De film heeft een beetje dezelfde structuur als Taxi Driver – een man draait langzaam door en wordt een steeds groter gevaar voor zichzelf en z’n omgeving – maar het verhaal is veel minder interessant: de film is simpelweg de biografie van een bokser die bekend stond als klootzak (in de ring een ‘raging bull’ en buiten de ring een ‘bully’) zodat hij ook als filmpersonage weinig sympathie opwekt en hij z’n neergang heeft verdiend. We krijgen overigens geen informatie waarom hij zo ziekelijk jaloers is en met iedereen ruzie maakt: het huiselijk geweld – want vooral z’n vrouwen zijn het mikpunt van z’n achterdocht en agressie – maakt de film af en toe wel spannend. Maar waarom critici deze film zo geniaal vinden ontgaat mij. Scorsese had aanvankelijk ook geen belangstelling om de film te maken – net als ik heeft hij niets met de bokssport – totdat hij besefte dat het maken van films ook een soort bokspartijen zijn zodat het in die zin ook een soort autobiografie is. Hopelijk gaat dat bij Scorsese niet gepaard met het slaan van zijn vrouwen.
Alternatieve titel: Late Spring, 21 maart, 22:07 uur
Zoals gebruikelijk bij Ozu is er weinig plot in de film: een 27-jarige vrouw woont nog bij haar vader in het naoorlogse Japan en iedereen zeurt aan haar kop dat ze moet trouwen hetgeen ze ten lange laste dan maar doet. Het maakt vooral de eerste helft van de film nogal saai; in de tweede helft wordt het interessanter omdat blijkt dat ze niet wil trouwen omdat ze bij haar vader wil blijven (dat neigt bijna naar een Elektracomplex) waarop die tegen haar zegt dat hij gaat hertrouwen waarop ze uit jaloezie zelf trouwt. Zoals haar vader haar voorhoudt, nadat hij Nietzsche’s Also Sprach Zarathustra weglegt, is geluk niet iets dat aan komt waaien maar bestaat die uit het scheppen van nieuw leven en daarin kan hij als haar vader geen rol meer in spelen.
Er zitten veel Japanse elementen in de film: een huwelijk is in Japan ook enigszins een begrafenis omdat dat nieuwe begin ook verwijst naar de sterfelijkheid van de ouders c.q. het einde van het oude conform de levenscyclus (in die zin is het ook angst voor de dood en verlies van hun gezamenlijk geluk die haar weerhoudt om te trouwen), de vader en de dochter weerspiegelen ook de naoorlogse spanning tussen traditie en moderniteit (en ze staan zo tussen de traditionele tante en de moderne, gescheiden vriendin in), na de val van het fascistisch regime was het gezin het laatste bastion van gemeenschappelijkheid en warmte en de titel verwijst uiteraard naar de laatste kans van de dochter om een echtgenoot te vinden (waarnaar ook het Noh-toneelstuk met de mooie traditionele Japanse muziek in het midden van de film verwijst).
Al met al is het een aardige film. Dat de film tot de beste films aller tijden wordt gerekend heeft vooral te maken met de bijzondere en eigenzinnige manier waarop Ozu z’n films in elkaar zet: het verhaal dicteert niet wat we zien maar hij laat weg wat niet noodzakelijk is (bv. het trouwen zelf), herhaalt wat ogenschijnlijk niet belangrijk is om bv. de levenscyclus uit te beelden en scherpe observatoren zien bv. een statische camera in de tweede helft als uitdrukking van de val waarin de dochter is gelopen of houden hele verhandelingen over de betekenis van de vaas in de kamer. Het is duidelijk dat de film een kunstwerk is waarin alles betekenis heeft maar het is ook een wat saaie film als je niet actief op zoek gaat naar die betekenissen.
