Alternatieve titel: The Beloved, gisteren om 20:34 uur
De film is te lang en de eerste helft is hooguit interessant omdat het een inkijkje geeft op de filmset: pas na een intense scene in het midden wordt het interessanter. De film is uitdrukkelijk ‘meta’: de regisseur heeft een film gemaakt over een regisseur die een film met zijn dochter maakt en de film gaat inhoudelijk over een verbroken vader-dochter-relatie die wordt geheeld doordat hij uiteindelijk haar echt ziet en erkent en de vorm spiegelt dat door de acteerles dat je meer jezelf moet zijn naarmate de camera dichterbij is waarbij de film of filmset in de film de vader en dochter op afstand filmt en de vader als harde regisseur haar als een ding behandelt maar de film zelf hen juist aldoor van heel dichtbij filmt zodat we dan de ‘ware’ personen zien. En pas door dichtbij te komen – door barrières tussen ons weg te nemen – zien we de pijn van de ander en kunnen we een gezonde relatie krijgen. Dat is een leuk idee maar de film weet er te weinig uit te halen om de lange speelduur te rechtvaardigen.
Na elke avond getracteerd te worden op een virulent anti-Israëlisch narratief in het NOS Journaal waarin slechts aandacht is voor het Eindeloos Lijden van de Palestijn en nooit voor de misdaden van die Palestijn, had ik weinig zin in ook nog een anti-Israëlische documentaire maar ik voelde me aan mijn stand verplicht – mijn grote mond eerder in dit draadje – om toch maar de film zelf eens te bekijken. Dat was een goede beslissing: zoals ik al hoopte is de documentaire eindeloos veel genuanceerder en diepzinniger dan wat onze media bieden omdat de makers zelf Israëli zijn.
Het onderwerp van de documentaire is het ‘systeem’ van de Israëlische oorlogsvoering in Gaza en bouwt geleidelijk op naar een snoeiharde veroordeling van Netanyahu. Maar het eerste deel is nog bijna positief te noemen over die oorlogsvoering: na 7 oktober 2023 was de stemming in Israël dat heel Gaza van de kaart moet worden geveegd maar we leren dat het door AI ondersteunde systeem a) louter Hamas-leden poogt uit te schakelen maar b) omdat die het best kunnen worden uitgeschakeld als ze ’s nachts in bed liggen er onvermijdelijk ook familieleden kunnen worden gedood. Daarbij brengen de inlichtingen in kaart hoeveel familieleden (‘nevenschade’ dus NAZA) aanwezig zijn waarbij er normen zijn hoeveel NAZA acceptabel zijn (voor een gemiddeld Hamas-lid is dat maximaal 20 NAZA) en wat de acceptabele foutmarge is dat het systeem iemand aanwijst die geen Hamas-lid is (dat is 15%). Door middel van AI probeert men steeds nauwkeuriger te doden dus maximaal veel Hamas-leden met minimaal aantal burgerslachtoffers. Wij horen altijd dat het onethisch is om oorlog te voeren met AI en dat er altijd een mens de beslissing moet nemen maar deze documentaire leert dat na zo’n gruweldaad als 7 oktober 2023 juist AI heel veel Gazanen het leven redt want de gemiddelde soldaat zit zo vol haat dat hij het liefst alle Gazanen zou willen doden.
Dit deel bevestigt wat mij betreft de reputatie van het IDF als het meest morele leger ter wereld waaruit in die zin het joods karakter blijkt: men probeert zo veel mogelijk mensenlevens te sparen. Zelfs de soldaten die worden geïnterviewd (die de doelen berekenen en bombarderen) weten dat ze een radartje zijn in de oorlogsmachine maar geven evengoed blijk geven van gewetenswroeging: juist doordat ze niet blind bombarderen maar alles in kaart brengen en telefoons afluisteren om zo veel mogelijk zeker van hun zaak te zijn, zien en horen ze ook de effecten van hun acties dus bv. de kinderen die ze doden. Zoals ook Weil beschreef in L’Iliade, ou le poème de la force (1940), is oorlog in het begin een spel en in onze tijd is dat vrij letterlijk een videospel, waardoor sommige soldaten er intens van genoten totdat ze de dood zagen. Ter contrast: Hamas is waarschijnlijk het minst morele leger ter wereld want probeert juist zo veel mogelijk burgers – zowel Israëlische als eigen burgers – te doden vanwege het PR-resultaat (dode Joden doen het goed bij de achterban en dode Palestijnen zorgen ervoor dat NOS Journaal elke dag bericht over het Eindeloos Lijden van de Palestijn en zo 'de Palestijnse kwestie' levend houdt voor het oog van de wereld). Tegelijk zit er een vreemde paradox in de moraliteit van het IDF: juist omdat het berekent hoeveel burgerslachtoffers het zal doden (om die te kunnen minimaliseren), kun je zeggen dat het bewust burgers doodt en daarmee een oorlogsmisdaad pleegt (vroeger kon je gewoon een stad bombarderen en je schouders ophalen over de burgerslachtoffers want daar had je geen idee van).
