Alternatieve titel: Guardians of the Galaxy 3, afgelopen maandag om 23:43 uur
Na de ultieme showdown in Avengers Endgame - de naam zegt het eigenlijk al - blijft het Marvel filmuniversum een beetje voortsukkelen. Want wat moet je nog nadat het leven van letterlijk de halve bevolking van het heelal op het spel stond? Hoger kunnen de stakes nooit meer worden. Marvel weet het ook niet zo goed. De eindeloze stroom superheldenfilms die Marvel op ons afvuurt bevatten dan ook veel meer oninteressante films of zelfs complete flaters tussen dan vóór die eindstrijd met Thanos.
Wakanda Forever is een voorbeeld van zo'n oninteressante film en Ant-Man and the Wasp: Quantumania kun je gerust een flop noemen. Het is dan des te wonderlijker dat dezelfde studio, direct na voornoemde flop, dan toch weer met een ontzettend gave film op de proppen komt.
Guardians of the Galaxy Vol. 3 is objectief bezien allicht een beetje by the numbers, maar de uitvoering is geweldig. De humor is consistent grappig. De gevechten zijn leuk in beeld gebracht en het achtergrondverhaal van Rocket is aangrijpend. Ja, als veertigplusser zat ik gewoon met een brok in mijn keel te kijken naar de origin story van Rocket. Zowel de flashbacks als de scène dat zijn cirkel rond is en hij zichzelf accepteert. Alles op mijn scherm was digitaal uitgepoept door de computer, maar het had desondanks het beoogde effect op mij.
Ook zo'n mooi moment: ik zei tegen mijn zoon dat de slechterik (de High Evolutionary) mij een beetje aan Robocop deed denken en prompt wordt hij door Peter Quill als zodanig betiteld in een prachtige scheldkanonnade gelardeerd met 80s popcultuur.
Verder krijgen we nog een een ietwat saaie cameo van Sylvester Stallone, maar ook een grappige bijrol van Nathan Fillion en enkele seconden Michael Rooker. Leuk!
Al met al een meeslepend spektakel van begin tot eind en een waardig einde aan de Guardians trilogie. Tevens een prima moment voor sommige karakters om ermee te stoppen.
Tot slot nog even een speciale vermelding voor de fantastische filmscore van John Murphy die bepaalde momenten nog meer impact gaf.
Alternatieve titel: Ant-Man 3, afgelopen zaterdag om 11:19 uur
De serverparken hebben weer overuren gedraaid bij deze Marvelfilm, want zelden leunde een film zo zwaar op een volledig uit de computer geperste wereld als deze. Zelfs voor Marvelbegrippen is dit een absolute greenscreen-overkill.
Het helpt daarbij niet echt dat de de wereld waarin 90% van de film zich afspeelt, het 'quantum realm', mij ook in eerdere Ant-Man afleveringen al niet aansprak. Gelukkig was die wereld toen slechts korte tijd in beeld, maar hier duiken we er twee uur lang in. We ontdekken dat er veel meer te beleven valt dan we eerder zagen: er wonen mensen, hele beschavingen. Het zal allemaal wel.
Puberdochter Cassie is ineens een supergenie: ze zou eigenlijk moeten experimenteren met de Satisfyer van haar moeder, maar ze heeft blijkbaar zo'n enorm IQ dat ze een portaal naar de quantum realm heeft gebouwd.
En dan die "Mordok": met afstand het dieptepunt van de film. Niet alleen is het een stom personage, hij lijkt ook enorm lelijk gemaakt met een 386 computer waarop je oma nog brieven aan de consumentenbond schreef in Wordperfect 5.1. Daar kan een amper geestige cameo van Bill Murray ook niets meer aan goedmaken.
Jonathan Majors maakt van de schurk Kang geen onaardige tegenstander: zijn kalme, berekenende houding is dreigender dan een schreeuwende, boze slechterik. Maar doordat Majors is gecanceld wegens huiselijk geweld gaan we Kang niet meer terugzien in het MCU.
De setting spreekt me dus niet aan, maar helaas wordt dat ook niet gecompenseerd door toffe humor, spannende intriges, spetterende actie of weergaloos acteerwerk. Het is een formulewerkje dat Kang moest introduceren, maar door voornoemde perikelen komt daar dus niks van terecht. Dat maakt deze hele film eigenlijk overbodig.
Op sites waar je films kunt beoordelen wordt dit vierde deel uit de American Ninja reeks vaak nèt iets beter beoordeeld dan het derde, omdat Joe Armstrong (Michael Dudikoff) na een afwezigheid in deel drie, weer terugkeert.
