan is de cinema een geschikter doekje tegen het bloeden. Vooral dan deze La Raison d'Etat van André Cayatte, een film die haast gemaakt lijkt om mijn fascinatie naar de loden jaren te stillen. Een tijdperk van voortdurende opwinding, met afrekeningen, liquidaties, verraad, explosies, elitaire privéclubs, verering van het occulte, orgieën, decadentie, totale normvervaging en vertakkingen met alle maatschappelijke echelons - vooral de onderwereld. Vanaf de openingsscène is het meteen raak: lugubere percussiegeluiden begeleiden een politieke meeting, waar één of andere gluiperd geprezen wordt door legerofficiers. Het ziet er zowaar een tafereel van het Franco regime uit. Vervolgens worden we meegezogen in een sfeer van uitmuntende late jaren '70 paranoïa, een sfeer van complotisme en Gladio netwerken, die de indruk wekt dat duistere krachten samenwerken om het geo-politiek wereldtoneel één van moord en verderf te maken. Onze compagnon de route is het personage van Jean Yanne, een onberispelijk geklede hogere ambtenaar van defensie, die een zeker plezier lijkt te scheppen uit manipulatie, intimidatie en handel met schurkenstaten. Het is inderdaad aanlokkelijk om een vinger in de pap te hebben in één of andere bananenrepubliek - je weet maar nooit of dit van pas kan komen. Wanneer pleegt een westerling nog eens een staatsgreep in een Afrikaans land? Wie is de Bob Denard van deze generatie? Wanneer emigreert er nog eens een extreem-rechtse terrorist naar Paraguay? Dat men voor dergelijk machiavelisme ook een zekere sensibiliteit moet hebben, blijkt uit het gevoel voor het theatrale van het personage van Yanne. De mise en scène van elk evenement lijkt essentieel, van wilde achtervolgingen door de straten van Rome tot een georchestreerde aanval van de CIA aan Boulevard Saint-Michel, om per Boeing het land te ontvluchten. "Vanavond doe je je inkopen op Broadway". Het is zowaar een gevoelige ziel, een artiest. Op sommigen zal dit heerschap als een cynicus overkomen, als een prince of darkness misschien zelfs, want hij straalt inderdaad iets diabolisch uit. Maar zo zagen politici er in de jaren '70 nu eenmaal uit. Consulteer de archiefbeelden er maar op. Noem me een nostalgicus, maar ergens heb ik heimwee naar dit tijdperk. Iedere weldenkende mens zal toch verkiezen om geregeerd te worden door dit soort lieden? De tragedie van hedendaagse westerse overheden is dat niet alle regeringsleden eruit zien zoals deze in La Raison d'Etat: een sinistere groep van blanke mannen van middelbare leeftijd, met een wat schimmig en decadent voorkomen, alsof ze hun fortuin vergaarden met één of andere conservenfabriek. Kwatongen zullen beweren dat ze net maffiafiguren lijken, maar dat is gewoon omdat ze zo elegant gekleed zijn. Donker driedelig pak, zwarte schoenen, zwarte overjas. Een kanjer van een stropdas. Wat is er ooit gebeurd met de regel 'no brown in town' of 'no brown after six'? Onze huidige staatsmannen zien er meer uit als immobiliën makelaars, met hun ordinaire licht blauwe pakken en cognackleurige schoenen. Misschien moet Theo Francken maar Minister van Defensie worden, dat is nog wel iemand met neo-Vanden Boeynants potentieel om ons uit deze onooglijke impasse te halen. Dan mag hij zijn bruine brogues wel inruilen voor een paar pikzwarte Church's oxfords.

Rebel High (1987)

Koortsdromen van een (Canadese) expeditie, part one

De YouTube versie van Rebel High ziet er beroerd uit: de openingsscènes lijken op afgewassen videobeelden van Britse feuilletons uit de jaren ’70 en noopten me ei zo na op zo een verleidelijk kadertje in de rechterbalk te klikken, op ‘Computer Beach Party’ bijvoorbeeld (die is voor volgende week!). Jedoch, wanneer een waardeloze Richard Nixon imitator de voice-over verschaft, voelen we ons toch verplicht dit door een collectief van Canadese stand-up comedians ingeblikte broddelwerkje een eerlijke kans te geven. Een meesterwerk à la Screwballs of Oddballs heb ik er helaas niet in kunnen ontwaren, maar toch is Rebel High een tienerfilm naar mijn hart: eentje vol kolder en vernielzucht. De jeugdige anarchie van Zéro de Conduite wordt gedistilleerd naar de moderne context van een door bendes geteisterde high school, een setting die de indruk zou kunnen wekken dat Rebel High (zoals bijvoorbeeld Class of 1984) wil inspelen op de Reaganeske angst dat multiculturele punkers ooit de macht zullen grijpen. Het vervallen college dient echter niet als een eng toekomstbeeld van een apocalyptisch niemandsland, maar als een wrange evocatie van de paradox van de middelbare school, zowel een plek van absolute vergankelijkheid als een eindeloze realiteit. De proclamatie mag een definitief slotstuk lijken, toch is er een leerling die naar verluidt al zeven keer dubbelde. Heel de film lang zien we dit goedlachs, pafferig latino jongentje ronddwalen door een in puin liggende school waar de vele herkenningspunten van de lockers, de refter en de sportvelden (letterlijk) gedegradeerd zijn tot vervaagde artefacten. De rudimentair uitgewerkte scènes lijken troebele herinneringen, alsof de protagonist melancholisch mijmert en zichzelf steeds opnieuw dwingt om in gedachten die eindeloze gangpaden van zijn schoolverleden door te gaan, wanhopig zoekend naar een antwoord op de vraag: waarom is het nooit iets geworden met dat ene meisje?