Overigens, omdat er heel veel Hamas-leden zijn (“tienduizenden”) betekent het doden ervan dat uiteindelijk toch heel veel Gazanen worden gedood: als we bv. gemiddeld 10 NAZA rekenen en 50.000 Hamas-leden dan ga je naar een dodental van 500.000. Maar dan nog lijkt me de beschuldiging van ‘genocide’ ridicuul: de Palestijnen kunnen vandaag nog het doden stoppen door de wapens neer te leggen en voor vrede te kiezen (dat konden de Joden in de concentratiekampen natuurlijk niet). Hoe dan ook, tot op heden zijn er nog maar zo’n 73.000 Gazanen gedood en een groot deel daarvan lijkt meer te maken te hebben met het tweede deel van de oorlog en van de documentaire: op een gegeven moment werden de Palestijnen naar het zuiden gedirigeerd waarna noordelijk Gaza doelbewust van de kaart werd geveegd door alle gebouwen te verwoesten, inclusief de Gazanen die (op bevel van Hamas maar dat vermeldt de documentaire niet) in het noorden waren achtergebleven. Ook hier geldt dat het IDF berekende waar de mensen zaten om eerst die gebouwen te bombarderen met het minst aantal mensen: het doel was immers niet om te doden maar om iedereen te ‘prikkelen’ het bevel van het IDF op te volgen om naar het zuiden te vertrekken. Noordelijk Gaza werd bewust onleefbaar gemaakt door ook de infrastructuur te vernietigen zodat mensen er ook niet zouden terugkeren. Ik weet eerlijk gezegd niet eens wat hiervan het doel is: ik vermoed om het gebied geheel te kunnen zuiveren van Hamas en een bufferzone te maken maar het effect is in ieder geval etnische zuivering hetgeen mogelijk ook het doel is (zoals ik al eerder schreef is het begrijpelijk dat Israël klaar is met die permanente terreuraanvallen op de burgerbevolking van Israël en de Palestijnen niet meer als buren wil).
Dan volgt er nog een klein deel over de voedseldistributie in het zuiden waarbij IDF-soldaten schieten op de mensen die het bevel van het IDF niet opvolgen maar proberen een short cut naar het voedsel te maken. Aan de ene kant is het begrijpelijk dat het IDF niet kan accepteren dat hun bevel niet wordt opgevolgd maar aan de andere kant is het wel erg wreed en roept het herinneringen op aan hoe nazi’s omgingen met Joden. Dat kan ik helemaal volgen, maar wat mij betreft vliegt de documentaire wel uit de bocht door hier heel uitdrukkelijk de twee aan elkaar gelijk te stellen (‘als de nazi’s slecht waren, wat ben ik dan?’), dit als een ‘genocide’ te bestempelen (terwijl het gaat om een paar Palestijnen per dag die op die manier werden gedood) en in het verlengde daarvan de internationale verontwaardiging te tonen over de oorlogsmisdadiger Netanyahu die aldus wordt geportretteerd als de nieuwe Hitler en als terrorist op basis van z’n eigen woorden (‘terrorisme is het doelbewust doden van burgers voor een politiek doel’) terwijl de documentaire juist laat zien dat het IDF consequent het aantal burgerslachtoffers minimaliseert (op hooguit die paar bij de voedseldistributie na, ook al kun je zelfs dat nog verdedigen omdat er anders chaos zou uitbreken met nog meer doden als gevolg van verdrukking).