Hier kan ik mij niet in vinden: het is ondanks Dudikoff echt bizar veel slechter dan alle voorgaande films. Ik laat hierbij het extreem kinderachtige vijfde deel buiten beschouwing omdat dit niks met de rest van de reeks te maken heeft, maar louter om marketingtechnische redenen onder het American Ninja label werd uitgebracht.
Deze vierde film is opgenomen in Lesotho. Het schijnt dat Dudikoff na de opnames voor deel twee in Zuid-Afrika daar niet meer heen wilde wegens de mensenrechtensituatie, en bedankte voor deel drie. Blijkbaar vond hij het in Lesotho beter geregeld, maar deze film werd er bepaald niet beter van.
Het draait zoals gebruikelijk weer om een megalomane gek met kwaadaardige plannen die een leger ninja's tot zijn beschikking heeft. Tot zover prima. Maar de incompetentie, het extreem lage budget en rare grillen van de makers spatten er vanaf. Ten eerste doet Steve James niet meer mee als Curtis Jackson. Door de afwezigheid van zijn laconieke personage neemt de film zichzelf vreselijk serieus en dat werkt enorm averechts wanneer de kwaliteit zo belabberd is.
Het personage Sean Davidson (David Bradley) was in deel drie nog een karatekampioen met ninja-opleiding, maar is hier ineens een doorgewinterde CIA-agent. Hij krijgt hulp van een kloon van Chris Rock. Hij moet een Delta Force team redden. Dat Delta Force team (allen gespeeld door lokale Zuid-Afrikaanse acteurs) is op de vlucht voor de ninja's en toont op geen enkel moment blijk van training, instinct of welke kennis van krijgskunst dan ook. Het kan zijn dat men hier 37 jaar geleden niet zo op lette als vandaag, maar veel onrealistischer kan het niet. Het is alsof de Jostieband hun muziekinstrumenten heeft ingeruild voor vuurwapens en op missie is gestuurd.
De reddingsmissie van Sean gaat niet zoals gepland en dan toont de film zoetjes aan ook een ander gezicht. De schurk, zijn domme Louis des Funes sidekick en een als Arabier verklede Brit sjokken aanvankelijk nog een beetje als Baron, B2 en Vluggie Japie van scène naar scène, maar dan is daar ineens een zweep, bloed, een vrouwelijke gevangene die in haar tieten wordt geknepen, een kerel die in brand gestoken wordt - de makers besloten van een prima 12-rating die de vorige delen hadden, een tandje bij te zetten en te gaan voor een 16-rating. Daar kwam ik dus pas achter toen ik het opzocht op IMDB. Daar zit je dan met je zoontjes van 8 en 11, die genoten hadden van de eerste drie films, maar dit allemaal best heftig vonden.
En als het nou in dienst was van een lekkere payoff, nee.
Michael Dudikoff verschijnt ineens in beeld. Een kundig regisseur zou eerst zijn voeten in beeld brengen... Dan van achteren... Steeds verder inzoomen... En geleidelijk onthullen dat het de held van de eerste twee films is! Zo niet de waardeloze Zuid-Afrikaanse TV regisseur Cedric Sundstrom. We zien Sean Davidson in de penarie, dan ineens een nieuwe scène, deurtje gaat open, hopla, Michael Dudikoff loopt naar binnen. Zo jammer dit.
Maar we hebben natuurlijk nog het moment dat ze samen een leger ninja's gaan verslaan! Een beetje zoals Captain Kirk die samenwerkt met Jean Luc Picard. De twee American Ninja's, samen tegen het kwaad! Maar nee, de climax van de film heeft een hopeloos tempo, onbegrijpelijke keuzes, talloze ninja's die passief toekijken en zich één voor één tot moes laten slaan. We zien dat sommige ninja's ook duidelijk een vrouwelijk gezicht hebben, maar als ze een slag voor de hasses krijgen dan horen we wel een mannelijk "ooompfff".
Ondertussen heeft Armstrong ook de hulp ingeroepen van een dorp met rebellen, die zo lijken weggelopen van een Mad Max-set. De meest kolderieke leernichten en met spikes en hanekammen getooide zwarte Afrikanen verschijnen in eclectisch opgelapte automobielen. Het is een lachwekkend pastiche van postapocalyptische sci-fi en zwakke 80s ninjafim. De rebellen hebben een basis met een uitkijkpost zonder trap omhoog (hoe komt de uitkijk daar in?), bovendien met de enige opening van de uitkijkpost niet naar de weg gericht, maar naar het kamp zelf.
