Als Hollywood zich over de nazi’s ontfermt, krijg je 'Nuremberg': een opgedirkt portret met te excentrieke acteurs, een zoetig-ongevaarlijke omlijsting en de onnodige heroïek van de geboorte van de internationale rechtspraak.
De resultante is geen onaardig kijkvoer, bij de gratie van de feiten: een vlot vertelde geschiedenisles, kortom een opfrissing van het geheugen zonder weerhaken. Identitair zwak, en als dusdanig: entertainment zonder artistieke visie of ziel.
Geproefd, geslikt, en ongetwijfeld gauw vergeten – is dat geen blamage voor een zo onnoemelijk belangrijke bladzijde uit de Westerse annalen?
2,5*
Zonder meer een schitterende film – zonder meer een verschrikkelijke ervaring. In zekere zin hoort ‘Warfare’ in een museum thuis, omdat de film zeldzaam gelaagd is: de oppervlakte (Hollywoodiaanse spanning, een navertelde getuigenis uit eerste hand, het zoete idee van waargebeurde feiten zich te zien ontvouwen met alle branie en bombarie die er maar bestaat) en de diepte (de film als meditatie over geweld, en over hoe geen mens gemaakt is om aan dit soort gruwel blootgesteld te worden) lijken immers mijlenver uit elkaar te liggen.
Alex Garland en Ray Mendoza tonen het allemaal: van de opgefokte viriliteit uit de eerste minuten tot een huis clos vol doodsbange mannen die alleen maar willen ontsnappen uit de nachtmerrie waarin ze beland zijn, het lijkt een verschil zoals dag en nacht. Het eerste volgt echter uit het tweede: het testosterontheatertje dat de proloog is, vormt slechts een maskerade voor een onwezenlijk menselijk gevoel, namelijk de wil en de hoop om te overleven, ook in hopeloze omstandigheden.
Van ‘Warfare’ ben je als toeschouwer geradbraakt, ziek, kotsmisselijk. Het is op geen enkele manier een verheerlijking van vermeende Amerikaanse superioriteit, of een knieval voor vernietiging en doodslag. Integendeel: het is een uppercut, een in your face middelvinger naar oorlogsvoering, een statement als geen ander. Nie wieder, nie wieder!
Christopher Nolan avant la lettre?
Of liever: vintage Christopher Nolan, uit het tijdperk voor de cineast een merk werd.
Niets is wat het lijkt in ‘Following’, een merkwaardige en hypnotiserende film waarvan het slot het hele narratief in een ander daglicht stelt – et voilà, ziedaar het keurmerk van de meester. Onderwijl is het groezelige sfeertje best hypnotiserend en fascinerend, zij het dat de grove korrel en de handheld camera op den duur als een visuele gimmick aanvoelen.
Kort en goed: een film waarin de kiem van Nolans talent zeker al besloten ligt, zij het in het aanschijn van de latere meesterwerk toch eerder een curiosum dan een must-see.
Een plot waar te weinig over is nagedacht: de psychologie is ronduit halfbakken en sci-fi mag geen excuus zijn om de plot met de nodige hocus pocus naar binnen te gieten. Er zijn te veel onduidelijkheden om als toeschouwer helemaal in dit compleet van de pot gerukte verhaal te worden gezogen.
Spielberg zal het allicht worst wezen: met veel bombarie en de flair die hij aan zijn decennialange ervaring heeft overgehouden, maakt hij van dit ondermaatse zootje narratief toch een aanvaardbare film. Het open einde is bovendien best verrassend, en Emily Blunt houdt het publiek met een indringende vertolking aardig bij de les.
In abstracte zin waarschuwt ‘Disclosure Day’ trouwens voor zowel alle autocratische beslissingsorganen als voor individuele klokkenluiders – hoezeer beide geledingen van het spectrum (verzwijgen of openbaar maken) hun gedragingen ook moreel legitimeren: chaos lonkt, dus laat ons vooral onze democratische instituten in ere houden.