De boodschap van de documentaire is – behalve dat Netanyahu voor het ICC in Den Haag moet worden gebracht – dat de oorlogsmachine een wrede, onmenselijke machine is waarbij de soldaat niet domweg z’n bevelen zou moeten opvolgen maar vooreerst naar zijn geweten zou moeten luisteren. Dat is natuurlijk niet realistisch (zo werkt dat niet in een leger of oorlog), maar ik vind het wel een typisch joodse boodschap (wat dat betreft zat ik met mijn verwijzing naar Simone Weils artikel L’Iliade in m’n eerste bericht over de film helemaal goed waarbij de boodschap van de film nog wat uitdrukkelijker resoneert met Arendts ‘banaliteit van het kwaad’: oorlogsmisdaden zijn mogelijk, niet omdat de uitvoerders zo kwaadaardig zijn maar omdat ze domweg de bevelen opvolgen). En wat mij betreft is het een interessant perspectief om welke reden ik denk dat we het jodendom en Israël moeten koesteren: de film laat je in ieder geval nadenken over de spanning tussen moraal en oorlog.
PS. Ik zag er ook wat tegenop om in een zaal vol antisemieten annex Palliewappies te zitten: het publiek zag er echter normaal uit en ook de kwaliteit van de documentaire gaf me hoop dat dat zou kunnen meevallen maar toen de film was afgelopen stond nog wel een man op – ik geloof de enige met keffiyeh – om iedereen op te roepen op 7 oktober op de Dam te komen demonstreren tegen Israël. Dan ben je natuurlijk echt een heel enge antisemiet.
De film is een waarschuwing voor de klimaatcatastrofe die het kapitalisme veroorzaakt, maar ook als je daar niet in zou geloven is de film vermakelijk: het is een komedie (een satire), bewust gemaakt in de stijl van Dr. Strangelove or: How I Learned to Stop Worrying and Love the Bomb (1964) die over de nucleaire catastrofe ging. Ik heb er in ieder geval erg van genoten. De personages zijn karikaturaal en tegelijk tilt de film de gebeurtenissen naar een quasi-realistisch niveau doordat het een toneelstuk blijkt te zijn – dat de vormgeving van hysterische klucht verklaart – dat dan weer plaatsvindt in de toekomst waarin die catastrofe al heeft plaatsgevonden en de wereld heeft veranderd in een apocalyptische, totalitaire woestenij. De film is dus geen toneelstuk over wat zou kunnen gebeuren maar wat al is gebeurd waarbij het personage Digger al uitlegt waarom we de toekomstige methaan-bom niet stoppen: we zijn verslaafd aan de ‘vrijheid’ en de luxe die de olie ons geeft, hetgeen ook resoneert met de dreigende oliecrisis van nu, waarbij de VS in een concurrentiestrijd met China is verwikkeld en dus geen stap terug doen (met Europa als het sulletje van de wereld), hetgeen ook resoneert met de huidige AI-competitie. God dus het geloof moet ons maar redden.
Het metaniveau van het toneelstuk in de film kennen we al van Iñárritu’s meesterwerk Birdman (2014) en Digger heeft ook iets van de gejaagdheid van die film zodat ook Digger enigszins voelt als een opwindende adrenaline rush. En net als in Birdman speelt hier een vader-dochter-relatie doorheen voor een persoonlijke noot in het mondiale drama met een zelfmoord van de hoofdpersoon. Een bijzonder sterk en visueel bepalend aspect van de film is dat de hoofdrolspelers hele oude mensen zijn – je ruikt bijna de lijklucht – wier bijna zichtbaar geworden levenseinde niet toevallig samenvalt met die van de mensheid die ze in ellende storten. Ofschoon de film een komedie is – en een serieus grappige in mijn beleving – portretteert het de mens als tragisch figuur die – vertrouwend op God – niets anders kan dan zijn eigen ondergang bewerkstelligen. Volgens Aristoteles maken mensen kleine fouten in komedies en grote fouten in tragedies, maar net als in Kubricks klassieker is ook deze film waarin de mens catastrofale fouten maakt heel geestig.
Dit is mijn eerste Resident Evil; ik begrijp dat de films zijn gebaseerd op een videospel en de film volgt inderdaad het ‘plot’ van een videospel – een man moet zich door een zee van zombies vechten om een bepaald doel te bereiken – waarbij de hoofdpersoon ook refereert naar het spelen van een videospel. Erg interessant is het allemaal niet waarbij de zombiemonsters lijken geïnspireerd op films als Alien en The Thing en de horror de clichés van het genre volgt met jump scares en veel bloed, maar er is ook humor: anders dan we gewend zijn in films gaat er – net als in het echte leven – van alles mis door onhandigheid en domme pech bij de pogingen van de hoofdpersoon heelhuids weg te komen. Daarbij sluit de inhoud ook aan bij deze vorm: in plaats van dat de hoofdpersoon toch nog op het nippertje de mensheid weet te redden van de zombie-epidemie, wordt die kans op het nippertje verspeeld. Dat geeft een pessimistisch maar realistischer toekomstbeeld: door een stapeling van domme fouten zal de mensheid ten onder gaan. Dat verheft de film nipt boven de middelmaat.
