• 15.741 nieuwsartikelen
  • 177.896 films
  • 12.201 series
  • 33.969 seizoenen
  • 646.886 acteurs
  • 198.954 gebruikers
  • 9.369.908 stemmen
Avatar
 

Meningen

Hier kun je zien welke berichten kuk als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Being John Malkovich (1999)

Af en toe, als ik bijvoorbeeld geen touw aan de idiote gedachtegang van mijn vriendin kan vastknopen, wens ik wel eens dat ik in recht in haar hoofd kan kijken. Gewoon om er achter te komen hoe die hersens werken en te begrijpen waaróm zij zo denkt. Charlie Kaufman moet hetzelfde gedacht hebben toen hij aan het script van ‘Being John Malkovich’ begon. In deze film ontdekt een onnozele man namelijk een tunneltje waarin je vijftien minuten het leven door de ogen van een ander ziet. Regisseur Spike Jonze ging met het knotsgekke verhaal aan de slag.

Craig Schwartz (John Cusack) is een onsuccesvolle poppenspeler en moet noodgedwongen een baan zoeken om samen met zijn vrouw Lotte (Cameron Diaz) het hoofd boven water te houden. Zijn oog valt op een saaie kantoorbaan op de 7,5e verdieping van een groot bedrijf. Vanaf het moment dat Craig de anderhalve meter hoge verdieping binnenstapt, wordt de kijker duidelijk: hier is iets vreemds aan de hand. Dat blijkt helemaal als de sullige werknemer op zijn kamer ontdekt dat er een klein deurtje schuilt achter één van de kasten, die leidt naar het hoofd van John Malkovich. Na een rit van vijftien minuten, waarin hij alles door de ogen van de bekende acteur ziet, wordt hij uitgespuugd in de berm naast een snelweg.

Misschien neem ik met deze beschrijving iets van de lol weg, maar uiteraard is het lezen van dit stukje tekst een vrijwillige aangelegenheid. Anyway, de eerste keer dat Craig in Maklovich’ hoofd zit, is vreemd, lachwekkend en tegelijkertijd ook ‘vertrouwd’. Het verhaal kabbelt in een vrij rustig tempo voort en nergens worden de zaken overtrokken. Natuurlijk, Craig is verbaast als hij de doorgang ontdekt, maar het wordt geen bombastische show met specialeffects en andere toeters en bellen. De poppenspeler vertelt collega Maxime over zijn ontdekking en samen proberen ze dit idee zoveel mogelijk uit te buiten door kaartjes te verkopen aan iedereen die interesse heeft om even iemand anders te zijn.

Een dergelijke mindfuck in iemand anders’ hoofd kan natuurlijk niet goed gaan en op een gegeven moment begint ook Malkovich zelf zich met de business te bemoeien. En daar schuilt de grootste troef van Jonze: John Malkovich is John Malkovich. Hij speelt zichzelf en doet dat op memorabele wijze. Hij neemt het karakter dat ‘ie in feite zelf is niet te serieus, wat aangeeft dat de Amerikaan nog niet buiten z’n schoenen is gaan lopen. Het relativeren gaat hem prima af, net als de scènes waarin hij uit z’n slof schiet. Want een boze Malkovich blijft een genot om naar te kijken.

Overigens voegen ook alle andere personages een mooi uitgebalanceerde hoeveelheid toe aan het verhaal. Zowel Cameron Diaz als Catherine Keener (als Craigs collega Maxime) spelen een beperkte rol, mét diepgang. Veel wordt met beelden in plaats van woorden uitgewerkt, zoals ook in het knappe slot van het verhaal, en daar schuilt een andere grote kracht van ‘Being John Malkovich’. Dat soort details zorgen ervoor dat de film niet verzand in een ongeloofwaardig sprookje, maar een nuchtere fantasy-komedie blijft waarin de regisseur op een paar momenten na telkens de juiste snaar weet te raken. Het totaalplaatje is net Rivella: een beetje vreemd, maar wel lekker.

