- Home
- Point of View
- Meningen
Meningen
Hier kun je zien welke berichten Point of View als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Wicker Man, The (1973)
Alternatieve titel: De Gevlochten God
Alle lof voor deze film ten spijt, heeft The Wicker Man (1973) me nooit kunnen bekoren. Daarvoor vind ik de film te Brits, te quirky. Nu is er niets mis met off-beat horrorfilms (ze hebben zelfs mijn voorkeur), maar op de een of andere manier is The Wicker Man gewoon niet 'my cup of tea'. Ondanks dat deze film bijna eigenhandig het voorchristelijke/heidense horror-genre heeft ingeleid, en het prima acteren van Christopher Lee (die zelfs een vurig pleitbezorger van de film was), slaan met name het potsierlijke gehalte van het personage van sergeant Howie (Edward Woodward) en de naakte dansscène van Britt Ekland voor mij de plank volledig mis.
Waarmee ik niet wil zeggen dat Britten geen horrorfilms zouden kunnen maken; verre van. Maar ik heb nu eenmaal meer affiniteit met films als The Innocents (1961) of Night of the Demon (1957) dan met heidense stromannen. Kwestie van smaak.
Wild Bunch, The (1969)
Voor mij is dit met afstand de beste film van Peckinpah, en één van de beste westerns ooit. Geen geringe verdienste, daar het genre tal van klassiekers heeft voortgebracht.
Acteurs zoals William Holden, Ernest Borgnine, Robert Ryan en Edmond O’Brien rollen laten spelen die haaks stonden op de personages die zij gewoonlijk vertolkten was een meesterlijke zet van Peckinpah, vergelijkbaar met Sergio Leone’s keuze voor Henry Fonda als ijskoude killer Frank in het één jaar eerder verschenen Once Upon a Time in the West. Leone wilde zo zijn publiek shockeren – Peckinpah lijkt met zijn casting eerder te willen betonen dat ook outlaws morele wezens zijn, ondanks hun keuze voor een bestaan buiten de wet. Niet alleen maakt dit de personages van Pike Bishop en zijn mannen complexer, het werpt ook vragen op over de ‘rechtschapen’ burgers en wetshandhavers die jacht op hen maken. Want als de bandieten in dit verhaal niet alleen maar slecht zijn, dan (zo toont Peckinpah ons) heeft de gegoede burgerij ook een schaduwkant.
Bovenal is The Wild Bunch meer dan ‘slechts’ een western – het is een bezinning op grote thema’s als tijd, geschiedenis, moraliteit, leven en dood. Preciezer nog: hoe te leven, en hoe te sterven. Pike Bishop en zijn mannen beseffen dat zij anachronismen geworden zijn, die geen plaats meer hebben in het gewelddadige en moreel corrupte nieuwe tijdperk dat zich anno 1913 aandient in de vorm van de Mexicaanse revolutie en niet veel later de Eerste Wereldoorlog. De dood heeft altijd een plaats gehad in de western, maar de schaal waarop de moderne vernietiging zich aandient is ongekend: revolvers worden ingeruild voor machinegeweren, dynamiet voor granaten, paarden voor auto’s (en niet veel later vliegtuigen en tanks). En als meest huiveringwekkende signaal van de nieuwe tijd nemen kinderen met bloeddorstige geestdrift plaats tussen de rangen van volwassen soldaten, waar zij in wreedheid niet voor onderdoen. Sterker nog: zij zijn nog wreder daar het hen ontbreekt aan een moreel kader, waardoor zij een leven niet op waarde schatten.
Het teloorgaan van een tijdperk en het aanbreken van een nieuwe tijd was ook een rode draad in het al eerder genoemde Once Upon a Time in the West (1968). Maar waar regisseur Sergio Leone daar koos voor een melancholieke, elegische toonzetting van zijn magistrale western, is Peckinpah’s kijk op de mensheid in The Wild Bunch een stuk cynischer. Want in hoeverre is het epische vuurgevecht tussen Pike en zijn mannen en de soldaten van Mapache een bewijs van de sterke morele kern van Bishop’s bende, of een nihilistische rechtvaardiging voor het einde dat Bishop en zijn mannen zoeken, en waarvoor elke aanleiding goed genoeg is?
Deze cynische interpretatie daargelaten, toch getuigt de aansluiting bij de Mexicaanse revolutionairen van Sykes en Deke Thornton aan het einde van de film van het feit dat, ook in een nieuwe tijd, rechtvaardigheid en moreel besef hun plaats blijven houden.