Recruits (1986)

Koortsdromen van een (Canadese) expeditie: Assignment Wasaga Beach

De grijpgrage schooljongens uit Zielinski’s Screwballs zijn inmiddels volwassenen geworden en uitgegroeid tot volwaardige zedendelinquenten. Ze ontmoeten elkaar tijdens een dagje brommen, waar een machtswellustige commissaris besluit om hen (samen met willekeurig van straat geplukt schorem) op te leiden tot agenten in de hoop de burgermeester ten schade te brengen tijdens het nakend bezoek van de gouverneur. Ziehier alvast een gigantische kemel in de Moviemeter plotomschrijving, waardoor mijn voorgevoel bevestigd wordt: men is er op uit om deze film bij voorbaat af te schrijven als een ordinaire Police Academy rip-off, terwijl Recruits juist geënt is op een rijke traditie van recalcitrante Canadese humor en dus eerder een ordinaire Meatballs rip-off zou moeten genoemd worden (een beetje parate kennis van Canadese pulpcinema is ver zoek, zie ik). Natuurlijk worden er heel wat elementen van PA ontleend (het hele ‘driftkikker instructeur vs. mallotige kadetten’ paradigma bijvoorbeeld), maar het trainingskamp-aspect verdwijnt al gauw naar de achtergrond en Recruits lijkt eerder een virtuele wandeling langs de schappen van de videotheek van weleer: zo passeren onder andere psychopathische motorbendes, beachvolleybaltornooien, Arische metalgoden (gespeeld door Canada’s eigenste Jon Mikl Thor die jullie kennen van Rock N Roll Nightmare), interraciale buddy comedy capriolen en handgemeen in aftandse baancafés (een Canadese idée fixe sinds Porky’s) de revue.

De scène waar de aanslag op Kennedy wordt gepersifleerd met behulp van een Middeleeuws kanon zegt eigenlijk genoeg: Recruits is puur canuck comedy goud. Verwijzend naar zowel anarchistische meesters (Animal House, Rock n Roll High School) als klassieke humor (één van de motor psycho’s is een schuimbekkende versie van Curly Howard) en alle valkuien van de moderniteit ontwijkend: eind jaren ’80 was een keerpunt in het genre, toen begon sentiment terrein te winnen ten koste van zoete rebellie. Recruits daarentegen is fratboy humor zoals het hoort: geen ‘round characters’, maar karikaturale typetjes (nerds zijn bijvoorbeeld nog akelige wereldvreemde mannetjes in plaats van babbelzieke hipsters) die absoluut geen ontwikkeling doormaken of een wijze les opdoen. Het enige dat deze olijke bende bijleert, is dat ze elk een verborgen kracht hebben die kan helpen bij misdaadbestrijding (ook weer heel 80s: de underdog die in zichzelf gelooft): de nerd gebruikt zijn zachtaardigheid, de zwarte speelt lokaas voor gefrustreerde rednecks en de vrouwen laten allemaal hun tietjes zien.

Repulsion (1965)

Repulsion begint met een Bunueliaanse close-up op een oog, waarna de camera langzaamaan uitzoomt en we de jonge Carol haast als in een freeze frame zien staan. Die complete apathie en blik op oneindig, vat de meteen gehele sfeer van de film perfect samen. Langs de andere kant, eender welke still van de film zal dit effect oproepen. Een verdienste die slechts voor een handvol meesterwerken weggelegd is.

Wat volgt is een bevreemdende tocht door de hersenspinsels van een schizofreen meisje. Carol, een ongelofelijk intrigerend personage, is een verlegen muurbloempje dat zich enerzijds erg infantiel gedraagt, maar door haar complete argeloosheid en onschuld als seksobject overkomt. Ze lijkt zich niet eens bewust van haar eigen seksualiteit of van de gevolgen die het kan teweegbrengen. Daar is de scène met de huisbaas, wanneer ze niet eens de moeite doet om zich aan te kleden of de man fatsoenlijk te woord te staan, toonbeeld van.

Haar psychologische problemen gaan echter veel dieper: Carol is misschien wel geïnteresseerd in mannen, maar op een zeer afstandelijke, bijna onmenselijke manier. Tegelijkertijd is ze door elke vorm van aanraking en contact gedegouteerd. We zien hoe haar toestand steeds verslechtert: paranoia, waanvoorstellingen en uiteindelijk moord. Omdat de film haast uitsluitend in subjectief standpunt verteld is, worden we als kijker volledig meegetrokken in de bizarre leefwereld van Carol.

De ongemakkelijkheid van haar sociaal bestaan wordt erg vakkundig in de verf gezet door de cinematografie. Het camerawerk bestaat uit erg dichte close-ups, vaak met een wide angle lens gefilmd, waardoor het gelaat van Carol er bij momenten vervormd en erg getroebleerd uitziet.

Catherine Deneuve was de geknipte actrice voor deze rol en een groot deel van mijn bewondering voor de film heeft te maken met haar aanwezigheid. Niet zozeer haar acteerprestatie, die overigens prima is, maar vooral haar uitstraling vind ik interessant: engelachtig, enigmatisch en felblond haar dat een eigenzinnig contrast vormt met de duisternis en het sfeervolle schaduwgebruik in de vele interior-shots.