Body of Lies (2008)

Dat een actueel onderwerp zoals terrorisme steeds dichterbij komt, geeft filmmakers aanleiding om met dergelijke confronterende thema’s aan de slag te gaan. Regisseur Ridley Scott zag dit blijkbaar als zijn taak en ging aan het werk met steracteurs Russell Crowe en Leonardo DiCaprio. Het resulteerde in de combinatie van Westerse- en Oosters cultuur en in een mix van verschillende aspecten die vandaag de dag aan de orde zijn.

Het uitgangspunt is een brutale journalist, die op een gevaarlijke missie wordt gestuurd in het verre oosten. Roger Ferris (DiCaprio) wordt door de CIA ingehuurd om in Jordanië meer informatie te weten te komen over een gezochte terroristenleider. De gedreven man zit in een lastig parket, omdat hij aan de ene kant moet samenwerken met een hooggeplaatste kerel van de Jordaanse inlichtingendienst, en aan de andere kant z’n CIA veteraan Ed Hoffman (Crowe) tevreden moet houden. Met die laatstgenoemde dient hij de klus te klaren, maar zoals valt te verwachten komen er een heleboel gebeurtenissen op zijn pad.

Een sleutelwoord van Body of Lies is vertrouwen. Vertrouwen in je directe mensen om je heen, maar ook in de veiligheid en de hedendaagse technieken en middelen. Ferris komt er achter dat vertrouwen de nummer één vereiste is om zelf iets te verwezenlijken, maar dat dit anderzijds ook hét dodelijk aspect is tijdens het infiltreren in een duistere wereld die terrorisme heet. Informatie achterhouden is vriendjes kwijtraken en strooien met kennis is je vijanden sterker maken. Dit alles wordt verteld in een goedlopend verhaal waar alle, in dit geval overbodige Hollywood middelen als liefde, geweld en eer naar boven komen en uiteindelijk een erg grote rol spelen.

En daar zit het knelpunt van dit twee uur durende drama, het is allemaal iets te veel geromantiseerd. Zowel Crowe als Ferris acteren op hoog niveau, maar vergeten haast dat de wereld waarin ze zich begeven niet eentje is om met borst vooruit en neus omhoog in rond te lopen. Er hoort gebikkeld te worden om elk klein stukje vooruitgang en het vechten tegen de vijand die overal kan zitten levert in feite nooit het gewenste resultaat op. Het is in ieder geval geen omgeving waar je, als je voldoende puzzelt, op je luie stoel kunt genieten van het gedane werk. Dat die indruk vanaf minuut één gewekt wordt, is een duidelijk keuze. Hierdoor is de geloofwaardigheid van het terrorisme dat vanuit elke hoek kan toeslaan onmiddellijk verdwenen en wat overblijft is een klassieke Hollywood thriller met enkele aparte invloeden.

Het chronologisch vertelde verhaal wordt tot een mooie climax opgebouwd en als je door het ietwat verkrachte onderwerp heen kijkt, valt er best wat te genieten aan Body of Lies. Verwacht geen serieuze situatieschets van hoe het er daar in het Midden-Oosten aan toegaat, maar een vermakelijk en actievol avontuur waar het acteerwerk zeker te pruimen is en je zult niet teleurgesteld worden. Toch zul je zelfs dan moeten toegeven dat het einde door teveel clichés in elkaar wordt gezet om te spreken van een epische filmervaring.

Breaking the Waves (1996)

Lastig te verteren, zo’n hap melodramatische dogma. Schotse omgeving, Deense regisseur en een moddervette religieuze saus waar zelfs God U tegen zou zeggen; het zijn niet de meest toegankelijke begrippen die betrekking hebben op ‘Breaking the Waves’. Von Trier heeft wederom een moeilijk te plaatsen stukje cinema gecreëerd.

Dat deze manier van film maken niet bij iedereen even goed in de smaak valt, is onontkoombaar. Een speelduur van bijna 160 minuten en het tempo waarin de ontwikkelingen plaatsvinden, verlaagt de instapdrempel uiteraard evenmin. De enige juist voorbereiding van deze film is niet te laat op de avond, op een niet al te luie stoel en met zakdoekjes in de aanslag. Oh, en laten we de fles Johnny Walker niet vergeten.

