Harry Potter and the Order of the Phoenix (2007) 3,0
Alternatieve titel: Harry Potter en de Orde van de Feniks, 26 februari, 23:15 uur
Het zoveelste deel. Ik kijk dit met mijn zoon van 11, die de boeken heeft verslonden. Voor lezen heb ik weinig tijd, en als ik lees, dan zeker geen fantasy. Maar een film is een hapklare maaltijd die ik wel tussendoor kan verorberen. En met mijn zoon is het altijd gezellig.
Kwalitatief is dit deel wederom oké. De effecten zijn goed, het acteerwerk idem dito. Maar zoals dat gaat bij films gebaseerd op boeken, mis je veel details en nuances en onderhand begint dit me op te breken. Ik ben murw gebeukt door het hoge tempo waarin tovenarij mumbo jumbo op me wordt afgevuurd. De zoveelste rare onzin wordt geïntroduceerd en door mij onthaald met toenemende desinteresse. Zo heeft Hagrid ineens een reus als halfbroer, die in het bos leeft als Sloth uit The Goonies.. Zo was er wel meer, maar ik ben het ook alweer vergeten.
Een spaarzaam hoogtepuntje is een confrontatie tussen Voldemort en Dumbledore, dat deed denken aan Darth Vader versus Obi-Wan. Het kan niet anders of bij Rowling moet dit tijdens het schrijven ook door het hoofd geschoten zijn. Gek genoeg zit Harry Potter er dan passief en stompzinnig naar te kijken als een hert naar de koplampen van een Volvo. Daardoor wordt een scène die tot nu toe de apotheose van de filmreeks is, een onbegrijpelijk en anticlimactisch tafereel.
De trailer van de volgende film (Halfblood Prince) belooft een overgang naar de 'echte wereld'. Eindelijk.
Vandaag hadden mijn kinderen wat pre-puberende vriendjes als logées en wat doe je dan? Precies hetzelfde als 40 jaar geleden. Een knokfilm kijken natuurlijk. En wat voor één. In het canon van knokfilms heeft Bloodsport toch echt wel een welverdiende plaats.
Na een paar bijrollen, betekende Bloodsport de grote doorbraak van Van Damme in Hollywood - dankzij Cannon films, de studio die de tachtiger jaren ook luister bijzette met foute quatsch als de American Ninja-reeks en de Missing in Action films met Chuck Norris. Pure pulp, maar altijd een feestje.
Na recent een paar American Ninja films te hebben gekeken met mijn zoontjes van 8 en 11, is de choreografie in deze film wel een verademing. De meesten acteurs hebben daadwerkelijk hun sporen in de vechtsport verdiend voordat ze hun trucjes voor een camera deden. De gevechten zijn daardoor niet altijd geloofwaardiger, maar wel leuker om naar te kijken. Het is lekker vlot en vet lekker.
De rol van een Afrikaanse vechter die rond hupt als een chimpansee did not age well, zouden ze in het Engels zeggen, maar het draagt alleen maar bij aan de kolderieke, dikke jaren 80 vibe. Als Frank Dux op zeker moment wordt achtervolgd door twee agenten in Hong Kong vliegt de kolder wel wat uit de bocht, helemaal wanneer ze Vlugge Japie-style in het water donderen. Maar wat deert het.
Dat hij het vooral moet hebben van zijn moves heeft wel een forse weerslag op de acteerprestaties van Van Damme: fysiek is hij uitmuntend, maar qua acteerwerk is het groep-8-musical niveau. In latere films werpen acteerlessen hun vruchten af en is hij minder houterig.
Ook de meeste andere acteurs lepelen hun zinnetjes op met een spraakgebrek, een lichte beroerte of ze zijn de Engelse taal helemaal niet machtig, geen idee, maar het doet gewoon pijn aan je balzak om er naar te luisteren. Het totale dieptepunt is de jonge versie van Frank Dux in een flashback aan het begin van de film. Deze rol wordt vertolkt door één of andere loensende Franse jongeman met het syndroom van Down. Die kwibus hebben we sindsdien ook nooit meer terug gezien - niet zonder reden. Hij levert zijn dialogen met minder emotie dan Stephen Hawking.
