- Home
- Point of View
- Meningen
Meningen
Hier kun je zien welke berichten Point of View als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Sadist, The (1963)
Alternatieve titel: Profile of Terror
Onlangs deze film bekeken op YT, en was aangenaam verrast. Op het eerste gezicht lijkt het niet meer dan een goedkope exploitation-flick, maar regisseur James Landis weet het beste te halen uit een simpele setting en doseert spanning zorgvuldig. Resulterend in een aantal verrassende momenten tegen het einde van de film. Ook het camerawerk van Vilmos Zsigmond maakt vakkundig gebruik van de spaarzame omgeving, resulterend in een aantal onverwacht nagelbijtende momenten.
Jammer vond ik alleen dat de grimmige intro niet in verhouding staat tot de rest van de film, en dat acteur Arch Hall Jr. op veel momenten bijna potsierlijk schmiert (zijn grimassen zijn eerder karikaturaal dan gevaarlijk). Hetzelfde geldt voor actrice Marilyn Manning, die op een wel erg nadrukkelijke wijze een vroegrijp kindvrouwtje neerzet.
Hoewel The Sadist (1963) en Badlands (1973) beide gebaseerd zijn op de Starkweather/Fugate zaak,
is Terrence Malick's film veruit superieur. Maar misschien is die vergelijking niet helemaal eerlijk, daar regisseur Landis immers niet kiest voor de psychologische benadering van zijn personages waarvoor Malick opteert, maar ze in plaats daarvan vooral neerzet als eendimensionale sadistische criminelen. Ook is de toonzetting van Landis' film meer gebaseerd op rauwe spanning, itt het bijna dromerige karakter van Badlands. Vermoedelijk een keuze die Landis maakte om meer aan te sluiten bij de verwachtingen van een jong publiek, dat anno 1963 getrakteerd wilde worden op een avondje drive-in vermaak à la Russ Meyer en Roger Corman.
Diegenen die houden van eenvoudige, maar effectieve thrillers kan ik The Sadist aanbevelen, evenals aan diegenen die geïnteresseerd zijn in de Starkweather/Fugate zaak. Hoewel films als Badlands, Kalifornia (1993) en Natural Born Killers (1994) daarin meer te bieden hebben.
Samouraï, Le (1967)
Alternatieve titel: The Godson
Eveneens van invloed op Le Samouraï : Stanley Kubrick's The Killing (1956). Deze film is over de hele linie genomen minder rigide dan Melville's film (zeker waar het de weergave van de personages betreft), maar de nauwgezetheid waarmee de bende van beroepscrimineel Johnny Clay (Sterling Hayden) een overval op een paardenrenbaan uitvoert zal de structopatische Melville zeker hebben aangesproken.
Ook in Kubrick's film ligt de nadruk op het belang van professionaliteit (of de noodlottige gevolgen wanneer het mensen daaraan ontbreekt), en wordt duidelijk dat er niet zoiets bestaat als 'honour among thieves' en dat zelfs de best voorbereide plannen kunnen mislopen - thema's die eveneens terugkeren in Le Samouraï.
Southern Comfort (1981)
Ongetwijfeld één van Walter Hill’s sterkste films, deze parabel over een compagnie reservisten van de Nationale Garde die het in de moerassen van Louisiana aan de stok krijgen met humorloze Cajuns. Deze beginnen, na een uit de hand gelopen grap van één van de soldaten, een guerrilla-strijd tegen de onervaren weekend-soldaten, te beginnen met het doden van hun bevelvoerend officier Poole (Peter Coyote). Terwijl de mannen zoeken naar een uitweg uit de moerassen, realiseren zij zich al snel dat zij te maken hebben met een dodelijke tegenstander, die ook nog eens in het voordeel is door grondige kennis van het terrein. Onderlinge conflicten, de incompetentie van opvolgend officier Casper (Les Lannom) en de voortdurende aanvallen van de Cajuns, zorgen er uiteindelijk voor dat de compagnie langzaam uiteen valt. De uitputtingsslag die de mannen wacht, zal maar door twee van hen worden overleefd.
Southern Comfort wordt gekenmerkt door sterke acteerprestaties van de gehele cast, in het bijzonder Keith Carradine, Powers Boothe en Brion James (in een kleine rol, maar toch), uitmuntend camerawerk van Andrew Laszlo en een magnifieke score van Ry Cooder. Met deze rolprent continueert Hill zijn reeks kwaliteitsfilms, begonnen met Hard Times (1975), The Driver (1978), de inmiddels moderne klassieker The Warriors (1979), gevolgd door de western The Long Riders (1980) op overtuigende wijze.
