Mochizuki Rokuro schreef:
Een melodrama in Hollywood stijl, maar dan van de middelmatige soort.
Argh!

Dat kan ik als Yoshida-fan niet onbeantwoord laten.
Voor mij de sterkste film die Yoshida binnen het studiosysteem gemaakt heeft met onder de oppervlakte van melodrama een voor de Japanse New-Wave centrale thematiek: de identiteit van Japan na de capitulatie, de belofte op een beter Japan én de frustratie over de feitelijke weg die Japan insloeg. Zo wordt de relatie van de protagonisten gerelateerd aan de door de keizer uitgesproken capitulatie van Japan. Hun relatie bloeit niet op in idyllische natuur, maar in een gebied dat als door een atoombom getroffen lijkt, wat de eerdere scene met het ene vliegtuig een bijzondere lading geeft.
Verder is er thematiek te vinden die bij Yoshida, maar ook elders in de J-N-W, een belangrijke rol gaat spelen: de positie van de vrouw in het naoorlogse, moderne Japan én de relatie tussen identiteit, politiek en seksualiteit.
Opvallend dat er eigenlijk geen onvervalste Hollywood-achtige cliché liefdesscènes in de film zitten. Het bekennen van hun liefde bestaat uit een nuchter "ja" van Shasuke nadat Shinko hem tot twee maal toe vraagt of hij van haar houdt. Zijn oprechtheid wordt al na de eerste harde las geproblematiseerd en de ontwikkeling van en tussen de personages is er een van degeneratie en vervreemding, wordt in toenemende mate wrang en onromantisch.
Yoshida schuift in het verloop van de vier seizoenen seksualiteit nadrukkelijker naar voren. In de lente (3e ontmoeting) wordt die seksualiteit gerelateerd aan opgave van de eigen identiteit van Shinko. (fraai gebruik van de spiegel als motief, sowieso een van de meest karakteristieke visuele motieven van Yoshida). Shinko's ontwikkeling is in zekere zin verwant aan die van de twee contrasterende geisha's waarmee Shasuke haar confronteert: Japans vooroorlogs culturele symbool dat hier als oud en afgedaan getoond wordt, en de moderne variant die feitelijk nog alleen maar prostituee is. (zie bijv. Mizoguchi's
Gion Bayashi). Shinko zal de suggestie "moderne vrouw" te worden opvolgen.
Sterk de scene later waarin een ander visueel motief, het roken, geconfronteerd wordt met de spiegel. Nota bene in een soort love-hotel staart Shinko naar haar eigen, inmiddels lege, zelf, terwijl Shasuke op bed ligt en verveeld rondjes blaast.
Over-acteren heb ik niet kunnen ontdekken, zeker niet in vergelijk met bijvoorbeeld de studiofilms van Oshima of vroeg werk van Immamura. Uitzondering zijn drie emotionele uitbarstingen van Shinko: lachen, woede en huilen. Maar die hebben een voor de film essentiële functie, net door de uitbundigheid: ze geven de aanvankelijk suïcidale Shasuke de kracht om te leven en definiëren Shinko als een ideaal voor het nieuwe Japan. (Het blijft verder oningevuld in de film, ik maak er iets van als "oprecht
Zijn")
Dat uitbundigheid niet de sterkste kant van een Japanse actrice is, neem ik op de koop toe. Okada verraste me in ieder geval met een breder spectrum dan ik van haar kende en voltrekt op overtuigende wijze de ontwikkeling van jonge, levenslustige onschuld naar gebroken vrouw. Nagato zet een aardige anti-(romantische) held neer, wiens aanvankelijke, halfslachtige afwijzing van een op bezit gebaseerd bestaan steeds meer plaats maakt voor cynische acceptatie van het de voortdenderende Japanse economie, zoals zijn droom een authentiek boek te schrijven verwordt tot het in loondienst werken aan een boek met de ironische titel "My Homeland". Zijn Amerikaanse sigaret heeft hij inmiddels verruild voor een gedistingeerdere pijp.
Visueel is dit nog niet de abstracte Yoshida, maar elementen van wat komen gaat zijn al aanwezig. Leuk het moment dat Shinko voor een scherm staat, schijnbaar
en profiel, maar als ze het scherm opentrekt blijkt ze
en face te staan. Fraai de shots in de lange gangen van het ressort. Sowieso zie je hier soms al het gebruik van frame binnen het frame, zoals het moment waarop Shinko een paar keer zich speels tussen sub-frames verplaatst. De scene bij het station, zonder schmierende soundtrack, vond ik ook sterk. De shots langs de lange trein, maar vooral ook de zeer dreigende shots vanaf onderaan de trap. Voor mij de sterkste scene van de film speelt zich af op de veranda waar Yoshida fraai gebruik maakt van scheidende schermen en de erg fraaie spiegelingen op de buiten- en binnenruiten. Pure magie.
Tot slot nog een opmerking over de slotscene die boeiend is omdat Yoshida's cinema - hij was zelf assistent bij Ozu - wel eens als anti-Ozu gekarakteriseerd wordt.
Shinko sterft aan de rivier, een plaats bij uitstek voor Shinjū of minstens transcendentie voor haar. Rivier en de vier seizoenen die de film structureren zijn motieven bij uitstek van hetgeen zo essentieel geacht wordt voor de Japanse esthetiek, het apolitieke mono no aware (soort melancholische berusting in de onvermijdelijkheid der dingen). Yoshida laat Shasuke echter teruglopen om haar lijk te verplaatsen. Visueel confronteert hij de rivier met de straat en brengt daarmee twee tijden in beeld binnen één frame: de cyclische, onbeïnvloedbare tijd van Ozu en de concrete, politieke tijd van de J-N-W. Op die straat legt Shasuke het lijk neer en zijn uitbarsting is tegelijk melodrama én een echo van Shinko's eerdere uitbundige huilen dat toen nog een hoopvol nieuw begin voor Japan inluidde.
Muzikaal is het jammer dat de film teveel hetzelfde deuntje herhaalt, maar het versterkt wel de ironie van N-W thematiek binnen uitgerekend een melodrama.