Deze documentaire gaat over Marcus. Maar waarom? De documentaire bevat ook communicatie tussen Marcus en de regisseuse over wat er in moet maar evengoed wordt het doel van de documentaire niet expliciet gemaakt. Blijkbaar kwam de regisseuse hem bij toeval tegen en vond ze hem interessant, ook al benadrukken ze aan het einde dat ze tegengesteld zijn en elkaar niet begrijpen. Ik heb niet echt kunnen ontdekken wat interessant is aan Marcus en dus waarom de regisseuse een film over hem wilde maken. We leren dat de vader van Marcus veel reisde en overal meisjes zwanger maakte, waar onder meer Marcus uit voortkwam die zijn vader altijd heeft gezocht en toen die dood werd gevonden in een tent bleef worstelen met wie hij is en wat het betekent om een man te zijn waarbij hij zich later richt op de manosfeer. Vermoedelijk vindt de regisseuse dat interessant maar veel interessants levert het niet op: in plaats van een onderzoek naar identiteit of mannelijkheid zien we alleen maar Marcus die over zijn leven vertelt en zelf opmerkt dat hij veel op zijn vader lijkt naarmate hij meer over hem hoort, inclusief de onrust die hem laat reizen en het verzet tegen de wereld dat hen uiteindelijk toch isoleert. Als kijker krijg je het gevoel dat het met Marcus net zo slecht gaat aflopen als met zijn vader. Dat suggereert dat nature meer invloed heeft op iemands persoonlijkheid dan nurture, maar tegelijk kan Marcus’ worsteling ook worden opgevat als het gevolg van de afwezigheid van een vader dus toch weer nurture. Ik weet niet eens of de regisseuse deze vragen voor ogen heeft met haar film: de film ontbeert wat mij betreft elke duidelijkheid over wat de film wil zeggen of waar het de regisseuse om gaat.
Deze film is beter dan ik had verwacht: ik verwachtte een film over pesten dat uit de hand loopt want opgepept met eigentijdse body horror, maar van die body horror of horror überhaupt heb ik weinig gemerkt en het loopt eigenlijk helemaal niet zo uit de hand terwijl de film wel als een duik in het zwembad de diepte in gaat met een treffende weergave van het psychologisch proces van een groepsdynamiek die maatschappijbreed heeft geleid en nog voert tot vormen van heksen – en jodenvervolging.
Zo gaat de film over een groep jongens van 12 en 13 jaar waarvan een pestkop een jongen met huiduitslag als een melaatse behandelt of eigenlijk zoals melaatsen in de middeleeuwen werden behandeld: men is bang voor ze en vermijdt angstvallig elk contact. Het interessante nu is dat de jongens net oud genoeg zijn om te weten dat dat flauwekul is, maar tegelijk zijn ze speels genoeg om het spel mee te spelen en door dat spel wordt het toch een soort van beetje waar (in feite werkt een horrorfilm natuurlijk net zo: we geloven er niet in maar door mee te gaan met de fantasie gaan we er toch even in geloven alsof het waar is). En als de meerderheid erin ‘gelooft’, dat wil zeggen: eigenlijk niet in gelooft maar wel net doet alsof, dan is er voor een kritisch lid van de groep veel moed nodig om letterlijk als spelbreker er niet aan mee te doen. Zo is vooral het pestgedrag zelf een besmettelijke ziekte en ontstaat massahysterie dus massaneurose: heksen- en jodenvervolgers geloven vaak zelf niet eens oprecht waarvan ze de heks of jood beschuldigen (zoals George Orwell opmerkte is wat Joden wordt verweten fysiek en logisch niet eens mogelijk) maar de absurde beschuldiging krijgt – juist omdat het absurd is – een magische kracht die het voor de groep waarmaakt: het wordt een ideologie zoals een totalitair regime eveneens elk rationeel debat saboteert door de ideologie boven de feiten te plaatsen. Het gaat niet meer om de vraag of het wel of niet waar is maar om wie wel en wie niet meedoet en bovenal wie besmet en wie rein is: de ideologie verbindt de groep en isoleert het slachtoffer.