Alternatieve titel: Lawrence van Arabië, 21 maart, 16:16 uur
De film ziet er prachtig uit, bevat intelligent dialoog en het plot is goed: een excentrieke Engelsman slaagt erin de onderling concurrerende Arabische stammen te verenigen tegen de Turkse bezetting (juist omdat hij een buitenstaander is) en wordt zelfs hun onofficiële leider (of ‘profeet’) maar uiteindelijk is hun vrijheidsstrijd een illusie want zijn ze slechts een instrument voor de Britten om de Turken te verslaan en hebben Engeland en Frankrijk onderling Arabië al verdeeld. Een Amerikaanse journalist maakt van Lawrence een held om de VS te motiveren aan de strijd deel te nemen en deze film doet dat ook: het portretteert Lawrence, die echt bestaan heeft, als een charmante avonturier die echter gelijk Hercules iets te veel gaat genieten van z’n overwinningen en roem en aldus begint te balanceren op de grens van moed en waanzin (wat dat betreft is het einde van Lawrence dat we in het begin zien passend). Tegelijk zijn er sterke homoseksuele ondertonen (waarschijnlijk was de echte Lawrence homoseksueel): dat maakt hem ook een ongewone, weinig militaire maar charismatische (anti-)held die enerzijds opkomt voor de Arabieren en hun vrijheidsstrijd tegen het racisme van de Britten omdat hij zelf ook ‘anders’ is en onbewust zijn eigen vrijheid zoekt (en in die zin zelfs tegen de belangen van Engeland in werkt) en anderzijds ook voor hem uiteindelijk de Arabische zaak niet zijn zaak is maar hij vooral met zichzelf bezig is (toen was het intersectionalisme nog geen dogma). Deze ambiguïteit staat centraal in de film: kun je zijn wie je wilt zijn (dat is: kan Lawrence zelf een Arabier worden of houdt hij daarmee zichzelf en de Arabieren alleen maar voor de gek?) en kun je je eigen lot en plaats in het geheel zelf bepalen (of is de toekomst al ‘geschreven’ en vechten Lawrence en de Arabieren voor een kansloze zaak?).
Ofschoon Lawrence misschien geen Arabier kan zijn, maakt de film hem wel één met de natuur, dat is de woestijn: Lawrence en de woestijn zijn de twee hoofdrolspelers van de film en in wezen zijn ze één in hun ‘clean’-zijn en hardheid (tegenover gewone mensen die weelde en gemak zoeken in een varkensstal). Ofschoon de film een biografie is die is geromantiseerd tot een avonturenfilm (waarin alle Arabieren vlekkeloos Engels spreken) – het is Spielbergs favoriete film en ik moest wel aan zijn Indiana Jones denken – zijn beide elementen niet het belangrijkste: de film is groots in de adembenemende fotografie van Lawrence in de woestijn die de kijker een unieke ervaring geeft. De film bestaat uit twee delen: het eerste deel (over de verovering van Akaba) waarin we vooral Lawrence in de woestijn zien heeft een laag tempo maar is wonderschoon, in het tweede deel (de verovering van Damascus) gebeurt meer maar is minder mooi. Het eerste deel is dan ook het beste deel. Overigens is de belangrijke rol van de woestijn niet nieuw in de Amerikaanse film vanwege de westerns en Lean zou vooral zijn geïnspireerd door The Searchers (1956-Ford).
Alternatieve titel: Song of the Little Road, 20 maart, 11:01 uur
Ik had al eens het derde deel van de trilogie, Apur Sansar (1959), gezien en dit eerste en beroemdste deel is (inderdaad) eenzelfde soort film: beïnvloed door het Italiaans neorealisme toont de film op naturalistische wijze het wel en wee van een arm gezinnetje zonder veel opsmuk of dramatiek. Net als met (Italiaanse) neorealistische films in het algemeen is het best aardig maar raakt de film me niet echt: daarvoor ontbreekt dan toch de dramatiek. En de poëtische beeldtaal van de film heb ik niet echt kunnen ontdekken: wat dat betreft zag ik die veel duidelijker in de recente film All We Imagine as Light (2024-Kapadia), die op het werk van Ray zou zijn gebaseerd, waarmee die film voor mijn gevoel effectiever het naturalisme tevens ontstijgt naar een mystiek niveau waarin je opeens de schoonheid van de alledaagse zaken ziet.