Ook de omgeving speelt een sleutelrol in de toenemende waanzin. Polanski gebruikt surrealistische trucjes zoals plots verschijnende barsten, verrot voedsel en zelfs handen die door de muur komen à la Cocteau. Het belangrijkste sfeerelement is echter het appartement zelf, dat haast een entiteit op zich wordt. De set is uitermate gedetailleerd, met zelfs een plafond, wat veel lage shots als gevolg heeft. Ook ligt de nadruk vaak op de meest troosteloze details: flets behangpapier, versleten meubilair.. We zien hoe Carol zich letterlijk afsluit van de buitenwereld door haar kamer te barricaderen en elke ‘indringer’ te lijf te gaan. Maar zelfs haar vertrouwde omgeving begint ze na een tijd als een gevaar te zien. Het appartement lijkt andere vormen aan te nemen en wordt wijder (wederom wide angle lens perspectief), wat een zeer claustrofobisch gevoel teweegbrengt.

Qua opbouw weet Polanski een soort bedriegelijke sereniteit op te roepen door fade-outs, subtiele match cuts en natuurlijk ook gewoon door de lethargie van het hoofdpersonage. De plotse schrikmomenten komen dan ook als een klap aan en dit effect wordt bijgestaan door de experimentele jazz soundtrack van Chico Hamilton: het ene moment klinkt het zeer gemoedelijk, maar dan barst het onheil los.

Als ik één favoriete film zou moeten noemen, zou het waarschijnlijk Repulsion zijn. De film heeft een onverklaarbare aantrekkingskracht op mij, vergelijkbaar met de manier waarop Colin is aangetrokken tot Carol.

Ik vind het trouwens erg spijtig dat de toestand van het hoofdpersonage weer maar eens toegeschreven moet worden aan 'seksueel misbruik'. Dat wordt namelijk nergens gesuggereerd, maar lijkt een modeverschijnsel te zijn in films over psychologische stoornissen.

Return of Frank James, The (1940)

Ja hoor, eentje uit de Zanuck-stal, dus verwacht je maar aan statische indoorscènes waar Zanuck's acteervee braafjes de plot uitkauwt met af en toe eens een lekker belegen wisecrack ertussen (Frank James vertrekt met een geladen pistool naar de stad, "begin die overlijdensberichten al maar te typen!!!"), romantische shots van main street's bruisende stadsleven (met een gigantisch bord DENVER erbij, hoe moesten we anders raden wat dit kitscherig studiodorp moet voorstellen?) en een vreselijk schmierende Gene Tierney met één of ander mislukt Eastcoast accent. En toch, onder deze dikke laag van Hollywoodstroop ligt de ziel van Fritz Lang verborgen. Ze zit in de verbeten blik van Henry Fonda, Frank James, een outlaw op de vlucht die zich verschuilt in het bos als opgejaagd wild. Lang heeft een diepe sympathie voor zijn outcasts, mannen die misschien wat bedenkelijk handelen, maar slachtoffer worden van de macht, corruptie en hebberigheid van het establishment, en vooral hun mogelijkheid om de massa te manipuleren (zie 'M', een film die in tijden van Benno L hysterie een belangrijk toonbeeld van humanisme kan zijn). Zeer eigenaardig dat men hier Fonda's personage vergelijkt met dat uit Once Upon a Time in the West (ze heten allebei 'Frank'?) aangezien Frank James juist moet opboksen tegen het systeem (in deze film, toevallig genoeg, de corrupte Railroad Company) en er geen verpersoonlijking van is. Nop, het is gewoon weer vintage Fonda, de man die al zo vaak ten onrechte beschuldigd werd (You Only Live Once, The Wrong Man), maar zijn lot steeds met een ongekende nobelheid ondergaat en kan relativeren met gezond boerenverstand ("just brought up to right my own wrongs"). Zijn grootste verbolgenheid uit hij door plechtig recht te staan in een theaterzaal, met dezelfde waardigheid die Abraham Lincoln (niet toevallig ook eens vertolkt door Fonda) moet getoond hebben toen hij die trieste avond recht stond in Ford Theater. The Return of Frank James is immers ook een film doordrenkt van post-civil war politiek. Dit wordt duidelijk naar het einde van de film, wanneer het westernaspect plots wordt omgeruild voor een rechtbankdrama opgevat als Vaudeville Theater waar Frank James wordt verdedigd door "no fancy big city lawyer' die inspeelt op de Johnny Reb sympathieën van de rechter en brandhout maakt van zijn verwaande Ivy League confrater. Dit soort capriolen werkt erg goed in sommige John Ford films (Young Mr Lincoln, The Sun Shines Bright), maar voelt hier inderdaad misplaatst. Ouwe Lang heeft gelukkig nog één verrassing in petto: de spannende showdown tussen Frank James en Robert Ford, een scène waar we normaal dynamiek bij zouden verwachten, is het meest serene moment van de film. Geen aanzwellende muziek, geen regen van kogels, maar een prachtig als een Chinees poppentheater gefilmd schaduwballet in een gothische schuur. Een moment van zoete vergelding dat elke glorie ontbeert. Wat blijft er immers nog over van revolverheld Frank James? Niet meer dan een legende, een fabeltje geschikt voor een koddig volkstoneel zoals we in de film te zien krijgen. Voor Zanuck is het de zoveelste happy end, maar misschien is die vervaagde WANTED poster op het eind juist een beetje tragisch?

