- Home
- Point of View
- Meningen
Meningen
Hier kun je zien welke berichten Point of View als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Targets (1968)
In de jaren 60 van de vorige eeuw nam in Amerika een specifieke vorm van geweld onrustbarend toe: dat van zgn. spree killings: schutters die, zonder duidelijke aanleiding, het vuur openden op hen onbekende mensen. Zo was er de Highway 101 sluipschutter, Michael Andrew Clark, een 16-jarige tiener die op 25 april 1965 vanaf een heuveltop ten zuiden van Orcutt, Californië met een jachtgeweer schoot op passerende automobilisten op de nabijgelegen Highway 101. Dit resulteerde in drie doden en tien gewonden, voordat Clark zichzelf van het leven beroofde. Voordat hij aan zijn dodelijke schietpartij begon liet hij een briefje achter, waarin hij zwoer dat zijn ouders als gevolg van zijn daden ‘duizend doden zouden sterven in de rechtszaal’.
Later richtte de 25-jarige Charles Whitman op 1 augustus 1966 een bloedbad aan, toen hij in en vanaf het observatieplatform van de klokkentoren van de University of Texas in Austin met een arsenaal aan wapens het vuur opende op bezoekers van de campus. Whitman werd uiteindelijk door de politie gedood, maar niet voordat hij vijftien mensen doodde en eenendertig verwondde. Na het bloedbad trof de politie de moeder en echtgenote van Whitman in diens ouderlijk huis aan, door Whitman met messteken om het leven gebracht. Hoewel er signalen waren die wezen op een mogelijk labiele geestestoestand van Whitman, tastte de politie omtrent de motieven van de schutter verder in het duister.
Deze gewelddadige voorvallen vormen de basis van Targets (1968), het regiedebuut van Peter Bogdanovich, die de gebeurtenissen opvallend terughoudend presenteert, wat de film zo mogelijk nog indringender maakt. Targets werd geproduceerd door Roger Corman, de Hollywood-regisseur die bekend stond om het feit dat hij zijn producties voor een grijpstuiver realiseerde, maar desondanks kwalitatieve, aansprekende en commercieel succesvolle films wist te maken. Corman wilde Targets financieren, op voorwaarde dat Bogdanovich horror-coryfee Boris Karloff, onder contract bij Corman, in de film zou gebruiken, evenals scènes uit The Terror, een horrorfilm uit 1963 die mede door Corman werd geregisseerd.
Zo kreeg Targets een dubbele verhaallijn: één over de oudere horroracteur Byron Orlock (Karloff) die voelt dat hij het aflegt tegen de reële verschrikkingen van het Amerika in de jaren 60, en één over 'all American boy' Bobby Thompson (Tim O’Kelly) die, ondanks zijn ogenschijnlijk genoeglijke bestaan, erg duistere gedachten koestert. Wanneer Thompson besluit zijn gewelddadige fantasieën in daden om te zetten, is het een kwestie van tijd voordat hun beider paden elkaar zullen kruisen.
Helaas werd 1968, het jaar waarin Targets werd uitgebracht, opgeschrikt door de moord op senator Robert Kennedy en zwarte burgerrechtenactivist Martin Luther King. Hierdoor besloot Paramount Pictures de film, vanwege de controversiële inhoud, slechts op beperkte schaal te distribueren. Dientengevolge is Bogdanovich’ eersteling een voornamelijk bij cinefielen bekende cultklassieker geworden. Maar de geringe bekendheid van de film doet niets af aan de kwaliteit ervan.
Opvallend aan Targets is de verstikkende burgerlijkheid van de familie Thompson, zeker in het licht van de lossere omgangsvormen die de jaren 60 van de vorige eeuw kenmerkten. De vader (James Brown) is de onbetwiste pater familias, iemand die door Bobby nog steeds met ‘sir’ wordt aangesproken en waarbij de rest van de familie weinig in te brengen heeft. Het pijnlijk keurige formica interieur met ingetogen pasteltinten en het obligate familieportret weerspiegelt de traditionele, conformistische moraal die de Thompsons en een groot deel van de Amerikaanse gezinnen van die tijd er op na houden. Regisseur Bogdanovich geeft het huis van de Thompsons verder een onwerkelijk karakter middels de cartooneske kleuren van het interieur, en het ontbreken van klinken op een groot deel van de deuren. Daarnaast zijn de muren spaarzaam gedecoreerd, en de kamers van het huis erg smal om zo een claustrofobische look te creëren, bedoeld om de verwrongen perceptie van Bobby Thompson weer te geven.
