Dit is een type film waar ik graag al mijn aandacht aan schenk, een mozaïekvertelling met twee dozijn personages die elkaars pad kruisen en elkaars leven veranderen, of net niet. Altman deed het later nog eens met Short Cuts, we zagen het ook in Magnolia, Bobby, Any Way the Wind Blows en de lichtjes vergeten Vlaamse tv-serie De Ronde.
Altman geeft zijn personages ook veel te doen. Het lijkt alsof ze allemaal op een kruispunt in hun leven belanden, of ze nu hoopvol naar Nashville zijn getrokken of eerder uitgeblust zijn. Lily Tomlin is fantastisch als gospelzingende moeder die zich plots vragen stelt bij haar saaie huwelijk, Ronee Blakley zou echt een country-superster kunnen zijn die bezwijkt onder de druk en het succes, Henry Gibson is dan weer uitstekend als de conservatieve patriot, Keith Carradine is een gladde playboy maar heeft wel de sfeervolste scène en het beste nummer, Karen Black overtuigt met de schaarse minuten die ze krijgt, Gwen Welles is aandoenlijk als naïeve zangeres die niet beseft dat ze het talent niet heeft om het te maken. Enkel Geraldine Chaplin is een valse noot als de karikaturale BBC-journaliste, die erin lijkt geschreven om verhaallijnen aan elkaar te lijmen. Politiek speelt een grote rol in de film, met de nakende tweehonderdste verjaardag van een natie die in brand staat en de felbevochten verkiezingen in aantocht, maar de personages hebben andere kopzorgen. Misschien is dat wel de metafoor die Altman wil tonen: terwijl het land op een kruispunt in haar geschiedenis staat, gebeurt hetzelfde met haar inwoners.
Zoals vaker met mozaïekfilms heeft ook dit oervoorbeeld zijn gebreken. Er zit een behoorlijke portie willekeurigheid in die ik soms moeilijk kan plaatsen, van de gastoptredens van Julie Christie en Elliott Gould tot de onverwachte climax. Opvolgers van Nashville spelen zich opvallend vaak af op één dag, dus dacht ik dat dit hier ook het geval zou zijn, maar hier waaiert de actie uit over vijf dagen, waardoor het ook allemaal wat urgentie verliest. En sommige liedjes zijn echt te lang en te veel, waardoor de beklijvende en goed geschreven nummers die een wezenlijk onderdeel zijn van het verhaal, soms naar de achtergrond dreigen te verdwijnen. Maar voor tweeënhalf uur zat ik helemaal in Nashville in de jaren zeventig en wou ik nergens anders heen.
Je hebt deze film al eens gezien. Meer zelfs, knip wat stukken uit Garden State, Frances Ha, The Worst Person in the World en Silver Linings Playbook en maak je eigen Cha Cha Real Smooth. Een twintiger die net de hogeschoolbanken heeft ingeruild voor het echte leven ontdekt dat het toch allemaal niet zo smooth gaat, de rest van de film laat zich raden. Cooper Raiff maakt de hachelijke keuze om te regisseren en tegelijk de hoofdrol te spelen, waarbij de branie die de onzekerheid maskeert van zijn personage nu eens charmeert, dan weer op de zenuwen werkt. Diezelfde tweestrijd beschrijft ook de prestatie van Dakota Johnson, die nu eens betovert, dan weer op automatische piloot haar rol invult. Waarom heb ik deze film dan toch gezien? Omdat de tieners opvallend sterk acteren, dat is zeker. En omdat hij met weinig middelen gemaakt is, maar wel met een hart, wat altijd bewonderenswaardig is.
Deze film is vandaag een beetje vergeten, ondanks de faam van Robert Altman, de Gouden Palm die hij won en de tv-serie die hierop volgde. En misschien gelukkig maar, want veel memorabels bevat MASH niet echt. Ik kan me inbeelden dat dit in 1970 insloeg als een bom, want hoewel de film zich in de Koreaanse Oorlog in 1951 afspeelt, is het niet moeilijk om te zien dat hij tegelijk kritiek levert op de oorlog in Vietnam. Maar wat schiet daar nu nog van over? Lompe grappen die waarschijnlijk scherp bedoeld waren (over zelfdoding, homoseksualiteit, pestgedrag) met al even lompe personages. En dan mondt het nog eens uit in een eindeloze footballwedstrijd waar niemand een zier om geeft. Enkel goed voor de film-encyclopedicus die alle Gouden Palm-winnaars, alle films van Altman of van het New Hollywood uit die dagen wil zien, voor de rest maar verder vergeten.