Velen hier maken de vergelijking met John Boorman’s Deliverance (1972), begrijpelijk gezien de ogenschijnlijke plot-overeenkomsten: een groep mannen komt in een hen vreemde omgeving tegenover een onbekende vijand te staan, waarna alle fysieke en mentale middelen moeten worden aangesproken om te overleven. Maar waar Boorman zich in zijn film richtte op noties rondom mannelijkheid, weerbaarheid, milieu en klasse – zoals ook James Dickey deed in zijn gelijknamige roman waarop de film gebaseerd is, en net zoals een film als Jaws (1975) in feite ook al deed – daar is het Hill in Southern Comfort vooral te doen om de politieke implicaties van het verhaal. De onontwikkelde parttime soldaten van de Nationale Garde, hun incompetente commandant, het schofferende gedrag van het merendeel van de manschappen – zowel tegenover hun nieuwe omgeving als haar bewoners – vormen een nauwelijks verholen commentaar op de manier waarop Amerikaanse troepen zich gedroegen tijdens de Vietnam-oorlog: als respectloze, brute indringers en bezetters, slechts gericht op het beschermen van de eigen belangen. Tijdens hun overlevingstocht door de moerassen openen de soldaten het vuur op nietsvermoedende Cajuns (al is het dan in eerste instantie niet met scherpe munitie), ze vernielen visnetten, stelen kano’s, mishandelen een Cajun-stroper (Brion James) en blazen zijn hut op. Als dan een van hen tegen zijn onzichtbare beulen vertwijfeld uitroept: “I didn’t do anything wrong – I’m not supposed to be here...”, geeft hij daarmee uiting aan de wanhoop van duizenden GI’s die Vietnam nooit meer levend zouden verlaten. Tegelijkertijd zijn we ook getuige geweest van de wreedheden ten aanzien van de Cajuns, en voelen dus ook dat hun gewelddadige optreden grotendeels gerechtvaardigd is.
Southern Comfort is dus, naast een actiefilm, tevens een politieke metafoor voor de Vietnam-oorlog. Een lezing die wordt versterkt door de tekst aan het begin van de film: Louisiana 1973 - dus terwijl het militaire in conflict in Vietnam gaande was (1955-1975), en twee jaar voordat de val van Saigon in 1975 de definitieve nederlaag van de VS inluidde. In dat opzicht is Southern Comfort vergelijkbaar met Robert Aldrich’s zeer sterke Ulzana’s Raid (1972), die een soortgelijke plot transponeert naar de Verenigde Staten aan het einde van de 19e eeuw, waar Amerikaanse cavaleristen jacht maken op een groep Apachen die, aangevoerd door hun flegmatische leider Ulzana (Joaquín Martínez), uit hun reservaat zijn ontsnapt om aanvallen uit te voeren op in de omgeving wonende blanken. Hoewel wreed vechten de Indianen slechts voor hun vrijheid en waardigheid, en zijn in dat opzicht zeker te vergelijken met de Vietcong. Burt Lancaster en Bruce Davison spelen in deze film de rollen van respectievelijk harde, ervaren verkenner McIntosh en naïeve luitenant DeBuin, voor wie dit zijn eerste missie is. Wanneer na een aanval van de Apachen sommige cavaleristen wraak nemen door een aantal gedode Indianen te verminken, reageert DeBuin ontzet en woedend. McIntosh zegt hierover: “What bothers you, Lieutenant, is you don't like to think of white men behaving like Indians. It kind of confuses the issue, don't it?” Waarmee de hypocrisie en het onterechte superioriteitsgevoel van de Amerikanen ten opzichte van hun vijand overtuigend wordt onderstreept.
Veel van Walter Hill’s films richten zich op mannen, hun gedrag en hun onderlinge verhoudingen, een inhoudelijke rode draad die hij deelt met collega-regisseurs zoals John Ford, Howard Hawks, Michael Mann, Sam Peckinpah, Sergio Leone en Jean-Pierre Melville. Ook in hun films ligt het accent veelal op aspecten zoals professionalisme, individualisme versus collectivisme, moed en lafheid en het naleven van een erecode, ongeacht aan welke zijde van de wet men zich bevindt. Goed en kwaad zijn in de films van deze regisseurs niet zozeer externe morele entiteiten (zoals bijvoorbeeld maatschappelijke wetten, regels en voorschriften), maar interne, door ieder individu persoonlijk te beoordelen waarden.