Richard Jewell (2019)

Wat een genot, wat een plezier, om te zien hoe verguisde ijzervreter Clint Eastwood komt aanzetten met één van de meest empathische films van het jaar. Hoewel pafferige Jewell met zijn onbeholpen capriolen ipso facto op de lachspieren van de kijker zal werken, siert het Eastwood dat hij de man in zijn waarde laat. De 'progressieve' garde (ik denk aan Academy-lievelingen als Adam McKay en Craig Gillepsie) had zich sowieso niet kunnen bedwingen om deze potsierlijke vetberg in allerlei Wayans broers achtige taferelen te vernederen. Ik denk niet dat ik post-Psycho een al een film zag waar de moeder-zoon relatie van een 'mamaskindje' niet als iets toxisch en problematisch wordt voorgesteld. Integendeel, de liefde tussen Richard en zijn moeder Bobbi is hartverwarmend. Het blijkt ook van een ongeziene kwade trouw om dan te komen beweren dat de uitbeelding van de journaliste door Olivia Wilde 'sekstisch' of 'misogyn' zou zijn. Zij die komen beweren dat het personage 'slaapt met haar bronnen voor informatie', zagen de film met een bekrompen tunnelvisie en zijn niet in staat om de dubbelzinnigheid van een situatie te vatten. De personages van Wilde en Hammer zitten duidelijk verwikkeld in een soort machtsspel, iets wat we vaker zien in films van Eastwood: een alpha male en een verleidelijke sirene, gevangen in een door whisky gestuwde sadomasochistische verhouding. Niet voor niets zien we hun interactie louter aan een bartoog, bij Eastwood steeds een plek waar Eros en Thanatos elkaar ontmoeten. Kortom, die twee wouden gewoon neuken. Ten tweede fungeert de toxische lust van deze Chad & Stacy übermenschen ook als een schrijnend contrast met 33-jarige maagd Jewell ('the fat fuck lives with his mother!!!'). In een klimaat waar er met paranoïde argwaan wordt gekeken naar blanke, mannelijke, celibataire eenzaten (zie de lastercampagne naar aanleiding van de film Joker), mag het opmerkelijk heten dat uitgerekend super stud Eastwood zich kan inleven in dergelijke kneusjes.

Rien à Foutre (2021)

Alternatieve titel: Zero Fucks Given

'Rien à Foutre' of 'Zero Fucks Given'. Wat een uitstekende titelvertaling voor een keer. De film kwam op mijn radar tijdens een Cinevox spotje. Cinevox was een initiatief van korte duur waarbij men vaderlandse cinema trachtte te promoten. Een opkomende Belgische regisseur of acteur kon tijdens een ontspannen gesprek zijn nieuwe film promoten en ondertussen enkele 'cinefiele' vraagjes beantwoorden over hun favoriete cinema. In één van de spotjes zien we Mara Taquin, co-ster van Rien à Foutre. Uiteraard geeft ze de Cinevox ploeg afspraak in Brasserie Verschueren, zoals het een goede parvis-bobo betaamt. Tijdens het interview momentje geeft mevr. Taquin een paar vreemde antwoorden. De film die haar het meest doet lachen is blijkbaar 'RRRrrr' (2004). De film die haar het meest schrik aanjaagt is dan weer Lord of the Rings, omdat ze erg bang zou zijn van Gollum. Het fragment van Rien à Foutre dat we in het Cinevox spotje te zien krijgen, doet ook de wenkbrauwen fronsen. We zien Taquin, Exarchopoulos en een derde actrice slalommen over straat terwijl ze een man buiten beeld kleingeld aanbieden. Vervolgens roepen ze dat hij er erg akelig uitziet! Contextloos kon ik deze scène erg moeilijk plaatsen, maar het kwam als enorm entitled gedrag over, zo maar één of andere dakloze die niets kwaad doet misbruiken als rekwisiet voor een avondje baldadigheid. Echt een gevalletje van art imitating life, want je kunt je zo voorstellen hoe een bende dronken upper middle class meiden één of andere onschuldige Poolse schooier op de Parvis zouden schofferen. "Verdwijn eens uit onze trendy bubbel, stuk vreten." Enkele maanden daarna heeft Taquin echter Nederlandse les gevolgd bij een vriendin van mij (voor haar voorbereiding van rol als brutale Gentse in La Petite) en bleek het gelukkig een alleraardigst meisje te zijn.

De hilariteit wil dat de gewraakte scène ook in de gehele film contextloos blijkt te zijn, het is effectief gewoon een elliptische flits van een avondje uit. Niettemin heb ik toch heel wat humanisme kunnen ontwaren in Rien à Foutre. Het is een film die een ironieloze poëzie der alledaagsheid predikt, let wel, het enige povere substituut van poëzie waartoe wij in de 21ste eeuw nog toegang hebben. Het je hele levensdoel maken om ooit eens een tacky fonteinshow in Dubai te kunnen kijken. The Emirate Dream. De blik van het regisseursduo is echter nergens spottend, alsof zij beseffen dat ook vulgaire banaliteit bij gebrek aan iets beters wel kan ontroeren. Bovendien, wat een genot om Exarchopoulos in allerlei nauwaansluitende hotessenpakjes te zien rond paraderen. Ik vond het behoorlijk sexy wat voor een emotioneel wrak dat ze was, een besluitenloze millenial die ten onder gaat aan binge drinking en hook up culture.

Over binge drinking gesproken: tot mijn grootste verbazing heeft zelfs de dronken communistische cowboy van café l'Archipel in Brussel (aan de Beurs) een rolletje in deze film! Hij speelt de anti-Ryanair vakondsman. Dit heerschap bood mij ooit aan om coke te snuiven samen met hem en een bende Venezolanen en naar The Big Lebowski te kijken. Misschien volgende keer toch maar best aan de Parvis gaan rondhangen!