In het land der blinden is éénoog koning, en de koning dat is Bolo Yeung. Maar dat spreekwoord doet eigenlijk geen recht aan zijn fenomenale acteerprestatie als één van de meest memorabele schurken uit de filmgeschiedenis. Zijn fysiek als Chong Li is imposant, zijn vechtkunst is authentiek en elke blik, mimiek en spaarzame monoloog zit vol emotie, minachtig en vooral pure, voelbare haat. De film kent een zorgvuldige opbouw naar een ultieme showdown, begeleid door heerlijke opzwepende synthesizer klanken van Paul Hertzog.
Als kers op het toetje wordt er nog een tekst in beeld geprojecteerd over de prestaties die de echte Frank Dux zichzelf heeft toegedicht; allemaal wapenfeiten die achteraf compleet verzonnen bleken. En ja, ook dit maakt de film alleen maar beter.
Een bijzondere film. Het heeft drama, spanning, humor, maar is lastig in te delen. "Komedie" is echt te kort door te bocht, al valt er wel degelijk flink wat te lachen. Roofman is onderhoudend, goed gespeeld en als je het echte verhaal niet kent - dat trouwens zeer goed gevolgd wordt - dan is het ook enorm spannend. Dunst blijft echt een hele goede actrice vind ik, maar ook Tatum laat zich niet wegspelen door haar.
4 sterren
De Duitse taal staat 'maar' op plek 11 of 12 van meest gesproken talen ter wereld, dus wie heeft het nou door als je hoofdrolspeler steenkolenduits praat van een niveau waar een brugklasser nog het schaamrood van op de kaken krijgt?
In klassiekers als "The Longest Day" hadden we nog echte Duitsers die Duits spraken, maar ergens in de jaren 80 is het - waarschijnlijk sinds de 'Duitse' terroristen in Die Hard - helemaal mis gegaan.
En nu hebben we een prima film, met een steengoede Russell Crowe, die overschaduwd wordt door zijn belabberde Duitse uitspraak. Het totale disrespect voor de 135 miljoen mensen op aarde die enigszins weten hoe Duits hoort te klinken, is stuitend en geeft me al decennia acute oorschurft. Fickt euch, Hollywood.
Dat gezegd hebbende, is dit een onderhoudende, gedramatiseerde maar in grote lijnen historisch accurate film die ondanks de bekende afloop continu boeit.
Russell Crowe zou van mijn brugklasdocent Duits subiet een 1 krijgen op uitspraak, maar doet het verder uitstekend, en acteert vaak subtiel met houdingen, kleine bewegingen en gezichtsuitdrukkingen die alles zeggen.
Malek heeft zo'n lastig, specifiek markant hoofd dat er maar weinig rollen zijn die echt bij hem passen, en dit is daar niet één van. Hij schitterde als Freddie Mercury, juist omdat dat ook zo'n uitgesproken figuur was. Hier doet hij het redelijk, maar net als in een vorige film die ik met hem zag - The Amateur - leidt zijn typische hoofd af van de inhoud.
American Ninja II heb ik met mijn zoontjes van 8 en 11 gekeken. Ze hebben dezelfde leeftijd als ik destijds en beleefden evenveel plezier. Het aardige, maar niet bijzondere eerste deel smaakte bij hen naar meer, ondanks dat ze anno 2026 eigenlijk veel te verwend zijn met veel duurdere, betere en spectaculairdere CGI producties.
Dit vervolg overtreft het eerste deel op alle fronten. Direct na de opening credits gaan we vol gas en dit stopt pas bij de aftiteling. Een scène bij zonsondergang met Joe Armstrong en het knappe-meisje-van-dienst geeft een paar minuten exposition en adempauze, om direct daarna verder te knallen.