Maar de film heeft ook zijn momenten, maar die zijn dan ook weer van het type "zo slecht dat het weer goed wordt". Zo vingen de helden in alle voorgaande delen geregeld pijlen met hun hand, maar hier doet Dudikoff er nog een schepje bovenop door dit nu met zijn tanden te doen, en met die pijl, nog in zijn mond, vervolgens iemand dood te steken.
Maar dat kan niet voorkomen dat dit de slechtste B-film is die ik in lange tijd heb gekeken. Ik kan me ook niet herinneren dat ik deze in mijn jeugd gezien heb (alle andere delen wel).
Dog Man heeft een originele, frisse visuele stijl. Daarmee is alle goed gezegd. Het is zéér druk en irritant en doet denken aan het vreselijke drukke LEGO City op Netflix, ook omdat de (Nederlandse) stemmencast deels overeenkomt (met name de vrouwelijke stem). De reporters die continu in beeld komen zijn echt onuitstaanbaar.
Verder wordt er wel heel gemakkelijk gedacht over de hoofdpersoon, een soort combinatie tussen Frankenstein en Robocop. Dat het hoofd van een hond op het lichaam van een man wordt gezet is echt volkomen achterlijk en heeft talloze implicaties waar de film precies nul aandacht aan besteedt.
Heel bizar en vervreemdend. 2 sterren waarvan 2 sterren voor de stijl. De rest is idioot.
Alternatieve titel: American Ninja 3, 13 maart, 21:24 uur
Herzien na ruim 30 jaar.
De vorige keer zal ik een jaar of 12 geweest zijn en keek ik de Duits nasynchroniseerde versie op RTL. Destijds bood de Nederlandse TV amper meer dan Ron's Honeymoonquiz en AVRO Service Salon. Voor coole shit keek je naar de Duitser. Zoals Knight Rider: ein Auto, ein Komputer, ein Mann. Of Das A-Team. Of... inderdaad: American Ninja.
Als kind zie je natuurlijk niet dat dit een zwakke B-film is, al herinnerde ik me wel dat ik het plot wat warrig vond. Met de ninjameester die gekidnapt werd, en dat was dan nep, maar waarom? Ik wist het toen niet eigenlijk nog steeds niet. Nou ja, ik snap het wel, maar begrijp het niet, zou Bassie zeggen.
Het plot rond de megalomane schurk zit namelijk niet erg logisch in elkaar. Maar er is meer. Je kunt het niet over deze film hebben zonder die scène te noemen waarbij ze met een ultralight vliegtuigje op een vrachtwagentje landen. Dat hele gebeuren leek ad hoc in de film geschreven. En dat jongere broertje van Sean, aan het begin, dat nooit meer in het verhaal terugkomt. Of alle houterige dialogen, plotwendingen en scènes die amper verband met elkaar houden. Sean gaat naar een minister, Jackson naar het politiebureau en tussendoor liggen ze lekker op het strand te chillen. Sean was toch in paniek omdat zijn leermeester is gekidnapt? Nou ja, gekidnapt of niet, even bijkleuren op het strand kan altijd. Dex is ook nogal toondoof, want nog geen 30 seconden nadat Sean de situatie uitlegt, stelt Dex voor om achter de wijven aan te gaan en wijn te zuipen.
Desalniettemin verdient American NInja 3 het niet de haat die het krijgt. Haat, en absurd lage beoordelingen. Want David Bradley kan echt wel wat. Hij heeft niet enorm veel dialoog en de paar zinnetjes die hij moet oplepelen doet hij verdienstelijk. Beter dan Jean Claude van Damme in zijn eerste films, in elk geval. En net als Van Damme heeft Bradley zijn sporen in de vechtsport ruim verdiend voordat hij zijn kunstje voor de camera ging doen.
Dat maakt hem geloofwaardiger dan Dudikoff, de eponieme American NInja uit de eerste twee films. Sommige moves zijn echt wel snel en lenig, maar het lijkt alsof de rest van de cast hem niet kan bijbenen want zijn tegenstanders kunnen er weinig van. De choreografie is niet erg sterk. Veel aanvallen lijken duidelijk geanticipeerd en tegenstanders wachten netjes op hun beurt, ook al hebben ze ruimschoots de kans om de hoofdpersonen van achteren neer te steken of anderszins uit te schakelen.
Dit alles maakt dat ik toch wel een halfje van mijn jeugdherinnering-stem af trek, en we houden dan 2,5 over.
Mijn zoontjes - van dezelfde leeftijd als ik destijds - vonden het wel weer prima en kijken, net als ik, uit naar het vierde deel.