Rifkin's Festival (2020)

Hosanna in den hoge! Wat ben ik blij dat die verrukkelijke Wallace Shawn eindelijk eens de hoofdrol in een langspeelfilm te pakken heeft! Ik kan met de beste wil van de wereld niet begrijpen hoe mensen Shawn ‘irritant’ kunnen noemen, dit innemend Jiddisch molletje wil je toch gewoon meteen als huisdier adopteren? Nu, laten we wel wezen: deze castingkeuze is puur ingegeven door noodzaak. Aangezien steracteurs Allen mijden als de pest, moet de brave man beroep doen op zijn Upper West Side vriendjes die normaal enkel mogen opdraaien voor een bijrol. Ook de locatie werd Allen opgedrongen, aangezien hij nu eenmaal enkel funding in Spanje vond en in functie hiervan het scenario schreef, wat ik een beetje sneu vind, aangezien ik steeds vermoed dat Allen eigenlijk nauwelijks van het Europese continent houdt. Van Europese cinema houdt hij allicht wel, vandaar dat het een goede keuze was om de film op het filmfestival van San Sebastian te draaien. Dat leidt natuurlijk tot wat ergerlijke oude mannen humor, m.n. die gezapige Bergman/Godard/Truffaut vignettes met een heel hoog Scary Movie gehalte. Maar eigenlijk houden we toch net van Allen omwille van dat soort knulligheid? Bovendien is het toch een amusante vaststelling hoe onuitstaanbare millenial snotneuzen (hier verpersoonlijkt door het personage van Garrel) vanuit een soort omgekeerd snobisme John Ford en Howard Hawks ophemelen en de vernieuwende cinema van weleer (Resnais, Antonioni en consorten) wegzetten als iets voor boomers. Dat het personage van Wallace Claude Lelouch in één souffle noemt met Godard en Truffaut is veelzeggend, al vrees ik dat Allen daar zelf niet de humor van inziet. De zomerse digressies zijn echter weinig verheffend en Allens ‘lofzang’ op de Spaanse levensstijl is wederom weinig oprecht. Rifkin’s Festival wordt, net als zijn andere Europese omzwervingen, gekenmerkt door een soort pseudo bon vivant-kleinburgerlijkheid: mooie natuur, kasseien straatjes, een lekker wijntje… Terwijl Allen natuurlijk liever in z’n pyjama met een chilidog en een Budweiser naar de Mets game kijkt! Ook Shawn is echt zo een New Yorks fossiel met de Big Apple in z’n poriën en ik had veel liever de New Yorkse escapades van Mort Rifkin (heerlijke naam toch?) gezien. Rondgehang in deli's en bemoeizieke tantes die overal kwaaltjes zien, dat soort dingen. Het postmoderne onbehagen van het fin-de-carrière meesterwerk Rainy Day in New York heeft bovendien aangetoond dat Allens blik op New York evolueert (itt tot dat starre, postkaart-achtig idealiseren van Europees nep-hedonisme) en niemand zou beter zijn dan dat wandelend anachronisme van een Shawn om te vertolken hoe een onbeholpen schlemiel zijn plaats zoekt in de laatkapitalistische mastodont van New York anno 2021. In plaats daarvan zien we een Shawn die wat verloren loopt daar aan de Golf van BiskajeIk en zo buiten zijn comfort zone is dat hij warempel vergeet om een affaire te hebben. Een triest unicum in het werk van Allen!

Rise of the Planet of the Apes (2011)

Alternatieve titel: Rise of the Apes

Uber-sentimentele PETA fantasie waarin we te zien krijgen hoe lieve aapjes op alle vlakken excelleren aan hun menselijke tegenhangers: wat zijn ze toch intelligent, nobel, empathisch, vergevingsgezind.. Hollywood's onuitputtelijke neiging tot antropomorfisme (ik denk terug aan Hachiko en huiver) bereikt hier een triest dieptepunt wanneer twee apen elkaar in gebarentaal toespreken. Normaal ben ik echt een grote fan van dit soort 'when animals attack' onzin, maar dan heb ik toch liever dat moeder natuur op het einde mooi de kop ingedrukt wordt in plaats van dat we verondersteld worden te juichen voor de ondergang van de mensheid.

Rive Droite, Rive Gauche (1984)