Persoonlijk denk ik dat er ook een analogie bestaat tussen TWB en Peckinpah’s gefrustreerde verhouding met Hollywood, waar de compromisloze regisseur vaak te maken kreeg met kortzichtige producenten en studiobonzen die commercie boven artisticiteit stelden. En waar Peckinpah dus moest knokken om zijn films gerealiseerd te krijgen. Maar iedere regisseur die een film als The Wild Bunch op zijn palmares kan schrijven mag meer dan tevreden zijn. Hollywood is bevolkt met lieden wiens werk het oeuvre van Peckinpah nog niet eens benaderen, laat staan evenaren. The Wild Bunch (1969), Ride the High Country (1962), The Ballad of Cable Hogue (1970), Straw Dogs (1971), The Getaway (1972), Junior Bonner (1972), Pat Garrett & Billy the Kid (1973), Bring Me the Head of Alfredo Garcia (1974), Cross of Iron (1977) – het zijn stuk voor stuk kwaliteitsfilms waarin de wereld en de mensheid getoond worden in alle morele complexiteit die bij het leven hoort. Het is deze toewijding aan levensechtheid die Peckinpah maakte tot de onnavolgbare kunstenaar die hij was.
Wolfen (1981)
Regisseur Michael Wadleigh’s Wolfen is één van de meest bijzondere horrorfilms van de jaren 80.
Horrorfilm? Jazeker, hoewel de film ook ingrediënten van een politiethriller en een ecologische thriller in zich draagt. De focus van de film ligt vooral op de (schadelijke) gevolgen van menselijke activiteiten ten aanzien van de natuur, en in dat opzicht haakt Wolfen aan bij films als Frogs (1972), Long Weekend (1978) en Prophecy (1979) – eveneens horrorfilms met een sterke ecologische boodschap. Wolfen appelleert niet aan verwachtingen van recht-toe-recht-aan horror-fans en stelt daardoor, getuige de meeste reacties hier, door de wol geverfde ‘gorehounds’ teleur. Ik ben van mening dat regisseur Wadleigh te prijzen valt om zijn intelligente aanpak en de beladen, dreigende sfeer die hij weet te creëren in plaats van Wolfen te reduceren tot het zoveelste weerwolf-gorefest. Waar, vreemd genoeg, geen weerwolven in voorkomen.
De plot: als NYPD rechercheur Dewey Wilson (Albert Finney) opdracht krijgt de gewelddadige dood van twee society-figuren en hun lijfwacht te onderzoeken in Battery Park, kan hij niet vermoeden dat hij begonnen is aan de vreemdste zaak in zijn carrière. Onderzoek door forensisch arts Whittington (Gregory Hines) toont aan dat de drie personen zijn verminkt door iets of iemand zonder dat er sporen van een wapen op de lichamen zijn achtergelaten. Aangezien het gaat om de dood van de rijke vastgoed-magnaat Christopher Van der Veer en zijn vrouw, wordt in eerste instantie gedacht aan individuen of groeperingen met een terroristisch motief. Samen met collega Rebecca Neff (Diane Venora), die voor een private beveiligingsorganisatie werkt, onderzoekt Wilson sporen in die richting en komt zo in contact met voormalig Indiaans activist Eddie Holt (Edward James Olmos). Dan duikt er een tweede lichaam op in de South-Bronx, een door armoede, criminaliteit en verpaupering geplaagde achterstandswijk. Er blijkt een verband tussen beide zaken wanneer er op meerdere lichamen wolvenharen worden aangetroffen. Dit leidt Wilson en Neff naar een mysterieuze verlaten kerk in de South-Bronx, waar zij op hun sinistere tegenstander stuiten. Midden in New York blijkt zich al generaties lang een roedel urbane wolven te bevinden (door de Indianen ‘wolfen’ genoemd). Een nieuw gentrificatie-project van Van der Veer, waarbij achterstandswijken worden gesloopt om plaats te maken voor dure nieuwbouw, bedoeld voor de meer vermogenden, bedreigt echter hun habitat. De 'wolfen' doodden Van der Veer om deze dreiging af te wenden, niet beseffend dat de dood van zo’n belangrijke figuur hen uiteindelijk op de radar brengt van de autoriteiten. In een laatste confrontatie met de gevaarlijke dieren overtuigt Wilson hen ervan dat het project afgeblazen zal worden en dat hun leef- en jachtterrein buiten gevaar is. Daarop verdwijnen de 'wolfen' weer in de verlaten schaduwen die zolang hun dekking vormden. Veelbetekenend houden Wilson en Neff voor hun superieuren verborgen wie verantwoordelijk is voor Van der Veer’s dood, evenals die van talloze andere inwoners van New York en andere grote steden waar zich al jarenlang mysterieuze verdwijningsgevallen voordoen. Eddie Holt en de zijnen nemen Wilson in vertrouwen: de ‘wolfen’ zijn restanten van grote wolvenroedels die eeuwenlang in harmonie met de Indianen leefden en door hen als goden werden vereerd. Toen de blanke kolonisatie begon en de Amerikaanse wildernis steeds meer terrein verloor aan de oprukkende steden, werd het merendeel van de ‘wolfen’ door de blanken uitgeroeid. Sommigen echter pasten zich aan door onder te duiken in hun nieuwe urbane omgeving en van de armenwijken hun nieuwe leefgebied te maken – waarbij het sociaal gemarginaliseerde deel van de bevolking hun nieuwe prooi werd.