Aldus luidde mijn inschatting op voorhand en uiteraard had ik gelijk. Iets nieuws probeert War Machine nergens. Zelfs de titel is flauwer dan een filetlapje in het verzorgingstehuis. Maar dat maakt deze Netflix productie niet minder vermakelijk! De 16+ rating helpt de film een eind op weg, dus bloed en gore hebben we alvast.
Na de introductie middels een flashback, volgt een training met de obligatoire drill instructor. Zijn stem en dictie evoceert de legendarische R. Lee Ermey, maar het is zó clichématig uitgevoerd dat het neigt naar de ietwat goedkope atmosfeer van een computergame. Maar goed, dit alles dient natuurlijk om onze hoofdpersoon een beetje te leren kennen en onderwijl de frisdrank en popcorn op de meest ergonomisch bereikbare plek op de salontafel te positioneren. Prima.
Maar dan: de wat men in jargon "Chekhov's Guns" noemt, zijn helaas makkelijker te spotten dan een neger bij een KKK-rally.
Zaken die in het begin van de film ogenschijnlijk toevallig en terloops getoond of besproken worden, komen vroeg of laat terug als cruciaal plotelement. De kunst is om deze een beetje te verstoppen in een script, maar regisseur Patrick Hughes duwt het in je gezicht alsof je cognitief ernstig zwakzinnig bent. Door deze intellectuele minachting van de kijker weet je vijf minuten na het begin al welk konijn uit de hoge hoed vijf minuten voor het einde zal zorgen voor de genadeklap.
Net voordat de introductie begint aan te slepen, gaan de Rangers-in-spé op hun laatste trainingsmissie. Dit ontaardt in een spectaculaire tocht vol ontberingen die de beste elementen leent uit allerhande steengoede films als Predator, Deliverance en Lone Survivor. De setting in de bergen van Colorado is weer eens wat anders dan een kleffe jungle, maar verder blinkt het niet uit in originaliteit. Desalniettemin is het degelijk uitgevoerd en is War Machine een meeslepende belevenis om te kijken wie van de groep het zal overleven en wie niet. In die zin is het jammer dat de diverse personages niet nog wat verder worden uitgediept, want hoe meer je van iemand weet, des te meer je geeft om het lot van dat personage.
Wel prettig is dat je als kijker iets meekrijgt van het grotere plaatje rond de 'war machines'. Dit had ook zo'n film kunnen zijn waarbij de kijker in het ongewisse blijft, zoals bij Predator (maar die was dan ook zo absurd steengoed dat het geen afbreuk deed aan die film).
Hoewel er zeker wel wat op aan te merken is, is het echt te makkelijk om dit weg te zetten als formulematige bagger - de film wil mooi huiskamer-popcornvermaak zijn en is daar in geslaagd. Alan Ritchson is ook gewoon een sympathieke beer van een kerel. Door je oogharen heen gezien is dit een soort lange Reacher aflevering, maar dat is niet erg.
De vraag is wel of de war machines interessant genoeg zijn voor een sequel. Dat hangt uiteraard van de kijkcijfers af, maar de deur staat alvast wagenwijd open voor een vervolg. En daarover zeg ik nu alvast, wederom: het is wel Netflix dus waarschijnlijk wordt het een simpele cash grab. Boeie. Ik ga hier wel lekker voor zitten als hij uit is.
Alternatieve titel: De Wraak van Jafar, 8 maart, 18:11 uur
The Return of Jafar stamt uit een tijd dat Disney begon met vervolgen op kaskrakers. Die heb ik altijd gemeden als de pest. Ik heb ook nooit begrepen waarom Disney de impact van sterke films zou 'verdunnen' met matige vervolgen, al laat de reden zich natuurlijk raden. Hoe meer de personages "top op mind" zijn bij het jonge publiek, des te meer Disney broodtrommels er worden verkocht.
Zo kreeg rond dezelfde periode ook The Lion King allerlei slappe vervolgen. Deze tweede Aladdin-film wordt alom verguisd wegens een inspiratieloos verhaaltje, saaie liedjes en slechte animatie. En daar sluit ik me bij aan.
Het is een lang uitgesponnen aflevering van een derderangs zaterdagmorgen-cartoon uit 1984, kwalitatief matig qua animatie en het voelt in niets als een vervolg op een beroemde Disney-film. Volgens Wikipedia zit er ook nul komma nul overlap qua in de mensen die aan beide films hebben meegewerkt, op een deel van de voice cast na. Dat zegt ook wel wat.