Alternatieve titel: Right Bank, Left Bank

Ha, de jaren '80 - die epiloog van de westerse beschaving. Toen kon je er tenminste nog op rekenen dat handlagers keurig in maatpak verschijnen alvorens ze je een pak rammel (al dan niet met telescopische wapenstok) verkopen. Rive Droite, Rive Gauche (belachelijke titel en nog belachelijkere thematiek) is nu niet bepaald 'goed' of 'geslaagd' te noemen als film, maar toch is deze hapklare brok entertainment veel amusanter dan de pseudo-auteuristische overgestileerde drek waar we het op heden mee moeten doen. Hoe banaal de mise-en-scène van de mij onbekende Philippe Labro ook mag wezen, toch ademen de door hem geschoten beelden met een zwoele zucht - je weet wel, à la Jane Birkin. Ook elke frame zit vervat met de luxueuze weelde van de leefwereld van de rive droite personages (vesten van Dior, de klimop op het terras van de Plaza Athenée) en dit vlakke hedonisme werkt aanstekelijk. De film noopte me haast om een Thalys kaartje te boeken om tijdens een weekendje weer eens een maandloon er door te jagen in de lichtstad. Om zoals Depardieu in de film de maître d'hôtel van de Plaza Athenée met z'n voornaam te kunnen aanspreken en de beste man te betrekken in je liaisons intimes, daar kan je toch geen prijs op zetten? In de jaren '80 was het concept 'grootstad' (te weten: grijze groezeligheid, een eindeloze stoet bolides op de centrale boulevards, trottoirs gevuld met een anonieme massa van overjasdragende mannen van middelbare leeftijd, de geschreven pers, cabarets met autochtone (!) callgirls, etc...) bovendien nog springlevend en bood dit het gedroomde setting voor een neo-noir: een kluwen van politieke zwendels, omkoperij, machtsmisbruik, psychoseksuele kwelling sluimerend alcoholisme, overspel... De grauwe jaren '80 zijn het perfecte kader voor het pathos en het melodrama van het genre: wat is er dramatischer dan een wagen die met piepende banden wegsnelt van een plaats delict om vervolgens te verdwijnen in de verkeerschaos? In het Parijs van Annie Hidalgo zou dit natuurlijk niet meer mogelijk zijn. Kan je je een film noir voorstellen in een Parijs vol stadsgroen, deelsteps en conceptrestaurantjes? Gelukkig zal de Plaza Athénee altijd blijven bestaan, ook lang nadat men die nare Hidalgo al vergeten is. Als ik nu vertrek, ben ik nog op tijd voor de brunch!

Robuste (2021)

Alternatieve titel: Misfit

Robuste schrijf zich in op de traditie van makke, pseudo-naturalistische sociale drama's uit de Franse cinema. Men hoopt met een gezapige registrerende blik iets van het 'reële' te kunnen vatten, maar het eindresultaat lijkt meer op een zoutloze tv-film. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat Robuste geen groot publiek heeft weten te charmeren: in Frankrijk slechts 29.000 bezoekers en in Franstalig België verdween de film na een luttele week al uit de zalen (in dit land der schimmigheid worden bioscoopcijfers natuurlijk nooit gepubliceerd). Toch weet Depardieu, zoals altijd, de kijker te verleiden. Meer en meer lijkt hij in dit soort vehikels gewoon lekker zijn zin te doen en insisteert hij steeds op hetzelfde persona: een aan lager wal geraakte marginaal, kortademig, komt nauwelijks uit zijn woorden, maar weet af en toe te verbluffen met onnavolgbare monologen. Hij gaat gebukt onder melancholie, maar blijft voeling behouden met de schoonheid van taal, dictie en poëzie, de enige zaken die tellen in het leven. Dat hij zich als zo een wrak door elke ruimte sleept, draagt enkel bij tot zijn rockster / Baudelaire allures. Zelf-destructief, permanent verdoofd, sprekend met een dubbele tong, Depardieu zorgt voor een welkome verlamming en eigenlijk de enige waardige manier om de confrontatie aan te gaan met deze barre tijden die de onze zijn. Laat de profeet een totaal grotesk figuur zijn, die met misplaatse laatdunkendheid spuwt op dit tijdperk. De mooiste scène in Robuste is deze waar Depardieu het romantisch etentje van Aïssa en Eddy verstoort en Depardieu zich richt tot de jonge snaak - het prototype van de blanke 'bolosse' die zijn eigen minderwaardigheidscomplex verbergt in een harnas van oikofobe banlieue plattitudes. "Vous savez qu'est-ce que c'est, l'amour?"

Romeo Must Die (2000)

Voor het grootste deel volgt Romeo Must Die slaafs het Joel Silver-productions-action-movie™ protocol en springt het qua intrige nergens uit de maat: een compleet nietszeggend verhaaltje over bendeoorlogen en vastgoedgraaiers met bijhorende cross en doublecrosses (citaat: “yo pops been rolling round town like he Donald Trump” ). De film poogt in essentie niet meer te zijn dan een showcase voor de (acteer)kunstjes van zowel Jet Li als Aaliyah, opmerkelijk is evenwel dat laatstgenoemde in in de vormgeving van het eindproduct het overwicht lijkt te hebben, toch wel eigenaardig gezien de reputatie van de Amerikaanse actiefilm als über-patriarchaal, status quo bevestigend, micro én macro-agressief instituut (ik ben normaal niet zo’n SJW, hoor, enkel wanneer het mij retorisch uitkomt)

De Oaklandse onderwereld met zijn verdwaalde kogels van drive by shootings, glimmende gefetisheerde bolides, bottenbrekende kung-fu moves en Shakespeariaans familieverraad is namelijk weergegeven als een buitengewoon gezellige plek, een snoepkleurige urban speeltuin waar Aaliyah blote middenrif showend doorheen walst in extravagente outfits en waar er naast strafrechtelijke misdrijven ook nog tijd is voor een dansintermezzo of wijze raad voor kidz uit da projectzz die het moeilijk hebben (dat 'McDonalds' esthetiseren en infantiliseren van achterbuurten vinden we ook terug in Honey – niet toevallig oorspronkelijk gepland als Aaliyah vehikel). Het is alsof het aura van de betreurde popzangeres als een dominante aanwezigheid de filmische ruimte omplooit, een harde actiethriller dmv ‘a woman’s touch’ haast in een soort musical ontaardt en deze veelheid van gezapige beelden maakte de film dan ook uitermate geschikt voor puberboys & girls op de logeer- en compazuippartijtjes die danuz op de eerste pagina zo treffend evoceert. De mise-en-scène volgt videoclip standaarden (ik had gezworen dat Bartkowiak van de MTV-stal kwam, bleek ie warempel Lumet’s groezelige NY jutendrama’s geschoten te hebben!), met een opeenvolging van fluokleurige sets, Miami Vice-achtige glijdende shots over water, cameraposities uit schuine hoeken gevolgd door bruuske steadicam zoom outs die het universum plastisch uitrekken en een flitsende montage die het ritme lijkt de volgen van de rudimentaire new jack swing drumpatronen (dududuuudum – uhu, yeah – rose in a concreeete world ). Zelfs de vechtscènes zijn eerder clownesk dan intimiderend te noemen door het elastisch jojo-cameragebruik, vergelijkbaar met de verguisde maar eigenlijk zeer briljante basketbalscène in Catwoman (nog maar eens een rol waarin Aaliyah had kunnen excelleren)