Dudikoff is nog altijd een houten klaas en sommige moves zijn belachelijk traag met die lange stelten van hem, maar de choreografie is veel beter dan in deel 1, zodat het minder opvalt. Een Ong Bak of The Raid is dit nog altijd niet, maar voor de doelgroep goed genoeg. De gevechten zijn veel afwisselender en iedereen is veel vindingrijker. De eerder genoemde menselijke ladder van ninja's op een rots is fantastisch.
Natuurlijk zitten er stupide dingen in, zo laat Armstrong in het begin talloze zwaarden van uitgeschakelde tegenstanders liggen, en verkiest hij een houten stok uit zijn boot als wapen. Die blijkt van zeer hard tropisch hout, want de zwaarden van de ninja's komen er niet doorheen. Maar hey, dit is ook geen Schindler's List qua niveau.
American Ninja II brengt echt alles samen wat de 80s zo cool maakt. Van de opening met motoren en synthesizers tot de de slapstick barfight met Armstrong en Jackson tegen hordes oliedomme pummels, die niet zou misstaan in een Bud Spencer en Terence Hill film. De talloze touch me and I die ninja's die ten tonele verschijnen met non-functionele salto's, de pornosnor en het Iceman uit Top Gun-kapsel van de commandant, het tropische eiland, een plot met een megalomane schurk en genetisch gemodificeerde supersoldaten, de mysterieuze rechterhand van de slechterik die demonstreert hoe goed hij is door 20 van zijn ondergeschikten koud te maken, het zwembroekje van Steve James waardoor je bijna kunt zien welk geloof hij aanhangt, en de met steel drum gelardeerde filmmuziek die moet onderstrepen dat de film zich afspeelt in Caribisch gebied, maar continu doet denken aan Caribisch Carnaval van Bassie en Adriaan.
Als hardcore Arnold Schwarzenegger fan moet je natuurlijk niet bij mij zijn met een remake van zijn films. Al is het origineel uit 1987 dermate 80s action cheese dat een kopie nu niet meer zou werken. Direct was duidelijk dat deze film heel anders ging zijn. Sterker nog: het is niet gebaseerd op de originele film, maar op een verhaal van Stephen King, waar de film met Arnold cum suis destijds ook de inspiratie vandaan haalde.
Sterker nog: deze nieuwe adaptatie volgt het verhaal uit het boek voor zeker 90%, waar de film uit 1987 blijft steken op 50%, is mijn schatting.
De trailer van The Running Man beloofde een actiefilm in de hoogste versnelling. En ja, die krijg je! Glen Powell dendert met de charme van een jongere versie van Brad Pitt door de film heen en eigenlijk verveelt het nergens.
Wat je ook krijgt - maar waar je niet op rekent - is een heel aardig vormgegeven wereld in de nabije toekomst, waarin één groot bedrijf bijna alles in de maatschappij bepaalt. De kleding, auto's, gebouwen, technologie en algehele dystopische sfeer is heel erg prettig.
Het lijkt nog het meest op het beeld dat we in de jaren 80 van de toekomst hadden. Een soort retro-futuristisch, zeg maar. Het smaakt naar Total Recall, Robocop en zelfs een beetje naar Escape from New York. Maar dan wel met oud-president Schwarzenegger op de "New Dollar" biljetten, en een straat genoemd naar Obama.
Er gebeurt van alles in de film en hij zit volgepakt met verschillende toffe actiemomenten op allerlei locaties.
Toch lijkt erop dat ze begonnen zijn met filmen toen het script maar voor driekwart af was. Want de laatste act is zwak. Er gebeuren vreemde, inconsistente dingen en het verhaal vliegt uit de bocht. Ook is de hand van Edgar Wright er amper in te herkennen. Hij staat voor gekke visuele grapjes en vlotte, adrenalinepompende montage. Daar zien we weinig van. En hoewel het een vlotte film is, is het geen echte Wright-film.
Ook zijn de kleurrijke personages die Ben Richards gaandeweg ontmoet, niet erg sterk geschreven, met de rare bebaarde Michael Cera als dieptepunt.
Zeker niet slecht. Powell is definitief een nieuwe ster aan het firmament, maar een topfilm is dit niet.