Wolfen is gebaseerd op Whitley Strieber’s debuutroman The Wolfen uit 1978 en volgt deze in grote lijnen, hoewel regisseur Michael Wadleigh op een aantal punten afwijkt van Strieber’s verhaallijn. Zoals gezegd gaat het in de verfilming om de dood van belangrijke leden van de New Yorkse elite; in de roman zijn dit twee NYPD rechercheurs. Verwikkelingen rondom corruptie binnen het New Yorkse politiekorps die in de roman aan bod komen, worden door Wadleigh overboord gezet. Belangrijkste verschil is wel dat, wanneer de identiteit van de ‘wolfen’ aan het eind van het boek wordt onthuld, inspecteurs Wilson en Neff deze meldden bij de autoriteiten,
die een grootscheepse jacht op de steelse roofdieren voorbereiden. In de film houden Wilson en Neff de identiteit van de ‘wolfen’ geheim, en stellen hen zo in staat in New York en andere steden te overleven. Hiermee draagt de film dus een sterk ecologisch getinte boodschap uit, waarbij de ambitieuze vastgoedplannen van Van der Veer worden voorgesteld als nefaste roofbouw op de habitat van mens en dier. Het is niet toevallig dat regisseur Wadleigh in Wolfen een analogie creëert tussen de genocide op zowel de oorspronkelijke bewoners van het Amerikaanse continent als hun bijna bovennatuurlijke symbionten, en de nietsontziende wijze waarop moderne roofridders zoals Van der Veer onze wereld uitbuiten. Indianen en ‘wolfen’ trachten in harmonie met de natuur te leven terwijl figuren zoals Van der Veer c.s. deze willen domineren, uit praalzucht of voor commercieel gewin. Beide groepen mogen in de loop der eeuwen grotendeels zijn weggevaagd, toch zal dit basale gebrek aan respect voor de natuurlijke omgeving uiteindelijk leiden tot de onvermijdelijke ondergang van de mens.
Tevens neemt regisseur Wadleigh, in de vorm van Executive Surveillance Services (ESS), een schimmige private beveiligingsorganisatie die Van der Veer en de zijnen beschermt, een voorschot op onze huidige technologische surveillance-staat. ESS beschikt over grote financiële en technologische middelen, evenals politieke invloed.
Dat de manier waarop deze worden ingezet niet altijd in overeenstemming is met de wet of met burgerrechten, roept sterke overeenkomsten op met zowel de wijze waarop sommige huidige regeringen hun burgers 24/7 via technologie in de gaten houden, als met moderne tech-reuzen zoals Facebook/Meta, Google en Amazon – bedrijven die in hun nietsontziende data-mining verdienmodel eveneens opereren binnen de uiterste grenzen van wat wet en regelgeving toestaan.
Eén van de meest opvallende aspecten aan Wolfen is de visuele weergave van het waarnemingsvermogen van de dieren, dat voornamelijk is gebaseerd op warmte. DOP Gerry Fisher baadt het scherm regelmatig in sterk contrasterende beelden die alterneren tussen zwart/wit en kleur. Het lage perspectief (bedoeld om het gezichtspunt van de ‘wolfen’ te verbeelden) en de jachtige montage verhogen de spanning en versterken het idee dat gevaarlijke nachtelijke roofdieren New York onveilig maken. Deze visuele stijl bleek zes jaar later duidelijk van invloed op door DOP Donald McAlpine geschoten visuals voor het SF/actie-vehikel Predator (1987). Hier geven soortgelijke beelden het door technologie versterkte gezichtsvermogen weer van een buitenaards wezen dat in de Zuid-Amerikaanse jungle op mensen jaagt.
Het enige minpunt aan Wolfen betreft het helaas nogal onevenwichtige einde – de manier waarop Dewey Wilson achterhaalt wat de werkelijke redenen van de ongrijpbare roofdieren zijn om hun uit hun schuilplaats te komen, evenals de laatste nachtelijke confrontatie met de ‘wolfen’ op Wall Street en in Van der Veer’s penthouse komen ongeïnspireerd en geforceerd over. Het lijkt erop dat scenaristen Michael Wadleigh en David Eyre moeite hadden het einde van de film op een natuurlijke manier uit het voorafgaande verhaal voort te laten vloeien. Maar dit is slechts muggenziften, gezien de sterke film die eraan voorafgaat. Wolfen behoort met gemak tot de beste en meest intrigerende horrorfilms die de jaren 80 hebben voortgebracht, en was in ‘het jaar van de weerwolf’ 1981 – waarin ook An American Werewolf in London en The Howling uitkwamen – wat mij betreft de onbetwiste ‘leader of the pack’.