Bess is een labiel meisje dat opgroeit in een streng Christelijke gemeenschap in het noorden van Schotland waar vrouwen geen spreekrecht kennen in de kerk en niet welkom zijn op begrafenissen. Als zij dan wenst te trouwen met buitenstaander en vreemdeling Jan, zijn de rapen gaar. Afkeurend wordt het stel bekeken door de gemeenschap, maar dat kan de liefde tussen de twee niet temperen. Ze trouwen en alles lijkt rooskleurig voor de tortelduifjes. Totdat Jan voor een tijdje terug moet naar een booreiland om daar zijn vroegere werk te hervatten.

Het onzekere, doch sympathieke achtergebleven meisje weet maar niet hoe ze hier mee om moet gaan. Volgens haar naasten dient ze sterk te blijven, immers: ‘iedereen moet een tijd zonder zijn geliefde kunnen’. Geschreeuw en gejank zijn zonden, zo luiden de conservatieve opvattingen van in dit geval haar moeder. Als Bess op een dag besluit te bidden dat Jan zo snel mogelijk terugkeert, slaat het noodlot toe. Een ongeluk valt voor op het olieplatform en de kersversie echtgenoot raakt van top tot teen verlamd.

Inderdaad, een depressiever plot is lastig te bedenken, maar Von Trier vond dit nog niet genoeg ellende. Omdat Jan niets meer kan, vraagt hij Bess met andere mannen spannende avontuurtjes te beleven en die verhalen vervolgens met hem te delen. Dit is de enige manier om opgewonden te geraken, aldus de kreupele. Het zorgt voor twijfel, vreemde situaties en een wanhopige en zichzelf opofferende vrouw. Wat de betekenissen en diepere bedoelingen van alle verdere keuzes zijn, wordt zoals altijd door deze Scandinavische regisseur in het midden gelaten. En dat is maar goed ook: de discussie achteraf maakt dat minimaal net zo interessant als het drama zelf.

Omdat ‘Breaking the Waves’ in feite een gevoelsfilm is, zijn de gezichtsuitdrukkingen en de mate van inlevingsvermogen die de kijker geacht wordt te vormen, van levensbelang. De Engelse Emily Watson, die met een ‘leuk-maar-niet-sexy’ uitstraling haar personage Bess ijzingwekkend goed vormgeeft, eist de hoofdrol op. Haar tranen vloeien meestentijds, maar dat in het slot ook anderen een gevoelige snaar weten te raken, geeft de knappe casting en veelzijdigheid van de sterke personages weer. Beelden zijn belangrijk, de trage, korte maar treffende conversaties evenzeer.

En uiteindelijk is dogma (of in dit geval: dogma-achtige film) de beste manier om dergelijk leed, masochisme of wat hier uw voorkeur ook verdient, over te brengen. Vaak staat de kijker ín de situatie. Niet van bovenaf, van een afstand of met afstand creërende muzikale ondersteuning, maar vol tussen het menselijke leven. Elk geluid valt op, iedere spierverandering in het gezicht heeft z’n invloed op de situatie. Het is prachtig om zo de hele gemeenschap, hoe Gereformeerd ook, een plekje in ieders hart te gunnen.

Direktøren for Det Hele (2006)

Alternatieve titel: The Boss of It All

Vaak schuilt de kracht van een film gedeeltelijk in de muzikale ondersteuning. Een andere veel gebruikte troef is een knappe cameravoering en als die twee niet de moeite waard zijn, worden er wel een aantal wereldsterren binnengehaald om alsnog geld in het laatje te brengen. Wat nou als je al deze drie aspecten achterwege laat?

Dat is precies wat Lars von Trier gedacht moest hebben toen hij begon aan ‘The boss of it all’. Lekker experimenteren was altijd al zijn grote hobby en dat heeft hij in zijn nieuwste project verder doorgevoerd dan ooit tevoren. De getoonde beelden worden gekozen door de computer, de locatie beperkt zich tot één gebouw en bijna honderd minuten ontbreekt welke vorm van muziek dan ook. En ín deze speelfilm speelt ook nog eens een hele slechte acteur de hoofdrol. Letterlijk.