Alternatieve titel: Le Chaland Qui Passe, 19 maart, 21:07 uur
Critici komen superlatieven te kort om de genialiteit van deze film te beschrijven: het zou de puurste film aller tijden zijn, de ultieme film als film die aldus het wezen van de film uitdrukt en de film tot pure poëzie zou verheffen, en het zou het puurst de liefde tussen man en vrouw in elk opzicht (fysiek, emotioneel, spiritueel) uitdrukken van alle films die er zijn gemaakt. Kortom, als je deze film hebt kun je alle andere films wel weg doen. Helaas was de film voor mij niet zo’n magische belevenis. Ik zag slechts een koppeltje aan de onderkant van de samenleving waarbij de man niet aan de verwachtingen van de vrouw, die de grote wereld in wil, kan voldoen, de vrouw zich laat verleiden door elke man die wel iets van bling bling te bieden heeft, hij jaloers wordt en haar achterlaat waarna z’n collega haar opmerkelijk makkelijk vindt in Parijs en ze elkaar weer in de armen vallen. De twee wat circusachtige mannen die haar wel kunnen bieden wat ze verlangt – de lichten van de grote stad Parijs of prullaria uit verre, exotische streken – luisteren de wat saaie film een beetje op, maar de film heeft me nergens weten te raken.
Met z’n mengeling van realisme en surrealisme en de circusachtige omlijsting is de film misschien heel belangrijk in de filmgeschiedenis vanwege z’n ‘poëtisch realisme’ welk Frans genre zou leiden tot Les Enfants du Paradis (1945-Carné), die echter veel poëtischer en gelaagder is, en wellicht ook tot La Strada (1954-Fellini) waar de film me aan deed denken maar die veel meer indruk op me maakte. De film zou ook cruciaal zijn voor de Nouvelle Vague vanwege z’n ‘experimentele’ vorm en montage, maar die zou vooral uit noodzaak zijn ontstaan wegens een klein budget en wordt in ieder geval door een Godard ver overtroffen. Kortom, de film is misschien een grote invloed maar de films waartoe het leidde vind ik interessanter dan dit eerste begin.
Alternatieve titel: Sound of Falling, 15 maart, 17:34 uur
De film bestrijkt vier generaties c.q. periodes van begin 20ste eeuw tot het heden zodat het nogal een episch verhaal is maar toch blijft boeien. Zeker in het begin is de film wat verwarrend omdat de vier delen door elkaar lopen. Het eerste deel (jaren ’10) imponeert het meest vanwege de schilderijachtige esthetiek, de wat vreemde gebeurtenissen, spookachtige sfeer en de gerichtheid op de dood die alom aanwezig is (met onder meer de post-mortem fotografie) vanuit het perspectief van een klein meisje. Als we in de jaren ’80 en heden zijn, verdwijnt de spookachtige sfeer maar dat de delen door elkaar lopen heeft ermee te maken dat de nieuwe hoofdpersonen verbonden met elkaar en het verleden zijn in welke zin de geest van de vorige generaties rond blijft spoken en het in wezen een en hetzelfde verhaal is: dezelfde motieven keren terug zoals een obsessie met het je voorstellen dat je sterft of dood bent met de vraag hoe je merkt dat je dood of levend bent en de vlieg die de dood symboliseert, seksueel misbruik en het verlies van controle over je eigen lichaam, de gevoelens van zinloosheid en de wens iemand anders te zijn met het verlies van je eigen identiteit en de imitatie van de ander tot en met de ervaring van warmte bij lichaamscontact met de ander.
De boodschap van de film is dan ook dat de vrouwenonderdrukking uit het verleden blijft doorwerken, in wezen vanwege de mannelijke blik die de vrouw – haar lichaam – als object van verlangen blijft zien, terwijl van de vrouw zelf weinig meer overblijft dan een geest zoals haar vage afdruk op de foto als ze heeft bewogen (alleen als ze dood is wordt ze scherp afgedrukt), waar de film de vrouwelijke blik tegenover stelt: de vrouw is bewust dat ze bekeken wordt waarbij ze zelf nieuwsgierig door sleutelgaten loert en de film het verhaal vanuit het perspectief van de vrouwen vertelt waarbij die vrouwen af en toe uitdagend in de camera kijken. De film daagt ons dan ook uit om “in de zon te kijken” (de Duitse titel van de film is ‘In die Sonne Schauen’) en de historisch gevormde onderdrukking en pijn van de vrouw te zien, waarvoor we te vaak een blinde vlek hebben en we de wereld op z’n kop zien (voordat onze hersenen – hier: bewustzijn – dat corrigeren). De Engelse titel slaat op het geluid van het letterlijk doodvallen van de vrouwen(lichamen) in de film. Wat je ook van deze (politieke) boodschap vindt, de als filmgedicht opgezette film – die een zekere mystiek weet op te wekken die me deed denken aan Malicks werk – is verbluffend mooi en razendknap gemaakt.