Het meest verrassende aan de film is echter de liefdessubplot, meestal een detail dat erg afgehaspeld wordt in actiefilms, door de maat een dom mokkeltje dat als trofee moet dienen voor de mannelijke overwinnaar en het expressievermogen heeft van een kamerplant (nogmaals excuses voor mijn politiek correcte praat, vrienden, om het goed te maken zal ik me Jet Li’s roundhouse kick cultureel toe-eigenen), maar de ontluikende romance in Romeo Must Die lijkt uit Aaliyah’s standpunt verteld. Haar vele reactieshots waar ze vertederd kijkt naar Li’s capriolen spreken boekdelen: haar vermoeide oogjes en uitbundige glimlach zijn die van de zelfbewuste jonge vrouw die zich gewillig laat charmeren door de stoutmoedige kwajongensstreken van onconventionele ‘undateable’ kereltjes. Li is klein van gestalte, praat met een hoog kinderstemmetje en doet onhandig tegen de dames, als een seksueel onrijpe uk. Maar kijk eens hoe overtuigd ze hem de dansvloer op sleurt? Een overwinning voor de beta males! Soms lijkt Li echter meer Aaliyah’s ondeugend klein broertje dan haar minnaar (in de obligate ‘reunited and it feels so good’ epiloog legt ze vriendschappelijk haar arm over z’n schouder) en de weinige amoureuze momenten die ze delen overstijgen het niveau puppy love eigenlijk met moeite. Zo is er een uitstekende scène waar Aaliyah door haar vader (Delroy Lindo, verstikkend in zijn bemoeienissen, maar hij wil gewoon het beste voor daddy’s lil’ girl, ok?) wordt opgesloten in haar kinderkamer en Li heimelijk het balkon opklimt om zijn geliefde te kunnen zien. Ik waande me haast in een film van Nicholas Ray! Toch doet het onuitgesproken, enigmatische karakter van hun omgang vermoeden dat ze er een diepe, intense verstandhouding op na houden die onze dogmatische kaders mbt liefdesrelaties overstijgt (typisch hoe recensenten zoiets spontaan, puur en ongrijpbaar reduceren tot ‘een gebrek aan chemie’). Of misschien besefte Li gewoon dat hij als sterveling deze nubische halfgodin met de gepaste afstandelijkheid diende te behandelen?

Rosière de Pessac, La (1979)

Alternatieve titel: The Virgin of Pessac

Goede toevoeging, Decec! Nu deel 1 nog. Eustache zal wel een zekere sympathie hebben gehad voor de tradities van zijn geboortedorp, maar je merkt tegelijkertijd ook wel dat hij de absurditeit ervan inziet: in de eerste scène zien we een aantal kwezels bij de burgemeester de kandidaten voorbrengen (in summiere beschrijvingen als: 'verantwoordelijk' 'harde werkster' 'goede normen en waarden') gevolgd door een stemming. Vervolgens wordt de gelukkige, een extreem schuchter, braaf ding, helemaal van haar universiteit gehaald voor de kroning. De ceremonie zelf bestaat er vooral uit dat de Rosière een krans ontvangt en alle dorpelingen drie kussen moet geven. Seulement voor Jean Eustache completisten.

Rough Cut (1980)

Wanneer een Hollywood film geplaagd wordt door productieprocessen, kan je er gif op innemen dat de goegemeente het decennia later nog als een flop beschouwt. Ik vind dat altijd zo stuitend. Iedereen weet toch dat de filmindustrie die consensus zelf vervaardigt? Enfin, iedereen die Jonathan Rosenbaum las tenminste. Wanneer Hollywood execs ontevreden zijn over het eindresultaat, torpederen ze met plezier hun eigen product. De film nauwelijks in roulatie brengen en dan jammeren over het box office resultaat. Verwachten dat het grote publiek dit wel zal nablaten en verdorie gelijk krijgen ook. Vraag aan de man in de straat wat de slechtste films allertijden zijn en je zult ongetwijfeld een lijstje van box office bombs krijgen. Waterworld, Gigli, Showgirls, Ishtar. Nu ja, de man in de straat kent die titels hoogstwaarschijnlijk zelfs niet, maar ik vraag de lezer hier abstractie van te maken. Met een zekere verbeeldingskracht denk ik dat jullie wel kunnen instemmen met mijn betoog, namelijk dat de commerciële logica van Hollywood blindelings gevolgd wordt als maatstaf van kwaliteit.