Ravn is eigenaar van een IT-bedrijf waarvan alle andere werknemers denken dat hij ook een gewone kantoorbaan heeft in datzelfde bedrijf. De behaarde man liet altijd alle vervelende beslissingen nemen door een zelf verzonnen baas, de zogenaamde ‘boss of it all’, zodat hij nooit verantwoordelijkheid hoefde te dragen. Nu staat hij op het punt zijn bedrijf te verkopen en willen de geïnteresseerden voor de overname graag het contract laten ondertekenen door deze hoge directeur. En daar heeft Ravn natuurlijk totaal niet op gerekend. Als oplossing huurt hij een goedkope acteur in die in de huid van ‘de grote baas’ kruipt.

‘The boss of it all’ maakt duidelijk dat de meest simplistische verhaallijn al ontzettend veel vermaak kan bieden. De meesten films laten 95 procent van de gebeurtenissen die de personages meemaken weg. Lars von Trier doet dat met deze zwartgallige kantoorkomedie niet en dat levert een hoogst origineel product op. Na enkele minuten wordt al duidelijk dat met name de cameravoering hoogst ongebruikelijk is. Het beeld verspringt continu, soms meerdere malen per seconde, en staat altijd stil. Dat geeft een vreemde tegenstelling: de shotwisselingen zijn erg onrustig maar de beelden bewegen nooit.

De omlijsting van het verhaal wordt gedaan door een stem die op sommige momenten opeens opduikt en uitlegt waar we naar kijken. Nu lijken Von Triers films niet vaak op elkaar, maar zo’n voice over is toch in veel van zijn werken een terugkerend fenomeen. Ook het lage budget dat hij uittrekt om tot zijn creaties te komen, maakt het des te knapper wat de Deen realiseert. Menselijke emoties staan voorop, maar ook clichés, het bedrijfsleven en de rivaliteit tussen Denemarken en IJsland neemt de regisseur op de hak. Toch vrij veel voor zo’n eenvoudig opgezet project.

Natuurlijk treffen niet alle onderdelen doel, maar dat doet er niet toe. Uiteraard werkt een random genererende camera nooit optimaal, is het plot nooit spannend of spectaculair en wordt naarmate het verhaal vordert ook duidelijk waarom alle films behalve deze wél een uitgebreide omlijsting kennen. Dat maakt ‘The boss of it all’ beperkt en absoluut geen klassieker, maar het mooie is dat Von Trier dat ook helemaal niet voor ogen heeft gehad. Frisse nieuwe ideeën realiseren daarentegen wel en daarin is ‘ie glorieus geslaagd.

Dogville (2003)

Er zijn boeken vol te schrijven over Lars von Triers Dogville, het eerste deel uit de trilogie USA – land of opportunities. En dat is niet enkel te danken (of te wijten, wat uw voorkeur verdient) aan een speelduur van tegen de drie uur.

Waarom is er eigenlijk nog nooit iemand op dit fantastische idee gekomen? Een lege studio met enkel wat meubilair en andere eenvoudige attributen waarin zich een verhaal ‘in de Rocky Mountains’ afspeelt. Het dorpje, beter gezegd gehuchtje, dat Dogville moet voorstellen, is in werkelijkheid een donkere zaal waarin met korte woorden en eenvoudige ‘tekeningen’ op de vloer is aangegeven waar welk gebouw staat en wie waar is gehuisvest. Een hond is een cirkel met een staart, een huis een vierkant, dan wel rechthoek en bosjes worden neergezet als een wolkvormige afbeelding op de vloer. Simpel, maar doeltreffend. De vergelijking met een toneelvoorstelling is snel gemaakt al doe je daarmee Von Triers kunsten tekort.

