Ik weet niet zo goed wat ik van dat tweede stukje op zichzelf moet vinden. Het is erg taai. Geen idee of een Aziaat daar mee mee kan. Vast, maar of dat dan niet taai meer is. Maar voor mij is de rol van dat stuk in het grotere geheel van belang. De essentie voor mij is dit (en beter kan ik het niet verwoorden):
De wereld in het tweede verhaal staat heel ver van ons af, zowel in tijd als qua conventies. Hou probeert dit nu juist uit te vergroten, door er een stomme film van te maken. Het maakt de afstand tussen film en kijker nog groter dan die al is. Maar, en dit is de crux, we kunnen wel begrijpen wat er gebeurt. Dat die twee mensen elkaar door omstandigheden niet kunnen krijgen mogen we raar vinden of stom, maar de kijker krijgt in ieder geval gewoon uitgelegd wat er aan de hand is, en dat lukt ondanks die grote afstand. Het is door deze bewust gekozen taaie vorm en inhoud dat het derde deel zo hard aankomt. Een eigentijds liefdesverhaal, en we begrijpen er geen donder van. Hou's suggestie: hier is een generatie, onze generatie, die op een onbegrijpelijke manier met liefde omgaat.
Als je dat (of iets soortgelijks) niet ziet, dan blijft het makkelijk los zand, blijven het plaatjes. Als je het wel ziet, dan komt dat derde verhaal snoeihard aan. En de vondst om dat zo te doen, om iets wezenlijks te laten zien over onze tijd, iets onbegrijpelijks, door het heden in zekere zin veel vreemder te laten zijn dan zelfs een ver verleden door die juxtapositie, dat vind ik geniaal. Kan ik enorm van genieten, kippevel van krijgen. Maar er is een bepaalde sensitiviteit voor nodig, een bepaald geduld ook.