Zelfs die slachtoffers gaan twijfelen of ze inderdaad onrein zijn en niet deugen: niemand is volmaakt maar alle zonden van de gemeenschap worden op de zondebok geprojecteerd die wordt blootgesteld aan tests om zijn reinheid (onschuld) te bewijzen waar geen mens en dus ook niet de heks of jood aan kan voldoen. Het slachtoffer zit in de val en in de ijdele hoop te kunnen ontsnappen neemt hij de beschuldigingen van de daders over om anderen te ‘verraden’ en zichzelf weer in de groep te plaatsen. Bovenal wordt de ‘ziekte’ zelf bewaarheid door het isolement: het aldus geïsoleerde en vernederde slachtoffer gaat zich ook vreemd – op z’n minst neurotisch – gedragen waardoor de aansluiting met de groep definitief verbroken lijkt. Dat maakt het mechanisme niet alleen ontmenselijkend voor zowel slachtoffer als voor de daders die alle zichzelf verliezen maar ook tragisch. Kortom, het is een diepe, sociologische maar ook sombere film en die aldoor boeit door een goede opbouw (de film gaat herhaaldelijk net niet de kant op die je denkt dat het zal gaan) en mooie uitvoering met opvallend goed acteerwerk en een opvallende visuele en auditieve stijl.
Zoals de trailer al laat zien, zijn de beelden van deze documentaire prachtig. Maar zoals ik op basis daarvan ook al vreesde: de documentaire geeft slechts de meest summiere informatie over het onderwerp van de film want de aanpak is uitdrukkelijk impressionistisch zodat sfeer en mooie beelden belangrijker zijn dan de inhoud. Of misschien is de inhoud wel belangrijk – ik denk dat de film wil laten zien dat de op zich geïsoleerde Amish-achtige gemeenschap in Oekraïne die ook niet meevecht in de oorlog toch betrokken raakt bij de oorlog en vrijwillig de soldaten aan het front helpt – maar alles wat de film daarover zegt heb ik nu al in deze zin zo ongeveer gezegd. Het maakte dat ik toch wat op mijn (kennis)honger bleef zitten en onbevredigd de bioscoop verliet, ook al is de film esthetisch heel mooi.
Ik werd aangetrokken door de artisticiteit van de trailer en ik werd niet teleurgesteld: de film is een soort doorlopende tentoonstelling van de kunst van Jeroen Kooijmans zelf en z’n partner Elspeth Diederix, die beide vooraanstaande Nederlandse kunstenaars zijn en dat met deze film onderstrepen, in de vorm van een soort videodagboek van Jeroen die worstelt met zijn depressies en zelfs in psychoses raakt terwijl hij en zij bezig zijn met hun kunst en ze smoorverliefd op elkaar zijn. Zoals het bij postmoderne kunst betaamt, is er geen duidelijk onderscheid tussen leven en kunst, echt (natuur) en manipulatie, en de film is een indrukwekkende ode aan de liefde, de kunst en – ook al kan Jeroen de gedachte aan de dood maar niet van zich afzetten – het leven.
Allereerst is de film een komedie met misschien wat flauwe karikaturen en humor maar je glimlacht evengoed omdat het bijna op een kinderlijke manier sympathiek voelt. En dat het sympathiek voelt komt misschien omdat de film gaat over de botsing van culturen – waar we als (postmoderne) kijker ons wel iets bij voor kunnen stellen – maar dan op een sympathieke, sprookjesachtige manier vormgegeven in de vorm van twee primitieve eilandbewoners die geloven dat ze afstammen van zeemeeuwen en dat het toelaten van mensen van het vasteland hun ondergang zal zijn (hetgeen cultureel gezien natuurlijk ook zo is) terwijl de moderne wereld geen boodschap heeft aan dergelijke culturele gevoeligheden. De gemeenteambtenaar die van fantasy-verhalen houdt vormt de brug tussen de bureaucratie van de moderne wereld en de mythologische wereld van de eilandbewoners en hij slaagt erin de angst van de eilandbewoners voor die moderne wereld te overwinnen terwijl de film zelf de mythologie van het eiland afmaakt: ook zeemeeuwen moeten eens het nest verlaten terwijl ze – heel postmodern – overal thuis kunnen zijn zolang ze samen zijn waarbij de verhalen van henzelf en anderen ze kunnen blijven laten ‘vliegen’. De film is misschien geen hoogvlieger maar wel heel sympathiek en een soort Hundreds of Beavers (2022) maar dan iets conventioneler.