Waar Roeg in Don’t Look Now (1973) op prachtige wijze de paranormaliteit van het verhaal visueel uitdrukt door parallelle scenes te verbinden (bv. het breken van een glas binnen met een jongen die buiten door glas fietst), herhaalt Roeg in deze film het trucje in die zin dat we van de ene scene in de andere scene vallen door een vaag verband (met wellicht een paranormaliteit omdat Newton “dingen ziet” als hij alcohol gebruikt) maar het effect is vooral een van een van de hak op de tak springen – een doorbreken van de continuïteit – dat de film moeilijk te volgen maakt.
Maar sowieso heeft het plot weinig om het lijf en zijn er – anders dan in Don’t Look Now – ook niet goed betekenissen te ontwaren (anders dan wat knipogen naar bv. de TV-cultuur – de buitenaardse wezens hebben op TV over de Aarde gehoord – en de wat xenofobe houding jegens vreemdelingen): het plot lijkt me in deze film geheel ondergeschikt aan de visuele experimentele pracht waar de film het van moet hebben (met opvallend veel bloot). Bowie’s beroemdste creatie is Ziggy Stardust – de Starman – en uiteindelijk is de film toch weinig meer dan een hele lange artsy fartsy videoclip voor de muziek van David Bowie die wegens contractuele verplichtingen helaas niet zelf de muziek mocht leveren voor de film.
In 1960 kreeg de film boegeroep vanuit het publiek maar critici noemden het een van de belangrijkste films ooit gemaakt en die hoge status heeft hij nog steeds. Maar ik schaar me vooralsnog achter het publiek: de film heeft geen mooie beelden, geen interessante dialogen en het plot heeft ook weinig om het lijf, resulterend in een saaie, veel te lange film. De film gaat over een meisje dat verdwijnt maar nadat eigenlijk alleen haar vriendin zich even zorgen om haar maakt laat ze zich wel meteen veroveren door het vriendje van het verdwenen meisje. Ik denk dat er twee betekenissen in de film zitten: de eerste is wellicht een kritiek op de losbandige Romeinse jetset als spiegel van de naoorlogse onverschilligheid en verval in de moraal (in die zin lijkt de film als twee druppels water op La Dolce Vita van Fellini uit hetzelfde jaar) en waar alles, van liefde tot een verdwijning van een vriendin, slechts een 'avonrtuurtje' is (waar de titel van de film naar verwijst), maar het revolutionaire idee van de film, die ermee elke filmlogica breekt, is dat het leven ook na een dramatische gebeurtenis doorgaat. De film lijkt te gaan over het verdwenen meisje maar gaandeweg – de film is daar ook lang genoeg voor – verdwijnt die ook geheel uit de film en de aandacht van de kijker en knopen de mensen om haar heen nieuwe relaties aan. De film toont zo niet de filmwerkelijkheid c.q. het klassieke plot waarin het verhaal van het verdwenen meisje tot een ontknoping of verzoening moet komen, maar het echte leven dat grillig is (zoals een criticus schreef: de film toont de entropie van het leven). Maar dergelijk ‘realisme’ maakt voor mij film niet interessant en is dus niet aan mij besteed.
Het is moeilijk een remake van een film te beoordelen als je het origineel niet hebt gezien: mogelijk zijn alle goede punten gejat van het origineel uit 1962 en is de eigen inbreng wat de film zwakker maakt dan het origineel. Maar als ik de film uit 2004 op zichzelf beoordeel dan is het een fijne film die aldoor spannend blijft (maar dat zou het origineel ook al zijn) met een interessante thematiek: ik begrijp dat bij de update naar de jaren ’90 (Golfoorlog) het niet meer om ideologische infiltratie van de politiek door middel van hersenspoeling maar om kapitalistische infiltratie van de politiek door middel van nanotechniek gaat hetgeen de film inderdaad meer eigentijds maakt. In wezen maakt het niet veel uit: in beide gevallen is het uiteindelijk hypnose die de presidentskandidaat een marionet maakt. Maar de diepere lagen maakt het interessant: aan de ene kant is er de ongezonde (in het boek meer uitdrukkelijk als incestueus beschreven) macht die de moeder over haar zoon heeft, die wel wat aan Hitchcocks Psycho doet denken, en aan de andere kant is er macht die het kapitaal, criminelen of gewoon ideologie kan hebben over een presidentskandidaat die in onze tijd doet denken aan de mogelijke Russische beïnvloeding van Trump. Het idee van het wissen en vervangen van het geheugen hoort bij het klassieke hersenspoelen van de Koude Oorlog – het is een belangrijk thema bij Philip K. Dick – maar de paranoia ervan resoneert met de hedendaagsde populariteit van complottheorieën en het is bovenal deze strijd tussen de ‘vragenstellende’ burger en de autoriteiten die de film nog steeds actueel en spannend maakt.