De openingsscène zet de kijker onmiddellijk middenin het dorpje, als er na een topdown view wordt ingezoomd op Elm Street, de hoofdstraat waaraan geen enkele iep te vinden is maar om historische redenen toch deze naam kreeg toebedeeld. In negen hoofdstukken en een proloog worden, haast als in een kinderprent, de ontwikkelingen in Dogville toegelicht door het oog van een alwetende verteller die wordt gedragen door de zwoele stem van John Hurt. Deze dient als het broodnodige lijm die tussen de verscheidene conversaties wordt gebruikt om alles en iedereen verder onder de loep te nemen en sommige sappige details beter onder de aandacht te brengen bij de toeschouwer.

Het in slaap gesukkelde bergdorpje krijgt op een dag bezoek van een verdwaalde schone (Nicole Kidman), die de naam Grace draagt. Ze wordt, naar eigen zeggen, achtervolgd door gevaarlijk tuig, ook wel gangsters genoemd. Eén van de bewoners, schrijver Tom Edison (Paul Bettany), neemt haar zonder een seconde te aarzelen in bescherming als even later enkele heren in luxueuze auto’s ten tonele verschijnen. Dat is het eerste moment dat de kijker uit de wereld die Dogville heet, wordt gegooid. Een afgesloten studio en opeens arriveren twee oldtimers tussen de stoelen en tafels? Precies waar op de vloer ‘Elm Street’ staat geschreven, houden de twee vehikels halt en begint het verhaal, waarin ook Jeremy Davies en James Caan prominente rollen vervullen, voor het eerst vorm te krijgen.

Achternamen zijn in het geval van de meeste bewoners van Dogville niet van toepassing, zo ook niet voor nieuwkomer Grace. Ze wordt door de gemeenschap in de armen gesloten nadat er een democratische stemming heeft plaatsgevonden. Mocht één inwoner zijn kiesgerechtigheid gebruiken om ‘nee’ te stemmen, zou de aangeboden protectie vergeten worden en het alledaagse leven continueren. Allen zijn het erover eens dat Grace zich mag verbergen tussen hen, er kleven echter enige tegenprestaties aan. Noodgedwongen, maar bovenal opgelucht en vereerd neemt Grace haar eigen plekje in tussen de inwoners van het gehucht hoog tussen de ‘bergen’.

Von Trier heeft gekozen voor een opvallende visuele stijl, waarin menselijkheid en natuurlijke intuïtie voorop staan. Nicole Kidman kan in de huid van Grace worden gezien als de Jezus van het verhaal die aankomt bij vreemdelingen, altijd het perfecte woordje klaar heeft staan, meer denkt aan anderen dan aan haar zelf en bovenal beschikt een onuitputtelijke vergeving. Dat ze die krachten dient aan te spreken naarmate haar tijd tussen de bergbevolking voorbij kruipt, geeft wederom reden de vergelijking te maken met het meest bekende Bijbelverhaal. Als de kijker haar eenmaal door en door kent en haar vermeende perfectie tot in de kleinste details wordt doorgevoerd, ligt de wijsheid er ondertussen zo dik bovenop als slagroom op een kommetje chocolademelk. Met alle irritaties voor de kijker van dien.

Dat klinkt als een meedogenloze oordeel en de werkelijkheid is dat dat uiteindelijk te weinig eer doet aan het kunnen van Kidman en aan de gekozen insteek van Von Trier. Laatstgenoemde weet namelijk met minimale middelen, om precies te zijn nul figuranten en een paar geeltjes aan decor, een meeslepend en vooral spraakmakend verhaal neer te zetten. Woede, verdriet, angst, blijdschap, humor, geluk maar vooral ook wanhoop, machteloosheid en wraakzucht worden overtuigend neergezet door geniaal gecaste personages die allen een plekje verdienen in de harten van de kijkers. De regisseur is qua opzet met vlag en wimpel geslaagd, maar neemt daarbij (te?) veel hooi op zijn vork.

Inglourious Basterds (2009)

De joden zijn ook geen lieverdjes meer! Sterker, ze doen niet onder voor het Duitse geweld, zo in de loop van de enige oorlog die onze opa’s en oma’s nog bewust hebben meegemaakt. En Brad Pitt staat aan het roer van dit collectief moordlustige Hebreeërs. Als dat maar goed gaat.