Zo ook deze 'Rough Cut', unaniem als fiasco versleten. Ik moet eerlijk bekennen dat ik een beetje het tegenovergestelde ben van de karikatuur die ik in mijn eerste paragraaf schetste. Wanneer een film flopt en verguisd wordt, zal ik hem anticipatief beginnen koesteren en fetisjeren, als een dierbaar 'objet maudit'. Dat is natuurlijk ook teveel van het goede. Daarom heb ik geprobeerd om 'Rough Cut' zo objectief mogelijk te benaderen, zonder mij te vergalopperen in zinloze projecties. Een Kamilletheetje gedronken, wat meditatieoefeningen gedaan. In een sfeer van sereniteit kom ik tot de conclusie dat 'Rough Cut' een alleraardigste prent is. Een lichtvoetige caper, een soort film dat me nauw aan het hart ligt. Met uitzondering van de bespottelijk afgeraffelde deus-ex-machina op het einde, had ik nergens het gevoel dat de film geplaagd door productieprocessen werd. Het is een slow burner, die film volgt het weerbarstig ritme van het verleidingsspel tussen Reynolds en Down. Het is de oubollige gezapigheid van 'cat burglar' romantiek, zij het met een vette knipoog. Reynolds verwijst meermaals naar de grootheden van het genre: Cary Grant, Omar Sharif, Peter Sellers. Het zijn inderdaad films zoals To Catch a Thief, The Pink Panther, The Tamarind Seed die Rough Cut evoceert. Het soort films waar de personages alert moeten blijven voor een mondiaal spionnencomplot, maar liever wegdromen op liftmuzak in een zachte Chesterfield of met hun geliefde tussen zijden lakens. De kijker droomt met hen mee. De internationale dimensie van dit genre is ook altijd genietbaar. In 'Rough Cut' zien we London, Parijs, Amsterdam en zelfs de (miniscule) luchthaven van Antwerpen. Op een gegeven moment nodigt Reynolds Down uit om hem te vervoegen in Hotel Plaza Athenée. Vervolgens krijgen we het hotel echter niet te zien, wat als een gemiste kans aanvoelt. Om de haters toch een beetje tegemoet te komen.

Rue du Pied de Grue (1979)

Alternatieve titel: Street of the Crane's Foot

Het was nu niet dat ik echt van plan was de Plateauzaal te trotseren met deze tropische temperaturen een donderdagavond. Rue du Pied de Grue. Een nogal nietszeggende titel. Over de film valt er op het internet dan weer niets te vinden. Slechts twaalf stemmen op IMDB, ik ben al verbaasd dat iemand hem überhaupt toevoegde op Moviemeter. Geen enkel bericht op Letterboxd, dat stemt me dan weer gunstig. Wanneer die LGBT-bende zich ergens op stort, is de pret al lang verknald. Dan toch maar eens dit totaal vergeten curiosum een kans geven? Volgens een rubriek op CNews leer ik dat de uitdrukking 'pied de grue' oorspronkelijk naar prostitutie verwees. Laten we er gemakshalve maar vanuit gaan dat ongeveer 90% van ons vocabularium zijn oorsprong te danken heeft aan hoereloperij. Ik nip eens minzaam van mijn cola zero en kijk naar de oranje mastodont van AG Insurance aan de overkant van de Jacqmainlaan. Het zal er niet gauw koeler op worden met dit soort temperaturen.

Uiteraard is het geen stormloop gebleken in de Plateauzaal. Meerdere van de 29 zitjes zijn nog vrij. Paula is natuurlijk op post. "Waarom zou je in godsnaam in Gent willen studeren? Ga toch eens naar een grotere stad, waar je beroofd wordt, verdomme!" hoor ik net voordat de lichten gedimd worden.

Ik had niet bepaald grote verwachtingen van deze film, maar was al lang blij om een dronken lallende Noiret te horen fulmineren. Het waanzinnig absurdistisch plotelement dat dronken lor Noiret ervan overtuigd is dat zijn zoon een muzikaal genie is en in zijn dronken delirium deze wil doordrijft, heeft iets voortreffelijk rabelaisien. Ik hoopte dan ook dat Noiret in de goede traditie van Michel Simon en Jean Gabin, zwalpend, Pernod morsend, op zichzelf kwijlend de ene omfloerste tirade na de andere zou afsteken. Dat kolderieke is wel degelijk aanwezig, zullen de running gag waarbij Noriet en Tonton de zoveelste muziekleraar de rivier inkieperen, Noiret meermaals per week dezelfde dorpshoer Lulu gaat naaien... Nantes wordt bovendien gefilmd als de meest deprimerende plek ter wereld, het lijkt net België wel. Ooit heb ik een kerel uit Nantes gekend, een 72-jarige tabaksmokkelaar die zijn handeltje tussen Luxemburg en Frankrijk traffikeerde en in een aftands hotel op de Adolphe Maxlaan woonde. Met de winst trakteerde hij zich op Brusselse hotels, restaurant en meisjes. Dit soort olijke vrijbuitersmentaliteit vinden we zeker terug in Rue du Pied de Grue. Toch heb ik de film voornamelijk als een beproeving ervaren. Misschien was het de hitte, maar het geheel is nogal structuurloos, bepaalde grappen en grollen werken niet en worden eindeloos uitgespeeld, de film wordt toch wel gekenmerkt door een dadaïstisch dédain om lekker helemaal niets zinvol te filmen door die langharige grapjurk van een 'Jean-Jacques Grand-Jouan', alsof hij goed leek te beseffen dat het een wrede ironie was dat de menselijke beschaving in 1979 nog altijd niet volledig uitgeroeid was. "Il pleut sur Nantes, donne-moi ta main."