Almaar absurder, vreemder, gekker, almaar minder beantwoordend aan de verwachtingen van het brede publiek: Wes Anderson drijft langzamerhand weg van het soort sympathieke publiekspleasers die hij ruim een decennium geleden nog maakte, om vierkant zijn goesting te doen. En dat is: een beeldschoon eigen universum creëren waarin narratief ondergeschikt wordt aan heerlijke situatiehumor, fenomenale cinematografie, waanzinnige dialogen en geestige cameo’s.
Al wat niet mag en kan bestaan, krijgt bij Anderson de kans om wel te schitteren, zij het maar voor even: wat hij op het witte doek tovert, is een glimp uitzonderlijke verbeeldingskracht die de wetmatigheden van verhaal, karakterontwikkeling, spanningsboog en resonantie bij de toeschouwer meer en meer als marginale verschijnselen aan de zijlijn parkeert. En net omdat de regisseur nog slechts luistert naar de stem van zijn hoogst eigenzinnige fantasie, krijgt het publiek films te zien die niet onder een eenduidige noemer te vangen noch te vatten zijn. Zeg nu zelf, klinkt dit niet als de definitie van Kunst met grote K?
Veel van ‘The Phoenician Scheme’ glipt bij een eerste visie door de vingers (een mens komt ogen en oren tekort, jawel!), maar genoeg blijft aan de ribben kleven – ribben die overigens pijn doen van het lachen – waardoor deze zeker wordt hernomen.
Niet La Callas. Wel Maria.
Niet het verhaal van een diva, wel het fermate van een icoon in haar nadagen.
Niets geen documentaire of journalistieke biografie, wel een poëtische meditatie die schijnbaar lukraak grabbelt uit de ton met cruciale herinneringen.
Geen film zoals film doorgaans is, wel cinema die meedogenloos en tegelijk vol mededogen naar de strot grijpt.
Leert de toeschouwer Maria Callas kennen? Hooguit een beetje, en toch heel wat. Alleen een eigengereid durfal als Pablo Larraín kan dit mythische leven met zoveel flair en zo beknopt uit de doeken doen, met slechts een handvol elementaire, haast anekdotische passages.
Hoe zij zich nimmer heeft kunnen ontdoen van de smet uit haar jeugd.
Hoe zij eerst opleefde en vervolgens gebroken werd onder de eisen van Aristotle Onassis, een man die autoriteit afdwingt door haar simpelweg voor feit aan te nemen en uit te stralen.
En hoe Parijs het decor werd voor zwerftochten richting haar eigen vergane gloriedagen, richting triomfen die ze nimmer zal evenaren.
Is het al te eenvoudig om Mandrax als personage op te voeren? Misschien, maar voor haar schept die medicatie een realiteit, de enige waarin ze nog kan wakker worden, kortom het karakter is haar poort naar het sprankeltje hoopvol bestaan dat haar nog rest. Is de intimiteit van haar huishoudster en butler wat al te clichématig? Allicht, maar beschouw dat als een operatesk element: een stereotiepe code waarbinnen Larraín integriteit, kwetsbaarheid en zelfs schoonheid legt.
En dan – natuurlijk! – de muziek, die het heuse verhaal vertelt. Het verdriet, de wanhoop, de afgrond: Maria voelt in haar laatste dagen wat La Callas jarenlang op de bühne heeft geïncarneerd, namelijk de bittere tragiek van de gevallen vrouw, waarvoor slechts compassie op zijn plaats is.
Tot slot: hoed af voor Angelina Jolie, die de film draagt met een even onaanraakbare als naargeestige en pathologische vertolking. Talloze registers, in een interpretatie die Maria tot mens maakt, en tegelijk mysterie laat zijn. Een biopic die nieuwsgierig maakt naar een lijviger studie van wie deze vrouw was, kortom hooguit een tipje van de sluier gelicht: meer hoeft kunst niet te doen…