De morele kwestie buiten beschouwing gelaten (Joden die Nazi-trekjes vertonen? Schande!), is het op z’n zachtst gezegd opzienbarend dat een regisseur als Quentin Tarantino zijn gouden handjes vuil maakt aan historische gruwelen waar zo op het eerste gezicht niks ‘nouvelle violence’ aan is. Al zijn werk vond tot op heden plaats in de onderwereld, wat in zijn geval zeer zeker geen negatieve lading mee hoeft te krijgen. Dat deze keuzes door de Amerikaan tot ware orgasmen voor de misdaadliefhebbers heeft geleid met meesterwerken als ‘Reservoir Dogs’ en ‘Pulp Fiction’, is goed voor hen, maar dat geeft nog geen aanleiding om meteen dolenthousiast te worden over ‘Inglourious Bastards’, waarin het brildragende wonderbrein de gangsters links laat en zijn heil zoekt in een combinatie van het werk van Tim Burton en Steven Spielberg en daar een oorlogssausje overheen plenst.

Wellicht zijn de raakvlakken met de gebroeders Grimm nog wel het pakkendst, daar waar de klootzakken die centraal staan in Tarantino’s nieuwste relaas vooral een volksverhaaltje met bloed en rondvliegende ledematen doormaken. Dat laatste is één van de eisen die de succesvolle regisseur aan zijn werken stelt: ‘de kindjes die nog niet geschikt zijn om bier te drinken mogen ook de bioscoopzaal niet in waar mijn prent draait’, moet hij gedacht hebben. Voordeel voor hem is dat dat juist andere lagen van de bevolking trekt om wél te kijken naar, in dit geval, bijna drie uur dood en verderf.

En dan valt het deze keer allemaal nog wel mee; hij heeft meerdere malen net op tijd op de rem gedrukt om de meest expliciete gruwelen de kijker te besparen. Het resulteert in meer verhaal, meer personage en karakter maar vreemd genoeg ook in minder oeverloos gebrabbel van de hoofdrolspelers. Pitt is de voorman van een groepje Joden dat liever koppen van Nazi’s ziet rollen dan ons bijpraat over voetmassages, Madonna’s popdeuntjes of de Nederlandse manier van frites verorberen, allen voorbeelden van eerdere gespreksonderwerpen waar Tarantino ons van liet grinniken tijdens het voorbereiden van een overval of moord. Enkel als de ‘Bastards’ undercover gaan, mondt het uit in een twintig minuten durende spraakwaterval met een, ach waarom ook niet, gewelddadige climax. Zenuwslopend zoals alleen hij dat kan, en zonder twijfel de één na sterkste passage van de film.

Het hoogtepunt wordt al na enkele minuten bereikt, als wederom een gesprek onderwerp van uh, gesprek is. Waanzinnige opbouw, perfecte montage en ster van de film Christoph Waltz als Nazi die op slinkse wijze achter de waarheid van enkele verscholen Joden komt. Het vormt de opzet voor een knappe mengeling van verhaallijnen die elk hun eigen leven leiden in het middenstuk om op het einde samen te komen op een spectaculaire en chaotische wijze die nog het dichtst in de buurt van een veldslag uit ‘Lord of the Rings’ komt.

Het blijft een verre van voor de hand liggende keuze om oorlog als thema te nemen als je naam Tarantino luidt, zeker als ook nog eens hele scènes in een voor Amerikanen vreemde taal wordt neergezet. Verbazing is er bij mij dan ook nauwelijks als deze actiekomedie, zo zie ik ‘m toch vooral, lang niet zoveel dollars op blijkt te brengen als verwacht. Ik adviseer de regisseur die overduidelijk een voorliefde heeft voor het samenvoegen van geweld en boeiend slap gelul, terug te keren naar zijn roots, al is dit sprookjesachtige uitstapje in de Europese jaren 40 genietbaar op alle fronten en doorspekt met slimme verwijzingen, hilarische situaties en andere mallotigheid die niet in WO2 thuishoort.