Alternatieve titel: Man with a Movie Camera, 8 maart, 16:16 uur
Deze voor die tijd avantgardistische film toont het moderne stadsleven waarbij Vertov ook het filmen en monteren van de film laat zien: de film is een ode aan zowel de moderne automatisering en massaproductie – de machines die het werk overnemen en de vrije tijd die mensen daardoor krijgen – als de nieuwe filmkunst als speciaal geval van die automatisering met de filmcamera als “het perfecte oog” waarbij hij alle mogelijkheden van het filmen (bv. het gebruik van ongebruikelijke hoeken) en het monteren (bv. slow of fast motion en het door elkaar heen laten lopen van beelden/filmpjes, vaak met bewust duizelingwekkend effect) gebruikt. Heel boeiend is wat de documentaire allemaal laat zien misschien niet maar zijn boodschap is krachtig: de moderniteit geeft een versnelling aan de samenleving die niet is te stoppen waarbij film dit proces niet alleen kan tonen maar ook zichzelf toont als een onstopbaar medium als onderdeel van de moderne wereld in plaats van een voorbijgaande gril.
Net als met Wanda is de keuze voor deze film voor Internationale Vrouwendag mijns inziens wat merkwaardig want de film heeft de boodschap dat vrouwen toch een soort prostituees zijn die nu eenmaal op rijke mannen vallen zoals mannen op mooie vrouwen (of het moet de feministische boodschap zijn dat de twee vrouwen in de film nu eens voor elkaar opkomen in plaats van elkaar omlaag te halen). Hoe dan ook schuilt er waarheid in de boodschap dat mannen en vrouwen in ieder geval niet voor de ‘inhoud’ van een persoon van het andere geslacht vallen, welke ongemakkelijke waarheid dan ook alleen gezegd kan worden in een komedie. Maar de strijd tussen de seksen is eerlijk: zoals een man een vrouw kan kopen, kan de vrouw de man betoveren met haar erotiek en Marilyn Monroe is misschien op haar betoverends in deze film. Daarbij wordt ze geholpen door de Technicolor waardoor de glamour van het doek spat en is de scene waarin ze ‘Diamonds Are a Girl's Best Friend’ zingt daardoor iconisch geworden en vaak geïmiteerd. Maar afgezien daarvan is de film een wat flauwe komedie die me in dat opzicht wat tegenviel.
Ofschoon Gone With The Wind een romantisch (melo)drama tegen de achtergrond van de Amerikaanse Burgeroorlog en de erop volgende Reconstructie is, is de film toch eigenlijk ook gewoon een sprookje met hoofdpersoon Scarlett als heks die – tegen de ‘oude’ beschaving van het Zuiden in – geen eergevoel kent en alleen maar aan zichzelf denkt (in haar tomeloze ambitie en wilskracht kan ze ook wel als feministisch worden opgevat). Ze veracht idealisme – de hele oorlog kan haar gestolen worden – en heeft haar zinnen gezet op Ashley die echter met haar nichtje Melanie trouwt, waarna ze met verschillende mannen trouwt terwijl ze van Ashley blijft dromen: ze blijkt zelf haar hele leven een onbereikbaar ideaal na te jagen. Als ook haar huwelijk met de cynische Rhett – die haar de hele film door wil veroveren omdat zij net als hem alleen aan geld en zichzelf denkt dus ze elkaar zouden moeten begrijpen – op de klippen loopt en ze beseft dat ze nooit liefde zal vinden, besluit ze terug te keren naar haar geboortegrond: zoals haar vader haar leerde is land uiteindelijk het enige wat blijft en wat haar kracht kan geven om door te leven.