Alternatieve titel: The Young Girls of Rochefort, 6 september, 17:22 uur
De films van Demy gaan over de liefde en hoe geliefden – ook fysiek – elkaar wel of niet treffen in hun reizen door het leven in tijd en afstand. Die verwevenheid of net niet verwevenheid van levens beperkt zich bij Demy niet tot één film: personages (of jongere kopieën ervan) uit z’n debuutfilm Lola (1961) keren weer terug in latere films om opnieuw de liefde wel of niet te treffen. Ondanks de ernst of zelfs tragiek van dit kosmisch-amoreus biljartspel dat sommigen winnaars maar juist de hoofdpersoon meestal een verliezer maakt, is de toon altijd vrolijk en sprookjesachtig die ons eraan herinnert dat de liefde bij uitstek vreugde brengt, onze harten sneller doet kloppen en ons laat zingen en dansen. Waar het tragische Les Parapluies de Cherbourg (1964) nog een operavorm koos waarin alle tekst wordt gezongen zonder dans, is Les Demoiselles de Rochefort (1967) een echte musical waarin gesproken tekst wordt afgewisseld met zang en muziek. De film is daarmee een ode aan de klassieke Hollywood-musicals als Singin’ in the Rain (1952) en An American in Paris (1951) en is net als die in Technicoor gefilmd.
De ‘oude’ Lola blijkt in Les Demoiselles de Rochefort (1967) te zijn vermoord, maar Catherine Deneuve speelt een nieuwe Lola als Delphine die ditmaal is voorbestemd een schilder-matroos als haar ware liefde te treffen (in de film Lola was een matroos daarentegen een voorbijgaande gril die ze koos omdat hij haar aan haar ware liefde deed denken). Tegen de achtergrond van een kermis, waarvan de twee jongens in elke stad een ander schatje scoren (en daarmee interessant worden als de ware niet wordt getroffen), en het in- en uitreizen van de mannen die die waren zijn voor de dames, lijkt het er eerst op dat iedereen iedereen treft behalve degene die voor hem of haar de ware is, vinden ze uiteindelijk toch elkaar. Zelfs de hoofdpersoon Delphine, van wie je op basis van de eerdere films zou verwachten dat zij haar ware net misloopt, treft op het nippertje toch nog haar ware (zoals het in een vrolijke musical betaamt). Daarmee is wat mij betreft het universum van Demy tot een goed einde gekomen en afgesloten.
Net als Les Parapluies de Cherbourg (1964) is deze eerste film van Demy een romantische film die tegelijk antiromantisch is: de dromerige hoofdpersoon krijgt het meisje waar hij verliefd op is niet. En de reden is dat hij niet haar eerste liefde is: de boodschap van de film is dat de eerste liefde de sterkste of ware liefde is. Tegelijk wordt de liefde gekoppeld aan fysieke afstand: mensen die de liefde niet vinden vertrekken om het geluk elders te beproeven en tegelijk is een fysieke afstand een beproeving die ware liefde doorstaat. En mensen reizen naar hun liefde of verlaten juist hun geliefde omdat ze hun werk elders hebben. Of ze reizen naar dezelfde stad zonder elkaar te treffen. Wat de film echter bovenal interessant maakt is de verdubbeling: de kleine Cecilia is een afspiegeling van de oudere Cecilia en lijkt dezelfde toekomst tegemoet te gaan. De films van Demy staan ook qua plot met elkaar in verband zodat ze een eigen universum vormen: zo wordt Roland in Lola afgewezen maar krijgt hij in Parapluies de Cherbourg (1964) wel het meisje dat in die film niet wacht op haar eerste, ware liefde. Zo worden de personen in dat universum steeds ouder, volwassener en cynischer en de films steeds tragischer ondanks hun sprookjesachtige kleuren en musical-achtige vrolijkheid.
Sunfish (& Other Stories on Green Lake) (2025) 4,0
Alternatieve titel: Sunfish and Other Stories on Green Lake, 1 september, 19:56 uur
De film bestaat uit vier korte en alle interessante verhalen en het is wat lastig om de rode draad in deze verhalen te vinden, maar het heeft te maken met een transformatie, een over de drempel stappen waarbij ondanks de moeilijkheid toch een zekerheid aan de oppervlakte komt dat het goed komt. En dat ze alle afspelen rond of op hetzelfde meer in de zomer (zoals ook de zomervakantie zelfs de overgang is tussen twee levensfasen) waarbij het water zelf de problemen lijkt op te lossen alsof het leven een taoïstische stroom is waar je je op kunt en moet laten meevoeren. Het is een bitterzoete maar vooral mooie, warme film. Het is ook de eerste lange speelfilm van Sierra Falconer en ik verheug me nu al op haar volgende film.