Invictus (2009)

Het moet de leeftijd zijn, een andere verklaring is niet mogelijk. Aan het talent, de middelen of de acteurs ligt het in ieder geval niet dat Clint Eastwood wederom een matige productie heeft afgeleverd. Na het vrij teleurstellende Changeling staat de Amerikaan bij Invictus voor de tweede maal aan het roer van een zwalkend, reddeloos schip.

De Zuid-Amerikaanse ex-president Nelson Mandela is de hoofdmoot in dit verhaal over gelijkheid, vrijheid en broederschap. De algemene noemer is rugby, de nationale sport van het land dat tot de jaren 90 geheel in de handen was van de blanke bovenlaag. Wie anno 2010 een kijkje neemt in een willekeurig stadion in het Zuidelijkste Afrikaanse land zal ongetwijfeld nog steeds enkel bleekscheten tegenkomen, maar dat weerhoudt Eastwood er niet van om het westerse publiek te verwennen met een feelgood drama waar de tenen van krom trekken.

In theorie zou het plot en de cast gezamenlijk voor een warme film kunnen zorgen die op de zondagavond met het gehele gezin gekeken kan worden. Kopje soep op schoot, papa geniet van het spelelement, mama pinkt een traantje weg en de kids leren gelijk een stukje geschiedenis. In de hoofdrollen vinden we Morgen Freeman die Mandela op een perfecte toon op het witte doek tovert en Matt Damon die als stoere aanvoerder de pubermeisjes op de voorste rij aan het gillen krijgt. Alle ingrediënten staan klaar voor gebruik.

Maar al snel blijkt dat niet alles uit de acteurs gehaald kan worden. Het hele recept ligt namelijk te dobberen in een dikke, vette saus van glucose waardoor zelfs mooiboy Damon het innerlijk van een suikerspin lijkt te hebben. Vanaf scène één speelt Freeman een soort zwarte reïncarnatie van Jezus zonder de menselijke trekjes en wordt geen van de andere karakters een centimeter meer uitgediept dan de breedte van een wc-papiertje.

Als gevolg hiervan bieden alle zijplotjes, met name die van de bewakers van Mandela, zo weinig vermaak dat het vooral het hoofdverhaal in de weg zit. Of wat te denken van de vele geforceerde ‘memorabele’ passages. De clueless workshop die de rugbyspelers in een township geven, de cliché opstapelende eerste conversatie tussen Damon en Freeman of de slaapverwekkende laatste dertig minuten waarin alle smaak die nog ergens aanwezig was onmiddellijk doet verdwijnen als sneeuw voor de zon.

Clint, gooi die schroom eens van je af! De kijkers thuis zitten te wachten op verrassingen, prikkelende thema’s en frisse personages. Deze voorgekauwde shit blijft niet door twee bekende namen of enkele mooie plaatjes overeind. Daarvoor is echt meer nodig dan talent, geld en de standaard Hollywood ingrediënten!

Requiem for a Dream (2000)

Het zal de nachtmerrie van elke paps of mams op deze aardbol zijn: een zoon of dochter die de drugsscene in rolt en daar nooit meer uit zal verdwijnen. Om die angst wat kracht bij te zetten komt de hypergetalenteerde Darren Aronofsky met Requiem for a Dream, een 102 minuten durende hel om wanhopig en volledig geobsedeerd naar te kijken.

Het is toch een vreemd verschijnsel dat wij mensen in de korte tijd dat we hier rond mogen lopen, ons af en toe bewust de meest verschrikkelijke dingen aandoen. In dit geval bedoel ik niet een oorlog of een martelmarathon, maar gewoon iets simpels dat moet doorgaan voor entertainment: film. Een avondje vermaak biedt deze kijkervaring namelijk niet, het is vooral ellende en misselijkmakende kommer en kwel die uw beeldbuis opvult. Een flesje wiskey is geen overbodige luxe.

Requiem for a Dream vertelt het verhaal van vier personages die allen wat met elkaar te maken hebben en tevens steeds meer geleefd worden door verdovende middelen, om het nog liefjes uit te drukken. Weduwe Sara Goldfarb (Ellen Burstyn) denkt dat ze op de televisie mag verschijnen en begint aan dieetpillen om die ene mooie jurk weer aan te passen. Haar zoon Harry (Jared Leto) probeert met een vriend een drugsimperium op te bouwen, maar dit verloopt iets minder glorieus dan in het gemiddelde GTA computerspel. Daarnaast heeft hij nog een vriendin tevreden te houden die ook steeds verder de afgrond in stort. Gezellig ja.