In Southern Comfort komt dat het meest tot uiting in de personages van soldaten Spencer (Keith Carradine) en Hardin (Powers Boothe). Zij zijn duidelijk een stuk intelligenter dan de rest van de manschappen, en zelfs hun officieren. Toch zijn zij slechts soldaten binnen de compagnie, voornamelijk vanwege hun anti-autoritaire houding (nooit verstandig binnen een hiërarchische instelling als het leger) en hun openlijke kritiek op hun bevelvoerders. Al wordt later in de film Spencer wel de onofficiële leider van de manschappen, een positie waarvoor Hardin bedankt. Leiderschap wordt hier dus bepaald door geschiktheid, kwaliteiten en talent, niet door strepen op het uniform. En hoewel zij wel degelijk deel uitmaken van de groep die de wreedheden jegens de Cajuns begaan, staan Spencer en Hardin hier ook kritisch tegenover – voornamelijk omdat zij inzien dat het tegen zich in het harnas jagen van de Cajuns contraproductief werkt: het verkleint de kansen van de soldaten om het ontstane conflict te overleven.
Het zijn dan ook Spencer en Hardin die uiteindelijk de bewoonde wereld halen, al moeten ze daarvoor nog wel een hachelijk avontuur doorstaan. Zij worden door een Cajun met zijn auto opgepikt, en hij belooft hen naar een plek met een telefoon te brengen. In plaats daarvan brengt hij ze naar een Cajun-nederzetting waar de voorbereidingen voor een feest in volle gang zijn, en waar communicatiemiddelen ontbreken. Spencer en Hardin hebben dus geen gelegenheid om hun commandanten te kunnen bereiken om alarm te kunnen slaan. Als het feest begint, en de werkelijke motieven van de Cajuns onduidelijk zijn, komen hun belagers bij het kamp aan voor een laatste treffen met de twee overgebleven manschappen. Ook hier dringt zich weer een vergelijking met Vietnam op: de Vietcong rekruteerde namelijk, naast guerrilla-soldaten, soms ook dorpelingen om hen te helpen. Medeplichtigheid van de ‘goede’ Cajuns wordt dan wel niet bewezen, maar wel geïmpliceerd.
Zoals gezegd overleven Spencer en Hardin uiteindelijk de confrontatie, maar het lijkt een Pyrrusoverwinning. De film heeft namelijk overduidelijk aangetoond dat, hoe oppermachtig het leger en de Nationale Garde ook mogen lijken, er tenminste één plaats is die zich aan hun autoriteit onttrekt en waar de wetten, normen en waarden van de gereguleerde samenleving niet gelden. Zoals de Cajun-stroper die aan hun mishandeling en gevangenschap ontsnapt Spencer en Hardin laat weten: “It real simple... we live back in here... dis is our home, and nobody don't fuck with us (…) You not supposed to say nuttin'... soldier.” Het aangehouden eindshot van de Amerikaanse leger-ster werkt dan ook ambivalent: enerzijds duidt het op de redders die Spencer en Hardin uit hun hachelijke situatie bevrijden, anderzijds kan het ook worden uitgelegd als een beschadigd blazoen van Amerika’s gebroken militaire almacht.
Stepfather, The (1987)
Ben over het algemeen best te porren voor jaren 80 thrillers, maar The Stepfather kon me helaas niet boeien.
Veel te braaf en voorspelbaar en, afgezien van het acteren van Terry O'Quinn, gangbare genre-fare die maar het beste snel kan worden vergeten. Verder hebben de makers wel erg veel facetten 'geleend' van het twee jaar daarvoor verschenen Blackout (1985) - IMDb En diegenen die willen weten waar Joseph Ruben verder nog de mosterd voor deze film vandaan haalde, ga dan eens grasduinen op het internet naar het verhaal van John List (VS 1925-2008).
Tot slot: dat iemand die al jarenlang dubbellevens leidt, en hiermee weg komt door zijn meticuleuze planning en uitvoering, desondanks eens in de fout kan gaan, daar wil ik qua logica nog wel in meegaan. Maar dat deze persoon dan een double-take doet en zichzelf hardop afvraagt 'Who am I here?', dat vraagt toch echt teveel suspension of disbelief. Als denouement is dit echt om te huilen. Van het lachen, wel te verstaan 