De film imponeert door z’n compleetheid: het script is intelligent met gevatte, vaak sarcastische dialoogjes en ondanks de ongewoon lange speelduur – de film bestaat uit twee delen waarbij het eerste deel (van Cukor) dat eindigt met de financiële ruïnering van Scarlett door de oorlog iets beter is dan het tweede deel (van Fleming) waarin ze opkrabbelt door met rijke mannen te trouwen maar dat een desillusie in de liefde geeft – zit de vaart er goed in waardoor er geen gelegenheid tot verveling is. Bovenal prikkelt de film aldoor met z’n opzwepende muziek en de Technicolor-kitsch die zowel de hemel (de glamour van het leven op stand) als de hel (dood en honger als gevolg van de oorlog) intensiveert tot sprookjesachtige proporties en die de reden zal zijn dat Gone With The Wind nog steeds de favoriete film in de VS is. De titel slaat op de ondergang van het Oude Zuiden die zowel melancholisch (“Here was the last ever to be seen of Knights and their Ladies Fair, of Master and of Slave”) als als onvermijdelijk wordt voorgesteld. Critici hebben erop gewezen dat de meest succesvolle film in de VS telkens die heimwee naar de traditie (inclusief racisme) belichaamt: eerst Birth Of A Nation (1915-Griffith), toen Gone With The Wind (1939) en toen The Godfather (1972-Coppola) zodat er waarheid lijkt te zitten in de slogan ‘go woke, go broke’.
Alternatieve titel: Barbara Loden's Wanda, 7 maart, 17:59 uur
De film ziet er interessant uit door zijn documentaireachtige stijl maar uiteindelijk blijkt de film toch niet heel veel te bieden. Het gaat over een jonge vrouw die niets geeft om haar man en kinderen en daarom maar wegloopt waarna ze met elke man meegaat voor onderdak en een beetje eten. Je vraagt je af waarom ze niet iets meer haar best doet iets leuks van haar leven te maken. De dramatische spanning ontstaat vooral doordat ze zich ook door een bankovervaller laat meenemen – waardoor de film even een Bonnie and Clyde vanuit vrouwelijk perspectief lijkt te worden – maar ook dat wordt niet echt spannend omdat ze er letterlijk maar een beetje achteraan hobbelt. De film – “boegbeeld van de Amerikaanse feministische cinema” – draait geloof ik opnieuw in de bioscopen vanwege vrouwendag, maar ik weet niet of deze film reclame is voor het feminisme want veel bakt deze vrouw er niet van zonder man.
Fincher is niet mijn regisseur, zoveel is duidelijk. Soms probeer ik het nog eens, zoals nu met deze film, maar het briljante ontgaat me volkomen: de film is saai met clichématige dialogen en ontwikkelingen en duurt heel lang. De film vertelt het levensverhaal van een man waarin eigenlijk niets bijzonders gebeurt. Wat natuurlijk wel bijzonder is is dat deze man steeds jonger wordt terwijl de mensen om hem heen ouder worden, maar de hele fim vraag je je af welke levensles men daarmee wil communiceren: waarschijnlijk iets als dat alles vergankelijk is en iedereen doodgaat en dat alleen de liefde eeuwig is. Echt duidelijk wordt het niet: het is vooral een lege, saaie en nietszeggende film. Hij is wel kundig en gladjes gemaakt (it pleases the eye), hetgeen niet perse in z’n voordeel spreekt maar waarvoor ik de film nog net een magere voldoende wil geven, net als de andere ‘klassiekers’ van Fincher.
Robert Rauschenberg, Précurseur du Pop Art (2025) 3,5
Alternatieve titel: Robert Rauschenberg - Alles Ist Kunst, 3 maart, 19:09 uur
Prima korte documentaire over een uiterst belangrijke kunstenaar – qua betekenis misschien vergelijkbaar met die van zijn vriend John Cage in de muziek had – die voortborduurde op de dadaïst Marcel Duchamp met wie hij de pionier is van zo’n beetje alle kunststromingen vanaf de jaren 50 door radicaal te breken met het idee van kunst als verheven museumstuk ten gunste van het opheffen van het verschil tussen kunst en alledaagse gebruiksobjecten (popart), tussen het kunstwerk en het publiek (interactie) en tussen de verschillende kunst- en mediavormen zodat kunst en het leven samensmelten.