Het vreemde is dat Aronofsky een visuele stijl hanteert die de Thalys met gemakt voorbijstreeft. Knippen en plakken, beelden door elkaar, steeds herhaling van stukjes, een blurry beeld en een ongekend hoog tempo. Een gewaagde keuze bij een op en top pessimistisch verhaal, maar uiteindelijk maakt dát de impact des te groter. De rust wordt genomen op de juiste momenten, de allesoverheersende en perfect gekozen muziek voert op het zeer aangrijpende einde de boventoon en tussendoor wordt de kijker om de minuut bij de keel gegrepen door een nieuw hoogtepunt.

Eén van de vele climaxen die Requiem for a Dream herbergt, is ongetwijfeld het bezoek van Harry aan haar moeder. Beiden zitten al behoorlijk in de problemen, maar weigeren dit zelf nog in te zien. Over de ontmoeting hangt een sfeer heen die een begrafenis optimistisch doet lijken en als toeschouwer weet u al wat zij nog niet weten. Die zien elkaar nooit meer terug, in ieder geval niet op feestjes en bruiloften. Tragisch, nooit belerend en sterk neergezet door de uitmuntende hoofdrolspelers.

Aan de ene kant gaat dit verhaal nergens heen: er wordt geen punt gemaakt, lesje geleerd of grap uitgehaald. Aan de andere kant betekent dit pure emotie en weerzinwekkende angst en gekte die uiteindelijk iedereen in z’n greep houdt. Als de aftiteling loopt, is terugkeren naar de ‘gewone‘ wereld een lastige opgaven. Maar gelukkig is daar Johnny nog.

Triangle (2009)

Af en toe wordt de kijker wel eens bestolen, bijvoorbeeld aan het einde van Vanilla Sky waarin alles ineens neergezet wordt als een droom. Maar het kan ook een positieve werking op het totaalplaatje hebben, kijk maar naar The Sixth Sense. Triangle van regisseur Christopher Smith kent niet een dergelijk slot, maar voelt desalniettemin aan als een bestolen ervaring.

Alleenstaande moeder Jess gaat op een zonnige middag met een groepje vrienden te zeilen, maar de hele tijd heeft ze al een naar voorgevoel. De onheil hangt in de lucht en eventjes later blijkt haar voorgevoel niet ongegrond. Plots steekt er een onverklaarbare storm op die de zeilboot met onze vrienden doet omslaan. Met moeite weet het zevental zich aan resterende onderdelen van het vaartuig vast te klampen en het einde lijkt in zicht. Maar wat wil het toeval: uit het niets komt een groot passagiersschip voorbij en de heren en dames weten zich aan boord klauteren. En dat hadden ze beter niet kunnen doen..

Triangle hangt ergens tussen een sneaky horrorfilm en een psychologische thriller. Dat laatste lijkt de overhand te hebben, maar de clou van het verhaal wordt al na een kleine driekwartier kijken uit de doeken gedaan en daarmee is het psychologische er wel een beetje vanaf. Vervolgens blijft er een redelijk voor de hand liggend restje entertainment over dat de kijker nooit meer op het puntje van de stoel weet te krijgen. Smerig of creepy is het daarna evenmin, maar waarom dat zo is ga ik hier niet verhullen want dan is echt elke soort van spanning verdwenen, voor zover die aanwezig was.

Daar tegenover staat dat sommige eindjes op een knappe manier aan elkaar worden geknoopt en enkele schrikmomenten aardig uit de verf komen. Voordat die te aanschouwen zijn, moet de kijker wel eerst door lange, doelloze scènes die zich in het ‘spookschip’ afspelen. En daar wordt geen mens gelukkig van. Het zijn te zwaar wegende minpunten die de aardige passages teniet doen en dat maakt ‘Triangle’ uiteindelijk geen hoogwaardige cinema.