Eveneens kenmerkend is de voorliefde voor vuurwapens en de jacht op groot wild van zowel vader en zoon Thompson, en de notie van mannelijkheid die hiermee verbonden is. In Amerika heeft privé-wapenbezit de vormen van een cultus aangenomen, iets dat door de wapenindustrie en de National Rifle Association (Amerika’s meest prominente belangenvereniging van wapenbezitters) fervent wordt gestimuleerd. Deze verwrongen, bijna religieuze zweem die in de VS rondom privé-wapenbezit hangt is een gegeven dat Targets hekelt. Het mogen dan de schutters zijn die mensen doden, de film laat er geen twijfel over bestaan dat een gereguleerd vuurwapenbeleid talloze tragische schietincidenten had kunnen voorkomen. Of in ieder geval veel minder tragisch had kunnen laten zijn.
Zoals de volgende scène in de film aantoont: tijdens een onschuldig partijtje schieten op blikjes met windbuksen richt Bobby Thompson zijn wapen op zijn nietsvermoedende vader terwijl zijn vinger aan de trekker draalt, alsof hij fantaseert over het idee om op mensen te schieten. Al snel zal Thompson jr. het niet meer bij fantaseren laten – na op een morgen zijn echtgenote, moeder en een boodschappenjongen te hebben gedood neemt hij, in het bezit van een afgeladen plunjezak vol met wapens en munitie, op verschillende plekken in de stad mensen onder vuur, vaak met dodelijke afloop.
De laatste plek waar de jonge schutter toeslaat is een drive-in bioscoop, waar Byron Orlock de vertoning van zijn meest recente film opluistert met een persoonlijk optreden. Camerawerk (László Kovács) en montage maken van deze climax een memorabele nagelbijter, die overeenkomsten vertoont met het meesterlijke Peeping Tom (1960) in de zin dat beide films zinspelen op het invasieve, gewelddadige karakter van film. Michael Powell’s film toont een moordenaar (Karlheinz Böhm) die de doodsstrijd van zijn slachtoffers filmt en middels een op zijn camera gemonteerde spiegel tevens getuige laat zijn van hun eigen sterven.
In Targets schuilt de dood in de film zelf: verscholen achter het filmdoek richt Bobby Thompson zijn wapens op de aanwezigen, die hun aangenaam avondje griezelen ineens veranderd zien in een dodelijk kat-en-muis spel waarbij zij als schietschijf dienen voor een labiele sluipschutter. De zgn. fourth wall, de denkbeeldige wand waarachter het filmpubliek zich bevindt en die de filmische illusie in stand houdt, blijkt niet alleen plotseling te zijn opgeheven, het is juist deze plek van waaruit de dodelijke dreiging komt.
Doordrongen van de ernst van de situatie, gaat Byron Orlock de confrontatie aan met de schutter (en en passant met zijn eigen angsten). Hierdoor is de verbouwereerde Bobby zo ontdaan dat hij het vuur opent op zowel de naderende Orlock als op het filmdoek waarop Orlock eveneens te zien is. Hiermee wordt onderstreept dat voor de labiele, emotioneel onvolwassen jongeman realiteit en fictie beiden even reëel zijn, een dissociatie die hem in staat stelt zonder duidelijke aanleiding en zonder wroeging mensen te doden. Na zijn arrestatie merkt hij zelfgenoegzaam op: ‘I hardly ever missed, did I?’ Achter het onschuldige gezicht van dit grote kind, zo realiseren het publiek en Orlock zich, gaat een waar monster schuil. Maar monsters zijn van alle tijden, evenals het kwaad dat zij aanrichten. Slechts hun uiterlijk verandert. Een feit dat Targets ons op even indringende als meesterlijke wijze toont.
